← Alle documenten

5 PZH 20151123 REV ESSO NL.pdf

Esso · 253 pagina's · DoclingDocument 1.10.0 · bekijk gerenderde HTML

Besluit #1 — Beschikking p. 1–253

I.0 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN p. 7–13 0 voorschrift(en)

Geen voorschriften gevonden.

2.0 BODEM p. 14 0 voorschrift(en)

Geen voorschriften gevonden.

3.0 EXTERNE VEILIGHEID p. 15–35 0 voorschrift(en)

Geen voorschriften gevonden.

4.0 BESTAANDE BOVENGRONDSE ATMOSFERISCHE OPSLAG VAN BRANDBARE VLOEISTOFFEN IN VERTICALE CILINDRISCHE TANKS p. 36–64 0 voorschrift(en)

Geen voorschriften gevonden.

5.0 OVERIGE OPSLAGVOORZIENINGEN p. 65–67 0 voorschrift(en)

Geen voorschriften gevonden.

6.0 GELUID p. 68–69 0 voorschrift(en)

Geen voorschriften gevonden.

7.0 LUCHT EMISSIE EISEN p. 70–78 0 voorschrift(en)

Geen voorschriften gevonden.

8.0 LUCHT MONITORING p. 79–91 1 voorschrift(en)
Voorschrift 8.2.1 — p. 85

De flowmetingen van de fakkel voor de LJG fakkel en de fakkel west moeten zijn gecorrigeerd voor druk, temperatuur en dichtheid. Een continue flowmeting van het fakkeldebiet is niet nodig voor de overige fakkels; deze mogen worden geschat zoals dat is beschreven in de aanvraag bijlage 13A (zie voorschrift 8.2.1 voor de termijn van implementatie). De apparatuur voor de continue meting van het debiet van het fakkelgas voor de fakkel west en de LJG fakkel moet uiteriijk binnen 36 maanden na het in werking treden van de vergunning geïnstalleerd en in werking zijn. 4. De debietmeters op de LJG fakkel en de fakkel west moeten een zodanig bereik hebben dat op jaarbasis 90% van het op deze fakkels maximaal denkbare fakkelaanbod nauwkeurig kunnen worden gemeten. 5. Alle stookinstallaties binnen het samenstel moeten twee maal per jaar worden gemeten. 6. Thermisch vermogen van de stookinstallaties betreft bij een samenstel van stookinstallaties het thermisch vermogen van het samenstel. 7. | P^°"^"j^j^ HOLLAND Kwaliteitsborging continu meetsystemen NO^ 8.3.2 De kwaliteitsborging van de ter controle van de NOx emissiegrenswaarden geïnstalleerde apparatuur en toegepaste uitworpkarakteristieken moet voldoen aan NEN-EN 14181, waarbij de kalibratie eens per driejaar plaatsvindt. In afwijking op de NEN-14181 mag het kwaliteitsborgingsniveau 2 bereik voor NOx worden verhoogd door aanbieding van een kalibratiegas met een verhoogde NOx concentratie. 8.3.3 De waarde van het 95% betrouwbaarheidsinterval, dat wordt bepaald tijdens de parallelmetingen ten behoeve van de verificatie van de meetapparatuur voor continue metingen, mag de volgende waarden niet overschrijden: NOx op de stookinstallaties voorzien van continue maatapparatuur; 20% van de jaargemiddelde concentratie op de betreffende stookinstallatie - Debiet: 10% van het jaargemiddelde debiet waarbij het debiet betrekking heeft op de installatie die continu wordt gemeten. - Toetsing emissie eisen NO^ 8.3.4 Toetsing van de voortschrijdende NOx jaarvracht van de inrichting aan de emissiegrenswaarde uit voorschrift O vindt plaats zonder correctie voor de meetonnauwkeurigheid. De voortschrijdende jaarvracht wordt elke maand bepaald. De jaarvracht en de berekening daarvan moeten op locatie aanwezig zijn. Dagen waarin LJG niet beschikbaar is, worden niet meegenomen bij de bepaling van de jaarvracht. De voortschrijdende vracht wordt elke maand bepaald over de afgelopen 365 dagen waarop LJG beschikbaar was. 8.3.5 Toetsing van de maandgemiddelde concentratie aan de emissiegrenswaarde uit voorschrift 7.2.5 vindt plaats zonder correctie voor de meetonnauwkeurigheid. De maandgemiddelde concentratie wordt voor elke kalendermaand bepaald. De maandgemiddelde concentratie en de berekening daarvan moeten op locatie aanwezig zijn. 8.4 Monitoring stof Sfoo/(/Psfa//af/es 8.4.1 Voor de aangevraagde stookinstallaties gelden voor de meting van stof de meetfrequenties uit onderstaande tabel: — P^;";*: HOLLAND ZUID Tabel 4 Stof meetfrequenties en bepalingsmethoden Noot 1 Na twee jaar kan op basis van de meethistorie een verzoek tot veriaging van de meetfrequenties worden ingediend. Het verzoek moet een duidelijke onderbouwing geven op basis van meetrapporten. 2 Meetverplichting geldt niet voor fornuis F6030. Alle stookinstallaties binnen het samenstel moeten twee maal per jaar worden gemeten. 4 Thermisch vermogen van de stookinstallaties betreft bij een samenstel van stookinstallaties het thermisch vermogen van het samenstel. Co/ces opslag 8.4.2 De stofemissie naar de lucht vanuit de cokes opslag moet éénmaal per drie jaar worden gemeten. Tevens moet een continue ERP bewaking plaatsvinden. 8.4.3 Vergunninghouder moet met betrekking tot de ERP bewaking genoemd in voorschriften 8.4.1 en 8.4.2 binnen negen maanden na het in werking treden van deze vergunning een controleplan maken en overieggen aan het bevoegd gezag. In dit controleplan moet het volgende zijn uitgewerkt: een omschrijving van de ERP('s); - de ERP-categorie conform paragraaf 3.7.4 van de NeR; -| de bandbreedte waarbinnen de ERP('s) zich moet(en) bevinden om te voldoen aan de emissie-eisen; - op welke wijze de kwaliteit van de continue registratie van de ERP('s) wordt gewaarborgd; - de actie bij het over- en onderschrijden van de vastgestelde grenswaarde voor de ERP. De genoemde ERP bewakingen moeten per installatie reproduceerbaar worden vastgelegd. - Fakkel 8.4.4 De stofemissies als gevolg van het gebruik van de fakkels moeten worden bepaald volgens paragraaf 5.3 van het document "Diffuse emissies en emissies bij op- en overslag" uit de rapportagereeks Milieumonitor (nummer 14, maart 2004) van RIVM/MNP. p ^ ° ^ ^ " j ^ i J HOLLAND Kwaliteitsborging continu meetsystemen stof 8.4.5 De kwaliteitsborging van de ter controle van de stof emissiegrenswaarden geïnstalleerde apparatuur kan in afwijking op de NEN-14181 worden ingevuld door de uitvoering van 9 parallelle stofmetingen. 8.5 Monitoring koolmonoxide 8.5.1 Voor de aangevraagde stookinstallaties gelden voor de meting van CO de meetfrequenties uit onderstaande tabel. Tabel 5 Koolmonoxide meetfrequenties. Noot: Na twee jaar kan op basis van de meethistorie een verzoek tot verlaging van de meetfrequenties worden ingediend. Het verzoek moet een duidelijke onderbouwing geven op basis van meetrapporten. Meetverplichting geldt niet voor fornuis F6030. Alle stookinstallaties binnen het samenstel moeten twee maal per jaar worden gemeten. Thermisch vermogen van de stookinstallaties betreft bij een samenstel van stookinstallaties het thermisch vermogen van het samenstel. | 8.6 Monitoring VOS- en benzeen Vacuümtrucks 8.6.1 Vergunninghouder voert een onderzoek uit naar de kwantificering van emissies uit vacuümtrucks. Hierbij worden minimaal de volgende aspecten genoemd in bijlage 11B, pagina 16 van de aanvraag meegenomen: producteigenschappen zoals dampspanning, temperatuur en hoeveelheid; - eigenschappen van het product dat al in de tank zit; - tijdsduur dat de vloeistoffen in de tank zitten; - temperatuur van de damp; - de hoeveelheid lucht die met de vloeistof wordt meegezogen; - de pompsnelheid en het type pomp; - de grootte van de tank. - Het onderzoek moet uiteriijk 31 december 2017 ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden overiegd. p^°™ HOLLAND Dampverwerkingsinstallaties 8.6.2 Voor de aangevraagde dampvenA/erkingsinstallaties voor trucks, lichters en zeeschepen (VRU's en BVRU's) gelden voor de meting van VOS en benzeen de meetfrequenties uit de volgende tabel. Tabel 6 Benzeen en VOS meetfrequenties. Noot: Meetverplichting geldt alleen als er geen 100% benzeen wordt veriaden. 8.6.3 De emissiegrenswaarden uit voorschriften 7.6.9 en 7.6.10 moeten voor de componenten die continu worden gemeten op de VRU's en de BVRU, worden gezien als maandgemiddelde concentratie-eisen. Toetsing van deze maandgemiddelde concentratie aan de emissiegrenswaarde vindt plaats zonder correctie voor de meetonnauwkeurigheid. De maandgemiddelde concentratie wordt voor elke kalendermaand bepaald. De maandgemiddelde concentratie en de berekening daarvan moeten op locatie aanwezig zijn. Sfoo/(/Psfa//af/es 8.6.4 De VOS emissies van de stookinstallaties worden bepaald op basis van kentallen die zijn gebaseerd op emissiemetingen van CxHy welke worden uitgesplitst in NMVOS en methaan. Per individuele installatie gelden voor de meting van CxHy de meetfrequenties uit de volgende tabel: Tabel 7 CxHy meetfrequenties p ^ ° " ^ " j ^ j j HOLLAND Opslagtanks 8.6.5 Opslagtanks waarin klasse 1 vloeistoffen of vloeistoffen met een benzeengehalte van meer dan 5 % op gewichtsbasis in de vloeistof worden opgeslagen, dienen ieder jaar te worden bemeten met behulp van een infraroodcamera IR. De metingen moeten worden uitgevoerd conform de NTA 8399 (2013) (VOS-emissies met IR). Hiertoe moet vergunninghouder binnen twaalf maanden na het in werking treden van deze vergunning een plan van aanpak ter beoordeling aan het bevoegd gezag overieggen. Dit plan van aanpak moet ten minste de volgende onderdelen bevatten: Overzicht te meten componenten; - Planning van de metingen; - Protocol voor de uitvoering van de metingen; - Procedures ten aanzien van de omgang met gevonden lekkages; daarbij moeten ook de reparatiegrenzen worden aangegeven; - protocol voor te ondernemen acties bij geconstateerde lekken; - procedures ten aanzien van de registratie en rapportage van lekken. - De metingen starten niet eerder dan nadat de beoordeling van het plan van aanpak afgerond is. IS, Lekverliezen Lekverliezen 8.6.6 8.6.6 Vergunninghouder voert een lekveriiezen beheersprogramma (LDAR) uit. Binnen de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn met daarin opgenomen alle potentiële VOS bronnen die vallen onder het LDAR programma. De uitvoering van het LDAR programma vindt plaats conform het 'Meetprotocol voor lekveriiezen' en het gestelde in het 'Handboek emissiefactoren -Diffuse emissies en emissies bij op- en overslag' voert een lekverliezen beheersprogramma (LDAR) uit. Binnen de in het (Rapportagereeks MilieuMonitor nr. 14 en 15, maart 2004). Wanneer diffuse VOS emissies zichtbaar kunnen worden gemaakt door middel van een gasfind IR camera kan het LDAR programma ook (gedeeltelijk) worden uitgevoerd op basis van OGI (Optical Gas Imaging). Het OGI programma moet voldoen aan de onderstaande voonA/aarden: de uitvoering vindt plaats conform de NTA 8399. de werkwijze is conform de systematiek van het "meetprotocol voor lekveriiezen" waarbij de volgende extra randvoorwaarden gelden: alle apparaten uit de groepen 1, 2 en 3 (zoals gedefinieerd in de Rapportagereeks Milieumonitor nr. 15, maart 2004) worden jaariijks gemeten; - de reparatiegrens is gelijk aan de (zichtbare) lekgrens; - voor kwantificering van de emissies wordt gebruik gemaakt van de API leak/no leak methode waarbij voor de leak/no leak factoren wordt uitgegaan van een detectielimiet van 60 g/h; - de scansnelheid mag niet groter zijn dan 2500 items per camera per werkdag gemiddeld over de meetperiode; - voor de bereikbare potentiële lekpunten bedraagt de maximale filmafstand 3 meter; - boven windkracht 4 mogen geen OGI metingen plaatsvinden. Deze begrenzing heeft betrekking op de lokale winkracht bij het meetpunt. - Van deze voorwaarden kan worden afgeweken na instemming van het bevoegd gezag. P^J™ HOLLAND A fvalwa terzuiveringsinstallatie 8.6.7 Esso stelt een meetprogramma op waarmee meer inzicht kan worden verkregen in de relatieve bijdragen aan de benzeenemissies van de verschillende onderdelen van de AWZI. In eerste instantie wordt een plan van aanpak opgesteld wat binnen zes maanden na het in werking treden van deze vergunning ter goedkeuring aan het bevoegd gezag moet worden overlegd. In het plan van aanpak worden de opties voor het meetprogramma verkend. In ieder geval moet het zogenaamde Opsis meetsysteem worden onderzocht op de technische haalbaarheid. Na goedkeuring van het plan van aanpak kan het definitieve meetprogramma worden opgesteld. Het definitieve meetprogramma wordt binnen twaalf maanden na goedkeuring van het plan van aanpak ter goedkeuring aangeboden aan het bevoegd gezag. 8.7 Monitoring Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) 8.7.1 De emissies naar de lucht van de volgende stoffen uit de daarbij behorende installaties moeten worden gemeten volgens de meetfrequenties uit de volgende tabel; Tabel 8 Meetfrequenties voor ZZS Noot: Dit mag worden veriaagd tot één meting per regeneratie als de regeneratie plaatsvindt met een frequentie van minder dan éénmaal per jaar.

9.0 MEET EN REGISTRATIESYSTEMEN NOx, SO2 EN VOS p. 92–96 0 voorschrift(en)

Geen voorschriften gevonden.

10.0 PROCESINSTALLATIES p. 97–103 0 voorschrift(en)

Geen voorschriften gevonden.

I I . 0 DUURZAAM ONDERNEMEN p. 104–107 0 voorschrift(en)

Geen voorschriften gevonden.