Aan:
Indaver Gevaarlijk Afval B.V. Willemskerkeweg 5 4542 NN Hoek
Kenmerk:
W-AOV150074/00096463
Afdeling:
Vergunningverlening
Datum:
6 december 2016
Onderwerp:
Omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid onder e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verlenen aan Indaver Gevaarlijk Afval B.V..
Wij hebben op 6 december 2016 besloten om aan Indaver Gevaarlijk Afval B.V., gelegen aan de Willemskerkeweg 5 in Hoek de gevraagde revisievergunning voor het opslaan, sorteren, ompakken en bewerken van bij derden ingezamelde en intern vrijkomende gevaarlijke en nietgevaarlijke afvalstoffen en -producten alsmede het reinigen van transportmiddelen, containers, emballages en installaties te verlenen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2 of 3 van de Wabo.
IGA, W-AOV150074
| 1 BESLUIT OMGEVINGSVERGUNNING | 6 | |
| 1.1 | Onderwerp | 6 |
| 1.2 | Besluit | 6 |
| 1.3 | Ondertekening en verzending | 7 |
| 1.4 | Inwerkingtreding | 8 |
| 1.5 | Rechtsmiddelen | 8 |
| 1.6 | Afschriften | 8 |
| 1 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN | 9 | |
| 1.1 | Terrein van de inrichting en toegankelijkheid | 9 |
| 1.2 | Instructies | 9 |
| 1.3 | Meldingen en wijzigingen vergunninghouder | 9 |
| 1.4 | Registratie | 10 |
| 1.5 | Bedrijfsbeëindiging | 10 |
| 1.6 | Proefnemingen | 11 |
| 1.7 | Accu laadstation | 11 |
| 2 | MILIEUZORG | 12 |
| 2.1 | Milieuzorgsysteem | 12 |
| 2.2 | Inspecties en onderhoud | 12 |
| 3 | AFVALSTOFFEN | 12 |
| 3.1 | Afvalscheiding voor afvalstoffen die binnen IGA ontstaan | 12 |
| 3.2 | Opslag van afvalstoffen | 13 |
| 3.3 | Afvoer van afvalstoffen | 14 |
| 3.4 | Acceptatie | 14 |
| 3.5 | Registratie | 19 |
| 3.6 | Bedrijfsvoering | 20 |
| 3.7 | Handelingen, bewerkingsroute en sturing | 21 |
| 4 | AFVALWATER | 27 |
| 4.1 | Lozingseisen | 27 |
| 4.2 | Meten en bemonsteren | 28 |
| 4.3 | Logboek | 28 |
| 4.4 | Inspanningsverplichting | 29 |
| 4.5 | Storing MBR Goedkeuringsplicht te gebruiken reinigingsproducten | 29 |
| 4.6 | 29 | |
| 5 | ENERGIE | 29 |
| 6 | BRANDVEILIGHEID | 30 |
| 6.1 | Bereikbaarheid | 30 |
| 6.2 | Brandkranen/hydranten | 31 |
| 6.3 | Branddetectie en doormelding | 31 |
| 6.4 | Draagbare blusmiddelen en brandslanghaspels | 31 |
| 6.5 | Brandbeveiligingsinstallatie | 31 |
| 7 | EXTERNE VEILIGHEID | 31 |
| 7.1 | Opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15 opslagen) | 31 |
| 7.2 7.3 | Opslagvoorzieningen ten behoeve van gevaarlijke afvalstoffen Opslag van petroleum in een bovengrondse tank | 32 33 |
| 7.4 | Afvalwatertanks | 33 |
| 7.5 | Opslag vloeibare zuurstof en stikstof | 34 |
| 7.6 | Opslag van organische peroxiden | 34 |
| 7.7 | Laden en lossen | 34 |
| 7.8 | Veiligheid | 36 |
| 8 GELUID | 37 | |
| 9 | GEUR | 38 |
| 10 LUCHT | 38 | |
| 10.1 | Diffuse emissies | 38 |
| 10.2 | Bulkopslag en oppervlaktebronnen | 38 |
| 11 | ONGEWONE VOORVALLEN | 38 |
| 1 | PROCEDURELE ASPECTEN | 40 |
| 1.1 | Gegevens aanvrager | 40 |
| 1.2 | Projectbeschrijving | 40 |
| 1.3 | Huidige vergunningssituatie | 40 |
| 1.4 | Bevoegd gezag | 41 |
| 1.5 | Volledigheid van de aanvraag en opschorting procedure | 41 |
| 1.6 | Procedure (uitgebreid) en zienswijze | 41 |
| 1.7 | Adviezen, aanwijzing Minister, Verklaring van geen bedenkingen | 44 |
| 1.8 | Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning | 45 |
| 2 | SAMENHANG MET OVERIGE WET- EN REGELGEVING | 46 |
| 2.1 | Activiteitenbesluit milieubeheer | 46 |
| 2.2 | Coördinatie met de Waterwet | 46 |
| 1 | TOETSINGSKADER MILIEU | 48 |
| 1.1 | Inleiding | 48 |
| 1.2 | Toetsing revisie | 48 |
| 2 | BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN | 48 |
| 2.1 | Algemeen | 48 |
| 2.2 | Concrete bepaling beste beschikbare technieken | 49 |
| 2.3 | Conclusies BBT | 49 |
| 3 | MILIEUZORGSYSTEEM | 50 |
| 3.1 | Algemeen | 50 |
| 3.2 | Milieuzorg | 50 |
| 3.3 | Conclusie | 50 |
| 4 | AFVALSTOFFEN | 50 |
| 4.1 | Preventie | 50 |
| 4.2 | Afvalscheiding | 51 |
| 4.3 | Overwegingen voor afvalverwerkers | 51 |
| 4.4 | Uitsluitend opslaan | 54 |
| 4.5 | Be-/verwerking | 54 |
| 4.6 | AV-beleid en AO/IC | 101 |
| 4.7 | Conclusie | 102 |
| 5 | AFVALWATER | 102 |
| 5.1 | Inleiding | 102 |
| 5.2 | Afvalwaterstromen | 102 |
| 5.3 | Cleaning | 104 |
| 5.4 | Afvalwaterzuivering (AWZI) | 105 |
| 5.5 | Acceptatie en verwerkingsbeleid | 106 |
| 5.6 | Calamiteiten | 106 |
| 5.7 | Lozingseisen | 106 |
| 5.8 | Beoordeling en conclusie | 107 |
| 6 BODEM | 107 | |
| 6.1 | Algemeen | 107 |
| 6.2 | Het kader voor de bescherming van de bodem | 107 |
| 6.3 | De bodembedreigende activiteiten | 107 |
| 6.4 | Beoordeling en conclusie | 108 |
| 6.5 | Nulsituatieonderzoek | 108 |
| 6.6 | Eindsituatieonderzoek | 109 |
| 7 | ENERGIE | 109 |
| 7.1 | Inrichting energie relevant | 109 |
| 8 | EXTERNE VEILIGHEID | 109 |
| 8.1 | Algemeen | 109 |
| 8.2 | Besluit risico's zware ongevallen 2015 | 109 |
| 8.3 | Relatie met Activiteitenbesluit | 110 |
| 8.4 | Externe veiligheidsbeleid | 110 |
| 8.5 | Besluit externe veiligheid inrichtingen | 110 |
| 8.6 | QRA | 111 |
| 8.7 | Registratiebesluit / Regeling provinciale risicokaart | 112 |
| 8.8 | Warenwetbesluit drukapparatuur | 112 |
| 8.9 | Intern) bedrijfsnoodplan gevaarlijke | 113 |
| 8.10 | Op- en overslag van stoffen | 113 |
| 8.11 | Bouwbesluit 2012 | 114 |
| 8.12 | Beoordeling en conclusie | 114 |
| 9 GELUID | 114 | |
| 9.1 | Toetsingskader | 114 |
| 9.2 | Beoordeling | 115 |
| 9.3 | Conclusies | 115 |
| 10 GEUR | 116 | |
| Landelijk beleid | ||
| 10.1 | 116 | |
| 10.2 | Provinciaal beleid | 116 |
| 10.3 | Beoordeling geurhindersituatie | 116 |
| 10.4 | Conclusie | 117 |
| 11 LUCHT | 117 | |
| 11.1 | Algemeen | 117 |
| 11.2 | Emissiebeperkende voorzieningen | 117 |
| 11.3 | Emissie | 118 |
| 11.4 | VOS emissies | 118 |
| 11.5 | Stuifgevoelige stoffen | 119 |
| 11.6 | Toetsen aan luchtkwaliteitseisen | 119 |
| 12 | VERRUIMDE REIKWIJDTE | 120 |
| 12.1 | Preventie | 120 |
| 12.2 | Waterverbruik | 120 |
| 13 | OVERIGE ASPECTEN | 121 |
| 13.1 | Artikel 2.22 lid 3 Wabo jo. artikel 5.7 lid 1 Bor | 121 |
| 13.2 | REACH | 121 |
| 13.3 | Proefnemingen | 121 |
| 13.4 | Ongewone voorvallen | 122 |
| 13.5 | Natuurbeschermingswet 1998 | 123 |
| 13.6 | Toekomstige ontwikkelingen | 123 |
| 14 | EINDCONCLUSIE | 124 |
Wij hebben op 17 februari 2015 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van Indaver Gevaarlijk Afval B.V. (hierna: IGA). Het betreft een aanvraag om revisievergunning voor de gehele inrichting. De aanvraag gaat over IGA, gelegen aan de Willemskerkeweg 5 in Hoek. De aanvraag is geregistreerd onder nummer W-AOV150074.
Concreet wordt verzocht om een vergunning ex artikel 2.1, lid 1, onder e, sub 2 en 3 (milieu).
Wij besluiten, gelet op de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning:
Gedeputeerde Staten van Zeeland, namens dezen,
Dit besluit wordt na afloop van de beroepstermijn van kracht tenzij gedurende die termijn beroep is ingesteld en een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan. Dit besluit wordt niet van kracht voordat op dat verzoek is beslist.
Belanghebbenden kunnen schriftelijk beroep instellen tegen dit besluit bij de rechtbank Zeeland-West Brabant, locatie Breda, team bestuursrecht, Postbus 90006, 4800 PA Breda. In het beroepschrift neemt u ten minste op uw naam, uw adres, de datum, tegen welk besluit u beroep instelt (zo mogelijk een kopie meezenden) en waarom. Het beroepschrift dient te worden ondertekend. U moet het beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt. Doorgaans is dat de dag na de datum van verzending. Overschrijding van de termijn kan er toe leiden dat met uw beroep geen rekening wordt gehouden.
Wij wijzen u erop dat het beroep niet de werking van het besluit schorst. U kunt een verzoek doen tot het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). U richt het verzoek aan de voorzieningenrechter van de rechtbank ZeelandWest Brabant, locatie Breda, team bestuursrecht, Postbus 90006, 4800 PA Breda. Voor de behandeling van het verzoek is griffierecht verschuldigd.
Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan:
Binnen de inrichting moet een overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moeten ten minste de volgende aspecten zijn aangegeven:
Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.
De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.
Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.
Apparatuur, tanks, leidingen en leidingondersteuningen die aan een weg zijn gelegen moeten, indien bij aanrijding een voor de omgeving gevaarlijke situatie kan ontstaan, zijn beschermd door deugdelijke vangrails of een gelijkwaardige constructie.
Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden.
Tijdens het in bedrijf zijn van de inrichting moet personeel aanwezig zijn dat voor controle- en registratiewerkzaamheden is geïnstrueerd.
De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.
De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aan wijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.
Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit moeten ten minste 5 werkdagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld.
De vergunninghouder meldt voorgenomen bijzondere bedrijfsomstandigheden ten minste 5 werkdagen voor de aanvang van de uitvoering schriftelijk aan het bevoegd gezag. De vergunninghouder neemt maatregelen om deze noodzakelijke bedrijfsomstandigheden zo snel mogelijk te beëindigen. Tevens treft de vergunninghouder voorzieningen om de milieubelasting te reduceren.
Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet binnen een werkdag het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld.
Binnen de inrichting is een exemplaar van deze vergunning (inclusief aanvraag) met bijbehorende voorschriften aanwezig. Verder zijn binnen de inrichting de volgende documenten aanwezig:
De documenten genoemd in voorschrift 1.4.1 moeten ten minste vijf jaar worden bewaard, met uitzondering van c en e.
Klachten van derden en de actie die door de vergunninghouder is ondernomen om de bron van de klachten te onderzoeken en eventueel weg te nemen, moeten worden geregistreerd.
De vergunninghouder draagt er zorg voor dat hij bij het buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of bij de beëindiging van (een deel van) de activiteiten de nodige maatregelen treft om de risico's van verontreiniging te voorkomen.
Van het buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (een deel van) de activiteiten dient onverwijld melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. De melding bevat in ieder geval de datum van de buiten werking stelling, dan wel van de beëindiging en een plan van aanpak met betrekking tot het voorkomen van nadelige gevolgen voor het milieu ten gevolge van de buiten werking stelling, dan wel de beëindiging.
Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van vergunde activiteiten moeten alle aanwezige stoffen, afvalstoffen en materialen, op milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden verwijderd. Het verwijderen dient plaats te vinden overeenkomstig door het bevoegd gezag te stellen nadere eisen. De nadere eisen kunnen in ieder geval betrekking hebben op:
Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten worden verwijderd tenzij de (delen van de) installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden. Het verwijderen dient plaats te vinden overeenkomstig door het bevoegd gezag te stellen nadere eisen. De nadere eisen kunnen in ieder geval betrekking hebben op:
Vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen danwel be- en verwerken. Goedkeuring wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen.
Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef als bedoeld in voorschrift 1.6.1, moeten de volgende gegevens 6 weken voor aanvang van de proef schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt:
Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet zoals bedoeld in voorschrift 1.6.2 goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.
De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, moet de proef onmiddellijk gestopt worden.
De resultaten van de proefneming als bedoeld in voorschrift 1.6.1 moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden overgelegd.
Acculaders en accu's moeten, indien zij geladen worden of in werking zijn, zijn opgesteld in een goed op de buitenlucht geventileerde ruimte.
Accu's moeten rechtstandig worden opgeslagen in een speciaal hiervoor bestemde vloeistofdichte bak die bestand is tegen de inwerking van accuzuur. Deze bak moet tegen weersinvloeden zijn beschermd.
Een acculader moet zijn geaard. Een acculader en accu's moeten overzichtelijk zijn opgesteld en altijd goed bereikbaar zijn.
Met het oog op het kunnen voldoen aan de aan deze vergunning verbonden voorschriften worden organisatorische en administratieve maatregelen getroffen. Daartoe beschikt vergunninghouder over een milieuzorgsysteem (MZS) dat ten minste de onderdelen als beschreven in paragraaf 5.1 van de BREF Waste Treatment Industries (of BREF Afvalbehandeling) bevat.
De vergunninghouder toont door middel van auditrapporten, aanwezig binnen de inrichting, aan dat de inrichting conform het MZS in werking is.
De vergunninghouder stelt jaarlijks, zodra de audits bekend zijn, het bevoegd gezag in kennis van de uit te voeren ISO 14001 audits.
Alle installaties en voorzieningen binnen de inrichting (waaronder emissiebeperkende voorzieningen) verkeren, voor zover dit voor het vermijden van nadelige gevolgen voor het milieu van belang is, steeds in goede staat en functioneren naar behoren. Dit wordt regelmatig door middel van interne (apparaat-) inspecties en/of testen gecontroleerd waarbij de bevindingen schriftelijk worden vastgelegd. Onder bevindingen wordt ook verstaan het uitvoeren van reparaties, verbeteringen en geconstateerde afwijkingen. De frequentie van het uitvoeren van (apparaat)inspecties en/of testen is geborgd. De vergunninghouder past de frequentie van onderhoud/inspectie aan als de bevindingen daartoe aanleiding geven. De vergunninghouder legt het geheel van inspecties, testen, onderhoud, reparaties en bijbehorende frequenties vast in een onderhouds- en inspectiesysteem.
Bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen.
Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren:
Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen, die vrijkomen bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van gemorste dieselolie, smeerolie en hydraulische olie, moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen.
De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden.
De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat:
Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.
In de inrichting mag niet meer dan de volgende hoeveelheden vloeibaar (gevaarlijke) afvalstoffen, zoals opgenomen in tabel 5.1 van bijlage 11 van het ARIE-rapport, worden opgeslagen.
| Tanknr/object | Inhoud (inm 3 )/tank |
|---|---|
| T-1900, T-1903, T-1904 | 34 |
| T1901, T1902 | 25 |
| T-1292, T-1293, T-1294, T-1296, T-1297 | 72 |
| T-1291, T-1295 | 72 |
| T-1241 | 25 |
| T-1251 | 400 |
| T-1261 | 200 |
| T-1271 | 25 |
| T-1281 | 35 |
| T-1341 | 25 |
| T-1351 | 25 |
| T-1441 | 25 |
| T-1451 | 25 |
| T-1461, T-1471 | 25 |
| T-2170 | 400 |
| T-2171 | 400 |
| T-2310 | 600 |
| T-2320 | 1700 |
| T-2321 | 1900 |
| T-2326 | 60 |
| T-2330 | 150 |
| T-3100 | 30 |
| T-1801, T-1802, T-1803, T-1804 | 40 |
| T-6110, T-6120 | 60 |
| T-6210 | 150 |
| T-6220, T-6230 | 150 |
| T-6240 | 150 |
| T-6250 | 400 |
| T-6260 | 400 |
| TC-19001, TC-19002, TC-19003, TC 19004, TC 19005, TC 19006, TC 9009 | 24 |
Indien de afzet van de opgeslagen afvalstoffen stagneert, geeft de vergunninghouder dit onverwijld schriftelijk te kennen aan het bevoegd gezag. Deze mededeling bevat ten minste gegevens over de oorzaak van de stagnatie en de verwachte tijdsduur, alsmede de maatregelen die worden genomen om de stagnatie op de heffen, respectievelijk in de toekomst te voorkomen.
In de inrichting mag gezamenlijk maximaal 240.000 m 3 van de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar worden geaccepteerd en verwerkt en mogen op enig moment niet meer afvalstoffen worden opgeslagen dan 11.000 m 3 , ca 2500 m 3 daarvan zijn opslagdepots.
| Benaming afvalstof | Euralcodes |
|---|---|
| Huishoudelijk restafval (inclusief grof) | 200301 en 200307 |
| Restafval van bedrijven | 180101c; 180104c; 180201c; 180203c; 200301 en 200307 |
| Procesafhankelijk industrieel afval | 010101; 010102; 010304c*; 010305c*; 010306c; 010307c*; 010308c; 010309c; 010399; 010407c*; 010408c; 010409; 010410c; 010411c; 010412c; 010413c; 010499; 010504; 010506c*; 010507c; 010508c; 010599; 020103; 020106; 020108c*; 020109c; 020199; 020301; 020302; 020303; 020304; 020399; 020401; 020402; 020499; 020501; 020599; 020601; 020602; 020699; 020701; 020702; 020703; 020704; 020799; 030101; 030199; 030201c*; 030202c*; 030203c*; 030204c*; 030205c*; 030299c; 030301; 030302; 030305; 030307; 030308; 030309; 030310; 030399; 040101; 040102; 040103*; 040104; 040105; 040108; 040109; 040199; 040209; 040210; 040214c*; 040215c; 040216c*; 040217c; 040221; 040222; 040299; 050108*; 050111*; 050112*; 050113; 050114; 050115*; 050117; 050199; 050603*; 050604; 050699; 050799; 060102*; 060103*; 060104*; 060105*; 060106*; 060199; 060201*; 060203*; 060204*; 060205*; 060299; 060314c; 060315c*; 060316c; 060399; 060403c*; 060405c*; 060499c; 060602c*; 060603c; 060699; 060703*; 060704*; 060799; 060802*; 060899; |
| 060902; 060903c*; 060904c; 060999; 061002c*; 061099c; 061101; 061199; 061301*; 061304*; 061399; 070109*; 070110*; 070199; 070209*; 070210*; 070214c*; 070215c; 070216c*; 070217c; 070299; 070309*; 070310*; 070399; 070409*; 070410*; 070413c*; 070499c; 070509*; 070510*; 070513c*; 070514c; 070599; 070609*; 070610*; 070699; 070709*; 070710*; 070799; 080111c*; 080112c; 080113c*; 080114c; 080117c*; 080118c; 080121*; 080199; 080201; 080299; 080312c*; 080313c; 080314c*; 080315c; 080316*; 080317c*; 080318c; 080319*; 080399; 080409c*; 080410c; 080411c*; 080412c; 080417*; 080499; 080501*; 090108; 090110; 090199; 100125; 100199; 100202; 100299; 100302; 100304; 100305; 100308*; 100309*; 100315c*; 100316c; 100317c*; 100318c; 100321c*; 100322c; 100329c*; 100330c; 100399; 100401*; 100402*; 100403*; 100405*; 100499; 100501; 100504; 100510c*; 100511c; 100599; 100601; 100602; 100604; 100699; 100701; 100702; 100704; 100799; 100804; 100808; 100809; 100810c*; 100811c; 100812c*; 100813c; 100814; 100899; 100903; 100905c*; 100906c; 100907c*; 100908c; 100911c*; 100912c; 100913c*; 100914c; 100915c*; 100916c; 100999; 101003; 101005c*; 101006c; 101007c*; 101008c; 101011c*; 101012c; 101013c*; 101014c; 101015c*; 101016c; 101099; 101103; 101105; 101109c*; 101110c; 101111c*; 101112c; 101113c*; 101114c; 101199; 101201; 101203; 101206; 101208; 101211c*; 101212c; 101299; 101301; 101304; 101306; 101310; 101311; 101313c; 101314; 101399; 110108*; 110109c*; 110110c; 110116c*; 110198c*; 110199c; 110202*; 110203; 110205c*; 110206c; 110207c*; 110299c; 110302*; 110501; 110502; 110504*; 110599; 120112*; 120114c*; 120115c; 120120c*; 120121c; 120199; 150202c*; 150203c; 160801; 160802c*; 160803c en 160804 | |
| Gescheiden ingezameld papier en karton | 150101 en 200101 |
| Gescheiden ingezameld textiel Gescheiden ingezameld groente-, fruit- en tuinafval van huishoudens | 150109; 200110 en 200111 200108 |
| Gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval | 200108 |
| Gescheiden ingezameld groenafval | 020103; 020107 en 200201 |
| Afval van onderhoud van openbare ruimten | 200302; 200303 en 200306 020104; 070213; 120105; 160119; 170203c; 170204c* en 200139 |
| Kunststof Metalen | 070203; |
| 020110; 100210; 120101; 120102; 120103; 120104; 120113; 150104; 160117; 160118; 170401c; 170402c; 170403c; 170404c; 170405c; 170406c; 170407c; 190102; |
| Batterijen en accu's | 090111c*; 090112c; 160601*; 160602*; 160603*; 160604; 160605; 200133* en 200134 |
| Papier- of kunststofgeïsoleerde kabels en restanten daarvan | 170410c* en 170411c |
| Glasvezelkabels | 170411c |
| Waterzuiveringsslib | 020204; 020305; 020403; 020502; 020603; 020705; 030311; 040106; 040107; 040219c*; 040220c; 050109c*; 050110c; 060502c*; 060503c; 070111*; 070112c; 070211c*; 070212c; 070311c*; 070312c; 070411c*; 070412c; 070511c*; 070512c; 070611c*; 070612c; 070711c*; 070712c; 100120c*; 100121c; 101213; 190805; 190811c*; |
| Reststoffen van drinkwaterbereiding | 190812c; 191105c* en 191106c 190901; 190902; 190903; 190905; 190906 en 190999 |
| KCA/KGA | Reeds genoemd in andere sectorplannen |
| Afval van gezondheidszorg bij mens of dier | 180102c; 180103c*; 180104c; 180108*; 180202c*; 180207* en 200131* |
| AVI-bodemas | 190111c* en 190112c |
| AVI-vliegas | 190107*; 190113c*; 190114c; 190115c* en 190116c |
| Reststoffen van slibverbranding | 190107*; 190113c*; 190114c; 190115c* en 190116c |
| Reststoffen van kolengestookte energiecentrales | 100101; 100102; 100103; 100104*; 100105; 100107; 100113*; 100114c*; 100115c; 100116c*; 100117c; 100118c*; 100119c en 100124 |
| Reststoffen van energiewinning uit biomassa | 100101; 100103; 100104*; 100105; 100107; 100113* en 100124 |
| Actief kool | 060702*; 061302*; 061303; 190110* en 190904 |
| Rookgasreinigingsresidu van AVI's en installaties voor het verbranden van slib of biomassa | 190105* en 190107* |
| Shredderafval | 191003c*; 191004c; 191005c* en 191006c |
| Gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar bedrijfsafval en particulier gemengd verbouwingsafval | 170204*; 170603*; 170604; 170901c*; 170902c*; 170903c*; 170904c; 191211c* en 191212c |
| Steenachtig materiaal | 101314; 170101; 170102; 170103; 170106c*; 170107c; 170302c; 170507c*; 170508c; 191209 en 191211* |
| Zeefzand | 191209 en 191211* |
| Gips | 170801c* en 170802c |
| Cellenbeton | 170101 |
| Dakafval | 170301c*; 170302c en 170303* |
| Teerhoudend asfalt | 170301c* en 170303* |
| Straalgrit | 120116c* en 120117c |
| Hout | 030104c*; 030105c; 030301; 150103; 170201c; 170204*; 191206c*; 191207c; 200137c* en 200138c |
| Asbest en asbesthoudende afvalstoffen | 060701*; 061304*; 101309*; 160111*; 170601 en 170605* |
| Gescheiden ingezameld vlakglas | 170202*; 170204*; 191205 en 200102 |
| Verontreinigde grond | 170503c*; 170504c; 191301c*; 191302c en 200202 |
| Baggerspecie | 170505c* en 170506c |
| Verpakkingen algemeen | 150101; 150102; 150103; 150104; 150105; | |||
| Verpakkingen van verf, lijm, kit of hars | 080111c*; 080112c; 080117c*; 080118c; 080121*; 150110*; 200127c* en 200128c | |||
| Verpakkingen van overige gevaarlijke stoffen | 150110*; 200127c en 200128c | |||
| Gasflessen en overige drukhouders | 150111*; 160504* en 160505c | |||
| Brandblussers | 160504c* en 160505c | |||
| Munitie | Geen acceptatie IGA | |||
| Vuurwerk | Geen acceptatie IGA | |||
| Overig explosief afval | Geen acceptatie IGA | |||
| LPG-tanks | 160116 | |||
| Autowrakken | 160104* en 160106 | |||
| Autobanden | 160103 | |||
| Afvalstoffen afkomstig van schepen | Geen acceptatie IGA | |||
| Oliefilters | 150202c* en 160107* | |||
| Afgewerkte olie | 120110*; 130112*; 130206*; 130307*; | 130109*; 130113*; 130207*; 130308*; | 130110*; 130204*; 130208*; 130309*; | 130111*; 130205*; 130306*; 130310* en |
| Halogeenhoudende afgewerkte olie | 130109*; 130206*; 130310* | 130111*; 130208*; en; 200126* | 130113*; 130306*; | 130204*; 130308*; |
| Olie/water/slib mengsels en oliehoudende slibben | 050102*; 130502*; 130508*; 190207* en | 050103*; 130503*; 130801*; 190810* | 120118*; 130506*; 130802*; | 130501*; 130507*; 160708c*; |
| Vloeibare brandstof- en olierestanten | 050105*; 120119*; 190207* en | 120106*; 130701*; 200126* | 120107*; 130702*; | 120110*; 130703*; |
| Oliehoudende boorspoeling en boorgruis | 010505* | |||
| Boor-, snij-, slijp- en walsolie | 120106*; 120110*; 130105* | 120107*; 120118*; | 120108*; 120119*; | 120109*; 130104* en |
| Metalen met aanhangende olie of emulsie | 170409c* | |||
| Overig oliehoudend afval | 050102*; 050112*; 100508c*; 130104*; | 050104*; 100211*; 100609c*; 130105*; | 050106*; 100327c*; 100707c*; 130899* en | 050111*; 100409c*; 100819c*; 190207* |
| PCB-houdende afvalstoffen | 130101*; 130301*; 160109*; 160209* en 160210* Geen acceptatie IGA | |||
| Gasontladingslampen en fluorescentiepoeder | 060315c*; 060316c; 060404c* en 200121* | |||
| Halogeenarme oplosmiddelen en glycolen | 070104*; 070504*; 080409c*; 200113* | 070204*; 070604*; 140603*; | 070304*; 070704*; 160114c*; | 070404*; 080111c*; 160115c en |
| Halogeenhoudende oplosmiddelen | 070103*; 070503*; 080409c*; | 070203*; 070603*; 140602* en | 070303*; 070703*; 200113* | 070403*; 080111c*; |
| Destillatieresidu | 070107*; 070307*; 070507*; 070707* | 070108*; 070308*; 070508*; | 070207*; 070407*; 070607*; | 070208*; 070408*; 070608*; |
| CFK's, HCFK's, HFK's en halonen | en 070708* 140601* en 160504c* | |||
| Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur | 160211*; 160215*; | 160212*; 160216; | 160213*; 200123*; | 160214; 200135* en |
| 200136 | |
| Zwavelzuur, zuurteer en overig zwavelhoudend afval | 060101*; 100109*; 050107*; 050601*; 191102*; 050116; 050702; 060602c* en 060603c |
| IJzerhoudend beitsbad op basis van zoutzuur | 110105* |
| Edelmetaalhoudende baden | 060313c*; 110105*; 110106*; 110107*; 110113c* en 110114c |
| Metaalhoudend afvalwater met organische verontreinigingen | 110106*; 110111c*; 110112c; 110113c*; 110114c en 110198c* |
| Overige zuren, basen en metaalhoudend afvalwater | 010304c*, 040104, 060102*, 060103*, 060104*, 060105*, 060106*, 060201*, 060203*, 060204*, 060205*, 060313c*, 060403*, 060405c*, 060704*, 110105*, 110106*, 110107*, 110111*, 110112c, 110113c*, 110114c, 160805*, 160799c, 110113c*, 200114* en 200115* |
| Waterig afval met specifieke verontreinigingen | 070101*, 070201*, 070301*, 070401*, 070501*, 070601*, 070701*, 080115c*, 080116c, 080119c*, 080120c, 080202, 080203, 080307, 080308, 080413c*, 080414c, 080415c*, 080416c, 090113*, 100122c*, 100123c, 110111c*, 110112c, 110115c*, 120301*, 160709c*, 161001c*, 161002c, 161003c*, 161004c, 190106*, 190404, 191103*, 191307c* en 191308c. |
| Filterkoek van ontgiften/neutraliseren/ ontwateren | 190205c* en 190206c |
| Ontwikkelaar en fixeer | 090101*, 090102*, 090103*, 090104*, 090105*, 090106*, 090113* en 200117* |
| Vast fotografisch afval | 090106* en 090107* |
| Hardingszouten | 060311c*, 060313c* en 110301* |
| Kwikhoudend afval | 050701*, 060404c*, 060703*, 101401*, 160108*, 160603*, 170901c*, 180110* en 200121* |
| Arseensulfideslib en arseensulfide-filterkoek | 010101 en 060403c* |
De euralcodes behorende bij de sectorplannen 44 (gasflessen en overige drukhouders), 46 (munitie), 45 (brandblussers), 47 (vuurwerk), 48 (overige explosief afval) en 65 (dierlijk afval) worden niet geaccepteerd.
In afwijking van voorschrift 3.4.2 is het toegestaan afvalstoffen:
De vergunninghouder moet altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde AVbeleid en de AO/IC inclusief (voorzover van toepassing) de goedgekeurde aanvullingen en de ingevolge voorschrift 3.4.6 toegezonden wijzigingen.
Het in voorschrift 3.4.4 bedoelde AV-beleid, de AO/IC en de op grond van voorschrift 3.4.6 doorgevoerde wijzigingen moeten gedurende de openingstijden van de inrichting voor het bevoegd gezag ter inzage liggen.
Wijzigingen van de procedure voor acceptatie, be- en verwerking, registratie of controle moeten uiterlijk twee weken voordat de wijziging wordt doorgevoerd (ter bepaling van de procedure die in relatie tot de aard van de wijziging is vereist) schriftelijk ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:
Indien bij de controle van aangevoerde afvalstoffen blijkt dat deze niet mogen worden geaccepteerd, moeten deze afvalstoffen door vergunninghouder worden afgevoerd naar een inrichting die beschikt over de vereiste vergunning(en).
In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde (afval)stoffen en van alle aangevoerde stoffen die bij de be- of verwerking van afvalstoffen worden gebruikt het volgende moet worden vermeld:
Indien de afvalstoffen worden aangevoerd door een inzamelaar (niet zijnde de vergunninghouder) met toepassing van de inzamelaarsregeling moet de locatie van herkomst worden aangegeven, zoals deze moet worden vermeld op de begeleidingsbrief.
In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle afgevoerde afvalstoffen en van alle afgevoerde stoffen die bij de be- of verwerking zijn ontstaan het volgende moet worden vermeld:
Van de reeds ingewogen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld:
Ten behoeve van de registratie als bedoeld in dit hoofdstuk moet een registratiepost aanwezig zijn. De hoeveelheden die op grond van dit hoofdstuk moeten worden geregistreerd moeten worden bepaald door middel van een op de inrichting aanwezige weegvoorziening. De weegvoorziening(en) waarvan gebruik wordt gemaakt moet(en) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften van het Nederlands Meetinstituut zijn geijkt. Op aanvraag moeten geldige certificaten van weegvoorziening(en) aan het bevoegd gezag ter inzage worden gegeven.
Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in het vorige voorschrift genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar op de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde ambtenaren op aanvraag ter inzage worden gegeven.
De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen. Hiervoor dient er een verzoek tot goedkeuring bij het bevoegd gezag te worden ingediend. Het verzoek bevat ten minste de volgende gegevens:
De aangevoerde en binnen de inrichting ontstane afvalstoffen moeten met het oog op hergebruik naar soort worden gescheiden, gescheiden blijven, verzameld, bewaard en gescheiden worden afgevoerd.
In afwijking van voorschrift 3.6.2 is het samenvoegen/mengen van (gevaarlijk) afval toegestaan voor zover de be- en verwerkingen ervan niet in strijd zijn met de uitgangspunten van hoofdstuk 18 van het LAP en overeenkomstig de minimumstandaard van het LAP geschied.
Afvalstoffen mogen niet laagwaardiger dan de minimumstandaard verwerkt worden. Noch mogen afvalstoffen door handelingen of het nalaten van handelingen laagwaardiger dan de minimumstandaard verwerkt worden.
Specifiek ziekenhuisafval zoals bedoeld in sectorplan 19 (ADR klasse 6.2, categorie I3 en I4, UN3291) dient te worden bewaard in een hermetisch (luchtdicht) afgesloten UN-gekeurde verpakkingen, welke bestand is tegen beschadiging door de ingesloten afvalstoffen en als zodanig gekenmerkt is. Deze verpakkingen dienen te worden geborgen in een afsluitbare stalen container.
Nieuwe euralcodes en euralcodes waarvan de bewerkingsroute nog niet bekend is, dienen voorafgaand aan de feitelijke acceptatie schriftelijk ter goedkeuring aan bevoegd gezag te worden voorgelegd. Ten minste de volgende gegevens moeten worden verstrekt:
Vergunninghouder kan de stroom accepteren en bewerken na schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag.
Voorwaarde om gebruik te maken van het in voorschrift 3.7.1 genoemde mogelijkheid tot goedkeuring zijn dat:
Het is toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 020108c*, 020302, 020303, 020304, 020399, 020702, 030101, 030199, 030201c*, 030202c*, 030203c*, 030299c, 030307, 030399, 040103*, 040209, 040210, 040214c*, 040215c, 040216c*, 040217c, 040221, 040222, 040299, 050108*, 050111*, 050112*, 050115*, 050117, 050199, 050603*, 050604, 050699, 050799, 060102*, 060104*, 060105*, 060106*, 060201*, 060203*, 060204*, 060205*, 060299, 060315c*, 060399, 060405c*, 060499c, 060602c*, 060603c, 060699, 060704*, 060799, 060802*, 060899, 060999, 061002c*, 061099c, 061101, 061199, 061301*, 061399, 070109*, 070110*, 070199, 070209*, 070210*, 070214c*, 070215c, 070216c*, 070217c, 070299, 070309*, 070310*, 070399, 070409*, 070410*, 070413c*, 070499c, 070509*, 070510*, 070513c*, 070514c, 070599, 070609*, 070610*, 070699, 070709*, 070710*, 070799, 080111c*, 080112c, 080113c*, 080114c, 080117c*, 080118c, 080121*, 080199, 080201, 080299, 080312c*, 080313c, 080314c*, 080315c, 080316*, 080317c*, 080318c, 080319*, 080399, 080409c*, 080410c, 080411c*, 080412c, 080417*, 080499, 080501*, 090199, 100125, 100199, 100202, 100299, 100304, 100305, 100308*, 100309*, 100317c*, 100318c, 100321c*, 100322c, 100329c*, 100330c, 100399, 100401*, 100402*, 100405*, 100499, 100501, 100504, 100599, 100601, 100602, 100604, 100699, 100701, 100704, 100799, 100804, 100808, 100809, 100810c*, 100811c, 100812c*, 100813c, 100899, 100903, 100905c*, 100906c, 100907c*, 100908c, 100911c*, 100912c, 100913c*, 100914c, 100915c*, 100916c, 100999, 101003, 101005c*, 101006c, 101007c*, 101008c, 101011c*, 101012c, 101013c*, 101014c, 101015c*, 101016c, 101099, 101103, 101105, 101109c*, 101110c, 101111c*, 101112c, 101113c*, 101114c, 101199, 101203, 101211c*, 101212c, 101299, 101301, 101304, 101306, 101311, 101313c, 101314, 101399, 110108*, 110109c*, 110110c, 110116c*, 110198c*, 110199c, 110202*, 110203, 110205c*, 110206c, 110207c*, 110299c, 110302*, 110501, 110502, 110504*, 110599, 120112*, 120114c*, 120115c, 120120c*, 120121c, 120199, 150203c, 160801, 160802c*, 160803c en 160804 te mengen ten behoeve van verbranden mits:
- de mengactiviteiten niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het LAP;
- deze afvalstoffen niet geschikt zijn voor recycling op grond van de aard of samenstelling of de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton. Vergunninghouder kan aan deze eis voldoen door verklaringen, van tenminste twee, aan het bevoegd gezag te overleggen van bedrijven die vergund zijn het desbetreffende materiaal te recyclen. Indien slechts één bedrijf vergunning heeft het desbetreffende materiaal te verwerken, hoeft slechts één verklaring te worden overlegd.
Het is toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 060104*, 060106*, 060204*, 060205*, 060299 en 080316* te be- en verwerken ten behoeve van de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie, met als voorwaarde dat de residuen conform de minimumstandaard van het LAP worden be- en verwerkt.
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 150101 af te voeren naar een erkende verwerker om te verbranden, mits:
dit afval ongeschikt is voor recycling vanwege sterke vervuiling of waarvoor de recyclingroute zo duur is dat de kosten van afgifte voor recycling meer kost dan € 175 /ton. Vergunninghouder kan aan deze eis voldoen door verklaringen, van tenminste twee, aan het bevoegd gezag te overleggen van bedrijven die vergund zijn het desbetreffende materiaal te recyclen. Indien slechts één bedrijf vergunning heeft het desbetreffende materiaal te verwerken, hoeft slechts één verklaring te worden overlegd.
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcode 150109 af te voeren naar een erkende verwerker om deze te verbranden, mits dit afval ongeschikt is voor recycling vanwege sterke vervuiling of waarvoor de recyclingroute zo duur is dat de kosten van afgifte voor recycling meer kost dan € 175 /ton. Vergunninghouder kan aan deze eis voldoen door verklaringen, van tenminste twee, aan het bevoegd gezag te overleggen van bedrijven die vergund zijn het desbetreffende materiaal te recyclen. Indien slechts één bedrijf vergunning heeft het desbetreffende materiaal te verwerken, hoeft slechts één verklaring te worden overlegd.
Het is toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 200303 en 200306 te mengen of fysischchemisch te be- en verwerken, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 070213, 170204c* en 200139: - te mengen, mits:
-af te voeren naar een erkende verwerker om te verbranden, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 120102 en 150104 te mengen, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 040107, 040219c*, 040220c, 050109c*, 050110c, 060502c*, 060503c, 070111*, 070112c, 070211c*, 070212c, 070311c*, 070312c, 070411c*, 070412c, 070511c*, 070512c, 070611c*, 070612c, 070711c*, 070712c, 100120c*, 100121c, 101213, 190811c*, 190812c, 191105c* en 191106c te mengen, mits de mengactiviteiten niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het LAP en dat de afvalstof conform de minimumstandaard van het LAP wordt verwerkt.
Het is toegestaan afvalstoffen met de volgende euralcodes 190901; 190902; 190903; 190905; 190906 en 190999 te mengen, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcode 190119c* te mengen, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 100114c*, 100115c, 100116c*, 100117c, 100118c*, 100119c en 100124 te mengen, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcode 100124 te mengen, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 060702*, 061302*, 061303, 190110* en 190904 te mengen, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 191003c*, 191005c* en 191006c te mengen, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 170204*, 170603*, 170604, 170901c*, 170903c*, 170904c, 191211c* en 191212c:
- te mengen, mits:
-af te voeren naar een erkende verwerker om deze te verbranden, mits:
Het is niet toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 170106c*; 170507c* en 170508c te be-/ verwerken ten behoeve van energieterugwinning of verbranden. Voor de deelstroom asfalt mag de grens van 75 mg/kg droge stof PAK10 niet door mengen van partijen worden bereikt.
Het is niet toegestaan afvalstoffen met de euralcodes 170801* en 170802c te be- en verwerken ten behoeve van energieterugwinning of verbranden. Indien deze afvalstoffen niet geschikt zijn voor recycling omdat het verkleefd is met andere materialen of waarvoor de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton, is de minimumstandaard storten. Vergunninghouder kan aan deze eis voldoen door verklaringen, van tenminste twee, aan het bevoegd gezag te overleggen van bedrijven die vergund zijn het desbetreffende materiaal te recyclen. Indien slechts één bedrijf vergunning heeft het desbetreffende materiaal te verwerken, hoeft slechts één verklaring te worden overlegd.
Afvalstoffen met de euralcodes 1703 01c*, 17 03 02c en 17 03 03* moeten conform de minimumstandaard worden be- en verwerkt en de grenswaarde van 75 mg/kg droge stof PAK10 mag niet door mengen van partijen worden bereikt.
Afvalstoffen met de euralcodes 120116c* en 120117c moeten conform de minimumstandaard worden be- en verwerkt.
15. Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 030104c*, 030105c, 150103, 170204*; 191206c*; 191207c, 200137c* en 200138c te mengen, mits:
Afvalstoffen met de euralcode191205 moeten conform de minimumstandaard worden be- en verwerkt.
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 170503c*; 170504c; 191301c*; 191302c en 200202 te mengen, mits:
-de mengactiviteiten niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het LAP;
-de afvalstof conform de minimumstandaard van het LAP wordt verwerkt en;
-het verwerken geschied volgens de vastgestelde normen voor het betreffende toepassingsgebied.
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcode 170505c* en 170506c te mengen, mits: de mengactiviteiten ervan niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het LAP.
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcode 150101, 150102, 150103, 150105, 150106, 150107 en 150109 te mengen, mits de mengactiviteiten ervan niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het LAP.
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcode 150110*, 200127c* en 200128c te mengen, mits de mengactiviteiten ervan niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het LAP.
Het is niet toegestaan:
olierestanten, boor-, snij-, slijp- en walsolie, destillatieresidu en overig oliehoudend afval af te zetten als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen;
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 130101*, 130301*, 160109*, 160209* en 160210* te mengen, met als voorwaarde dat:
Het is niet toegestaan afvalstoffen met euralcodes 070103*, 070104*, 070203*, 070303*, 070403*, 070503*, 070603* en 070703* te be- en verwerken ten behoeve van de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie.
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcode 140601* te mengen, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcode 191102* te mengen, mits:
Het is alleen toegestaan afvalstoffen met euralcodes 100109* en 060101 in de afvalwaterzuiveringsinstallatie in te zetten als het ter vervanging van primaire grond- en hulpstoffen bedoeld is.
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcode 110105* in de afvalwaterzuivering te bewerken, mits de maximale concentratiegrenswaarden van onderstaand overzicht niet worden overschreden. Deze concentratiegrenswaarden mogen niet door mengen of verdunnen worden bereikt.
| Stof | Concentratiegrenswaarde |
|---|---|
| som: cadmium en kwik | 0,1 mg/l |
| cadmium | 0,1 mg/l in waterfractie |
| kwik | 0,01 mg/l in waterfractie |
| som metalen: arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink | 200 mg/l, waarvan 25 mg/l in de waterfractie |
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 060313c*, 110105*, 110106*, 110107*, 110113c* en 110114c in de afvalwaterzuivering te bewerken, mits de maximale
concentratiegrenswaarden van onderstaand overzicht niet worden overschreden. Deze
concentratiegrenswaarden mogen niet door mengen of verdunnen worden bereikt.
| Stof | Concentratiegrenswaarde |
| Cadmium | 0,2 mg/l in de waterfractie |
| Zeswaardig chroom | 0,1 mg/l in de waterfractie |
| Som metalen: arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium, zink en ijzer | 25 mg/l in de waterfractie |
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 110106*, 110111c*, 110112c, 110113c* en 110114c:
| Stof | Concentratiegrenswaarde (mg/l in de waterfractie) |
|---|---|
| Organotinverbindingen | detectiegrens |
| Gehalogeneerde koolwaterstoffen (uitgedrukte als EOX) | 10 |
| Cadmium | 0,2 mg/l in de waterfractie |
| Zeswaardig chroom | 0,1 mg/l in de waterfractie |
| Cyanide (vrij cyanide) | 1,0 |
| Som metalen: arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium, zink en ijzer | 25 mg/l in de waterfractie |
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 060105*, 060106*, 060203*, 060204*, 060205*, 060405c*, 110106*, 110107*, 110111*, 110112c, 160799c, 160805*, 200114* en 200115* te mengen of via eigen zuiverinstallatie te bewerken, mits:
| Stof | Concentratiegrenswaarde |
|---|---|
| Cadmium | 0,2 mg/l in de waterfractie |
| Zeswaardig chroom | 0,1 mg/l in de waterfractie |
| Cyanide (vrij cyanide) | 1,0 mg/l in de waterfractie |
| Som metalen: arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium, zink en ijzer | 25 mg/l in de waterfractie |
Het is uitsluitend toegestaan afvalstoffen met euralcodes 070101*, 070201*, 070301*, 070401*, 070501*, 070601*, 070701*, 080115c*, 080116c, 080119c*, 080120c, 080202, 080203, 080307, 080308, 080413c*, 080414c, 080415c*, 080416c, 100122c*, 100123c, 110111c*,
110112c, 110115c*, 120301*, 160709c*, 161001c*, 161002c, 161003c*, 161004c, 190106*, 190404, 191103*, 191307c* en 191308c te mengen, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 070101*, 070201*, 070301*, 070401*, 070501*, 070601*, 070701*, 080115c*, 080116c, 080119c*, 080120c, 080202, 080203, 080307, 080308, 080413c*, 080414c, 080415c*, 080416c, 100122c*, 100123c, 110111c*, 110112c, 110115c*, 120301*, 160709c*, 161001c*, 161002c, 161003c*, 161004c, 190106*, 190404, 191103*, 191307c* en 191308c via eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie te be- en verwerken mits deze afvalstoffen binnen de fysisch-chemische voorbehandelingsroute over de verdamper of het actiefkool/FFU, afhankelijk van vervuilingsgraad, zijn gegaan en het residu daarvan conform de minimumstandaard van het LAP zijn be- en verwerkt.
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 190205c* en 190206c te mengen, mits:
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 090101*, 090102*, 090103*, 090104*, 090105*, 090106*, 090113* en 200117* te verwerken in de afvalwaterzuiveringsinstallatie, mits:
Het is niet toegestaan afvalstoffen met euralcodes 060311c* en 060313c* te mengen of op de afvalwaterzuivering te be- en verwerken.
Het is toegestaan afvalstoffen met euralcodes 060404c* en 101401* te mengen, mits:
Het op de persleiding via lozingspunt 1a te lozen afvalwater mag uitsluitend bestaan uit het effluent van de zuiveringsinstallatie. Het effluent voldoet aan de volgende eisen:
| Parameter | Maximale emissiewaarde enig monster 1) | Voortschrijdend Jaargemiddelde |
|---|---|---|
| Debiet | 200 m 3 /dag | |
| Chemisch zuurstof verbruik | 3.000 mg/l | |
| N-Kjeldahl | 150 mg/l | |
| Chloride | 3.100 mg/l | |
| Sulfaat | 2.000 mg/l | |
| EOX | 1 mg/l | |
| Minerale olie | 10 mg/l | |
| Som zware metalen (som van chroom, koper, lood, nikkel, molybdeen) | 5 mg/l |
| Cadmium | 0,1 mg/l | |
| Kwik | 0,01 mg/l | |
| Niet-ionogene detergenten | 150 mg/l | 100 mg/l |
| Onopgeloste bestanddelen | 100 mg/l |
Het te lozen afvalwater moet op elk moment kunnen worden onderworpen aan debietmeting en bemonstering ter verzameling van representatieve volumeproportionele etmaalmonsters.
Daartoe moet het afvalwater via een controlevoorziening worden geleid, die geschikt is voor bemonsteringsdoeleinden.
De controlevoorziening moet op elk moment goed bereikbaar en toegankelijk zijn en voldoen aan algemene veiligheidsaspecten.
Analyse dient uitgevoerd te worden volgens het normblad zoals dat geldt op moment van de analyse.
De vergunninghouder houdt een logboek bij, waarin in ieder geval de volgende gegevens staan vermeld:
Binnen 3 jaar na het van kracht worden van de vergunning dient de vergunninghouder aan te tonen gericht onderzoek te hebben gedaan naar optimalisatie van de bedrijfsvoering en milieuprestaties en duidelijk aan te tonen in hoeverre dit bijdraagt aan een lagere emissie van niet-ionogene detergenten. Het resultaat van dit onderzoek dient te worden vastgelegd in een onderzoeksrapport. Voorafgaand aan het onderzoek moet de vergunninghouder bij het bevoegd gezag een voorstel indienen waarin aangegeven wordt welke optimalisatie en emissiereductie de vergunninghouder wilt bereiken.
Het in voorschrift 4.4.1 genoemde voorstel en het uiteindelijke onderzoeksrapport dient bij het bevoegd gezag overlegd te worden.
Bij storing van de Membraan Bio-Reactor wordt het nog te behandelen afvalwater gebufferd in de 'biologie voedingstank'. Indien de buffercapaciteit wordt of dreigt te worden overschreden, wordt de verwerking voorafgaand aan de membraanfiltratie stilgelegd en wordt binnen 24 uur het bevoegd gezag op de hoogte gesteld. Het bevoegd gezag stelt, in samenspraak met waterschap Scheldestromen, een programma van eisen op waaraan de (nood)lozing moet voldoen.
Het gebruik van een ander reinigingsmiddel/hulpstof moet ten minste 8 weken van te voren ter goedkeuring te worden overlegd aan het bevoegd gezag. Hiertoe dienen een aantal gegevens te worden overlegd. De te overleggen gegevens van de reinigingsmiddelen/hulpstoffen bestaan uit: - het veiligheidsinformatieblad;
Binnen een jaar nadat de vergunning in werking is getreden, moet een rapportage van een energiebesparingsonderzoek aan het bevoegd gezag ter goedkeuring worden aangeboden. Het onderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren.
De rapportage moet ten minste de volgende gegevens bevatten:
Op basis van het in voorschrift 5.1 genoemde energiebesparingsonderzoek, overlegt de vergunninghouder binnen 2 maanden nadat het onderzoek is uitgevoerd een energie(uitvoerings) plan aan het bevoegd gezag.
In het plan is ten minste voor alle rendabele maatregelen (technieken en voorzieningen) aangegeven wanneer die zullen worden getroffen. Als er rendabele maatregelen zijn die echter niet zullen worden uitgevoerd, dan wordt dat in het plan gemotiveerd.
Vergunninghouder verbetert de energie-efficiëntie in de inrichting door de rendabele maatregelen uit het energieplan zoals bedoeld in voorschrift 5.2 uit te voeren.
Vergunninghouder moet jaarlijks, voor 1 april, het bevoegd gezag informeren over de uitvoering van het energieplan.
Deze rapportage moet ten minste de volgende onderwerpen omvatten:
Het terrein en het wegenstelsel moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen is te bereiken.
Binnen de inrichting moet een stoffenlijst voor de hulpdiensten inclusief overzichtelijke en actuele plattegrond aanwezig zijn. Op deze plattegrond moet ten minste zijn aangegeven:
Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandbeveiligingssystemen moeten steeds:
Brandkranen/hydranten moeten jaarlijks door een deskundige worden gecontroleerd op de vereiste waterdruk en wateropbrengst. Van de meting moet een rapport worden opgemaakt. Dit rapport moet in de inrichting ter inzage liggen. Het onderhoud dient volgens de voorschriften van de NFPA 25 te worden uitgevoerd.
Een brandmeldinstallatie moet in werking zijn conform een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen als bedoeld in NEN 2535.
Een brandmeldinstallatie moet zijn voorzien van een geldig certificaat welke is afgegeven op grond van het CCV-inspectieschema Brandmeldinstallaties. Het onderhoud, controle en beheer van de brandmeldinstallatie dient volgens artikel 6.20, lid 7 en lid 8 te voldoen aan NEN 2654-1.
In de inrichting moet op plaatsen zoals aangegeven op de plattegrondtekeningen een koolzuursneeuw-, poeder- of schuimblusser aanwezig zijn met een inhoud van ten minste 6 kg blusstof.
Een leiding voor de aanvoer van bluswater moet tegen bevriezen zijn beschermd
De brandmeldinstallatie moet bedrijfsgereed zijn en jaarlijks door een door voor deze verrichting geaccrediteerde inspectie A-instelling op deugdelijkheid worden gecontroleerd en in orde zijn bevonden. Een certificaat met bijbehorende rapportage waaruit blijkt dat de installatie in orde is bevonden, moet op verzoek aan het bevoegd gezag kunnen worden getoond.
De binnen inrichting aanwezige verpakte gevaarlijke stoffen en CMR stoffen dienen te worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften van hoofdstuk 3 van de richtlijn PGS 15:2016, met uitzondering van de voorschriften van de paragrafen 3.4.4, 3.8, 3.9, 3.18 en 3.19.2 tot en met 3.19.4 van voornoemde richtlijn.
De opslag van (tank) containers geladen met gevaarlijke stoffen moet voldoen aan het gestelde in de voorschriften van de paragrafen 10.1 t/m 10.8 van de richtlijn PGS 15 (2016).
Opslag gevaarlijke stoffen ADR klasse 4.1, 4.2 en 4.3
De opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen die vallen onder de ADR-klasse 4.1, 4.2 en 4.3 zoals genoemd in de PGS 15 (2016) moet in een opslagvoorziening plaatsvinden en dient te voldoen aan de voorschriften van de paragrafen 8.1 t/m 8.5 van de richtlijn PGS 15 (2016).
De opslag van een beperkte hoeveelheid organische peroxiden
De opslag van organische peroxiden (ADR-klasse 5.2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaatsvinden en dient, voor zover niet anders geregeld in de hiernavolgende voorschriften, te voldoen aan het gestelde in paragraaf 9.1 en 9.2 van de richtlijn PGS 15 (2016), met uitzondering van voorschrift 9.2.1 van voornoemde richtlijn.
De opslag gasflessen (ADR-klasse 2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaats vinden en moet voldoen aan de voorschriften van de paragrafen 6.1, 6.2 en 6.3 van de richtlijn PGS 15 (2016).
Ter voorkoming van nadelige gevolgen voor het milieu voldoen de opslagplaatsen voor ongesorteerde en uitgesorteerde gevaarlijke (afval)stoffen aan de voorschriften van hoofdstuk 4 van de PGS 15:2016.
Het depot moet worden uitgevoerd als beschermingsniveau 1 volgens de PGS15 (2016) waarbij voldaan wordt aan voorschrift 4.8.1 met de navolgende kenmerken:
Kenmerk van een 'bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen (binnenaanval)" is dat de bedrijfsbrandweer aantoonbaar in staat moet zijn om bij het ontstaan van het maatgevende bedrijfsbrandweerscenario een blussing te realiseren. In aanvulling hierop geldt dat:
-de inzet van minimaal 1 schuimblusvoertuig met een vierkoppige bemanning bij een calamiteit in het depot;
-de aanwezigheid van een begeleider of gelijkwaardige voorzienig om de brandweer de plaats van een incident op een snelle en veilige wijze te laten bereiken;
-een doelmatige alarmsignalering die op elke plek binnen de inrichting voor iedereen hoorbaar en/of zichtbaar is;
Het is uitsluitend toegestaan in de ontvangstvakken I en J en in het buffervak A afvalstoffen gezamenlijk op te slaan die op grond van paragraaf 3.4.2 van de PGS15:2016 niet in één vak mogen worden opgeslagen. In afwijking van het gestelde in paragraaf 3.4.2 van de PGS15 geldt in bovengenoemde vakken scheiden op rijniveau.
De opslag van petroleum in een bovengrondse tank moet voldoen aan de volgende bepalingen van de richtlijn PGS 30 (2011):
-Voorschriften 2.2.1 t/m 2.2.5.
-Voorschrift 5.4.1.
-Voorschriften 5.5.1 t/m 5.5.4.
-Voorschriften 2.3.1 en 2.3.2.
-Voorschriften 2.6.1 t/m 2.6.15.
-Voorschriften 5.6.1 t/m 5.6.6.
-Voorschrift 2.7.1.
-Voorschriften 3.2.1 t/m 3.2.5.
-Voorschriften 4.2.1 t/m 4.2.11.
-Voorschriften 4.5.1 en 4.5.2.
-Voorschriften 5.2.1 t/m 5.1.3.
-Voorschriften 5.5.1 t/m 5.5.4.
Een tank mag slechts voor 95% worden gevuld. Het vullen van een tank moet zonder lekken en morsen geschieden.
Een tank met de daarbij behorende leidingen en appendages voor de opslag van afvalwaters met zuren, logen, sludge, slib, e.d. moet zijn uitgevoerd, geïnstalleerd en worden gerepareerd of vervangen overeenkomstig de hierna genoemde paragrafen van de BRL-K903/08:
Vergunninghouder mag in afwijking van bovenstaande andere gelijkwaardige maatregelen treffen. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregelen minstens evenveel bijdragen aan de veiligheid van de installatie.
Vergunninghouder mag in afwijking van voorschrift 7.4.2 waarin naar BRK-K903/08 wordt verwezen een gelijkwaardig veiligheidsniveau realiseren voor tankkeuring. Voor de keuring, onderhoud en inspectie kan hiervoor gebruik worden gemaakt van de keuringsmethodiek zoals beschreven in bijlage E van de PGS29:2016 of een andere, door het bevoegd gezag goed te keuren keuringsmethodiek. De door de vergunninghouder gehanteerde keuringsmethodiek dient te worden beoordeeld en goedgekeurd door een door het NL-CBIT gecertificeerde keuringsinstantie of een door het bevoegd geaccepteerde deskundige.
Tanks waarin zich chemicaliën bevinden die met elkaar kunnen reageren, moeten zodanig van elkaar zijn afgescheiden dat de chemicaliën niet met elkaar in contact kunnen komen.
Het opslagreservoir van vloeibare zuurstof en stikstof moet voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 3 van de richtlijn PGS 9:2014.
De opslag van vloeibare zuurstof in een reservoir moet aanvullend voldoen aan de voorschriften 4.1.1 tot en met 4.1.5 en 7.5.1 van de richtlijn PGS 9:2014.
De opslag van organische peroxiden (ADR klasse 5.2) moet in de speciaal daarvoor bestemde opslagvoorziening plaatsvinden en dient, voor zover niet anders geregeld in de hiernavolgende voorschriften, te voldoen aan de hieronder genoemde hoofdstukken van PGS 8 (2011):
-Voorschriften 4.2.1 t/m 4.2.3 en 4.3.1.
-Voorschriften 8.1.1 t/m 8.1.19, 8.2.1, 8.2.3 t/m 8.2.7.
-Voorschriften 9.2.1 t/m 9.2.3.
Overslagactiviteiten mogen alleen plaatsvinden op daartoe speciaal ingerichte laad- en losplaatsen.
Tijdens laden en lossen moeten instructies voorhanden zijn voor het veilig laden en lossen.
Tijdens laden en lossen moeten alle beveiligingen operationeel zijn.
Beveiligingen mogen niet overbrugd zijn, tenzij dit voor de veiligheid noodzakelijk is. Er moet een protocol/procedure voorhanden zijn waarin het volgende geborgd wordt:
De aansluitingen van de productleidingen op de laad- en losplaats moeten zo zijn ingericht en/of gemarkeerd dat verwisseling van producten bij het laden en of lossen wordt voorkomen. Elk aansluitpunt voor los- en laadarmen of -slangen, moet daartoe zijn voorzien van een duidelijk zichtbaar en leesbaar opschrift of een aanduiding, waaruit kan worden afgeleid voor welk product het aansluitpunt wordt gebruikt. Voor leidingen bestemd voor verschillende stoffen mag hiervan worden afgeweken, mits gebruik wordt gemaakt van een procedure, waarmee calamiteiten ten gevolge van verwisseling van het product voorkomen worden.
Productleidingen van laad- en losinstallaties die niet gebruikt worden, moeten met een blind-flens of met een ten minste gelijkwaardige voorziening zijn afgesloten, zodat lekkage, ook in geval van een storing of een bedieningsfout, wordt voorkomen. Dit is niet van toepassing op productleidingen, die geen product bevatten, schoon zijn en losgekoppeld zijn van de installatie.
Op de overslagplaats, in de directe omgeving van de overslagplaats en in de controlekamer van waaruit het laad- en / of losproces wordt gecontroleerd moet een goed bereikbare voorziening zijn aangebracht om de belading zo snel mogelijk te kunnen stoppen (noodstop-procedure).
Indien tijdens laden en lossen televisiesystemen worden gebruikt voor het toezicht, moet er een noodstopprocedure zijn die ook vanaf de plaats waar de beeldmonitor staat opgesteld, kan worden bediend.
Door middel van interne, vooraf opgestelde, schriftelijke procedures moet worden gezorgd voor een goede werking van de in de inrichting aanwezige laad- en losslangen of -armen. In deze procedures moet ten minste aan de volgende elementen aandacht worden besteed:
Beschadigde slangen mogen niet op de laad- of losplaats worden opgeslagen.
Indien los- en laadleidingen en -slangen na het verladen worden leeggemaakt, moeten voorzieningen zijn aangebracht om ze leeg te laten stromen voordat ontkoppeling plaatsvindt. De vrijkomende stoffen moeten in een daartoe bestemd systeem worden opgevangen. Voor onbedoeld achtergebleven ladingresten moet een opvangvoorziening op het ontkoppelpunt aanwezig zijn.
Verlading mag alleen geschieden volgens interne, vooraf opgestelde, schriftelijke procedures, waarin ten minste aan de volgende zaken aandacht wordt besteed:
Tijdens het laden en lossen van tankauto's/vrachtauto's moet ten minste één toezichthouder van de inrichting op de laad- en / of losplaats of in de controlekamer aanwezig zijn, die zicht heeft op de laad- en / of losactiviteit en die in geval van storingen, lekkages en / of onregelmatigheden onmiddellijk het verladen doet stoppen.
Het laden en / of lossen van een tankauto/vrachtauto's aan de bovenzijde mag slechts geschieden, als hiervoor een laad- en / of losbordes aanwezig is of als aan de tankauto een voorziening aanwezig is, die het mogelijk maakt onder alle omstandigheden de vul-/losopening van de tankauto/vrachtauto eenvoudig te bereiken.
Afsluiters, deksels en eventuele andere productafsluitingen van de tankauto/vrachtauto moeten goed gesloten zijn. Alleen de afsluiter, het deksel en een eventuele andere productafsluiting die voor het laden of lossen nodig is mogen worden geopend.
Tijdens het aan- en afkoppelen van de laad en / of losleiding aan de tankauto/vrachtauto moet de motor van de tankauto/vrachtauto zijn uitgeschakeld.
Tijdens het aan- en afkoppelen en tijdens de overslag moet de tankauto/vrachtauto zo zijn opgesteld, dat wegrijden tijdens de overslagwerkzaamheden wordt voorkomen.
Voor het begin van een belading moeten de juiste herkenningstekens zijn aangebracht op de te beladen tankauto/vrachtauto.
De vergunninghouder streeft naar een zo laag mogelijk risiconiveau voor wat betreft externe veiligheid. Hierbij besteedt de vergunninghouder aandacht aan organisatorische maatregelen en aan de integriteit en veiligheid van de op- en overslagsystemen.
De vergunninghouder hanteert het in artikel 7, zesde lid van het Besluit Risico's Zware Ongevallen 2015 (BRZO juncto bijlage III van Seveso 2012) genoemde veiligheidsbeheerssysteem.
De procedures in het veiligheidsbeheerssysteem voor de systematische identificatie van ongewenste gebeurtenissen (ongevalsscenario's) die tot zware ongevallen kunnen leiden, bevatten minimaal een systeem voor de analyse van:
De procedure geeft tevens aandacht aan het tijdstip (of de frequentie) en andere redenen die een analyse als boven bedoeld noodzakelijk maken.
In de procedures voor het aanbrengen van wijzigingen van het veiligheidsbeheerssysteem zijn de volgende aspecten verzekerd:
In het trainings- en opleidingsprogramma van het veiligheidsbeheerssysteem is tenminste aandacht besteed aan:
De vergunninghouder heeft de bevindingen van de uitgevoerde veiligheidsstudies vastgelegd in een document.
De vergunninghouder hanteert procedures voor:
In deze procedures moet minimaal aandacht worden besteed aan de (tijdelijk) te nemen veiligheidsmaatregelen.
Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,Lt) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties, alsmede door binnen de inrichting uitgevoerde werkzaamheden mag, op de in de tabel aangegeven controlepunten, niet meer bedragen dan:
| Controlepunt | Rijksdriehoek-coördinaat | 07.00 tot 19.00 uur | 19.00 tot 23.00 uur | 23.00 tot 07.00 uur |
|---|---|---|---|---|
| 1 | x = 43910; y = 372522 | 39 dB(A) | 38 dB(A) | 34 dB(A) |
| 2 | x = 44731; y = 373870 | 33 dB(A) | 29 dB(A) | 27 dB(A) |
| 3 | x = 44849; y = 372956 | 35 dB(A) | 33 dB(A) | 31 dB(A) |
Meting en beoordeling van geluidsniveaus geschiedt volgens het 'Reken- en meetvoorschrift geluid 2012". In afwijking van de in dit rekenvoorschrift voorgeschreven "Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999" dient bij het bepalen van de overdrachtsdemping gerekend te worden met een aangepaste luchtabsorptiecoëfficient (alu, TNO) zoals staat weergegeven in onderstaande tabel:
| oktaafband (Hz) | 31.5 | 63 | 125 | 250 | 500 | 1000 | 2000 | 4000 | 8000 |
| alu, TNO (dB/km) | 0.14 | 0.27 | 0.55 | 0.94 | 1.9 | 3.8 | 7.8 | 19 | 55 |
Geur reducerende voorzieningen moeten voor de goede werking, onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en moeten zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd, doch ten minste jaarlijks, worden onderhouden en geïnspecteerd.
De opslag van, en alle handelingen met (gevaarlijke) afvalstoffen, of andere activiteiten, moeten zodanig plaatsvinden, dat zich geen geur buiten de inrichting verspreidt.
Indien toch geur buiten de inrichting waarneembaar is, welke veroorzaakt wordt door de handelingen of activiteiten binnen de inrichting, moeten zodanige maairegelen worden getroffen dat
zich geen geur meer kan verspreiden. Wanneer het nemen van maatregelen ontoereikend is, moeten die handelingen of activiteiten die de geur veroorzaken, onmiddellijk worden gestaakt.
De bepaling van de lekverliezen, diffuse emissies en emissies bij op- en overslag van vluchtige organische koolwaterstoffen moet plaatsvinden overeenkomstig het gestelde in de documenten 'Diffuse emissies en emissies bij op- en overslag' uit de rapportagereeks MilieuMonitor (nr. 14, maart 2004) van RIVM/MNP.
Giftige, stankverwekkende en/of brandgevaarlijke stoffen die vrijkomen uit monsternamepunten dan wel analyse- of monstername-apparatuur moeten worden opgevangen of teruggevoerd in het proces.
Handelingen met stoffen die leiden tot een visueel waarneembare stofverspreiding mogen niet worden uitgevoerd.
Gemorste stoffen moeten onmiddellijk na beëindiging van het verladen worden verwijderd.
Stofverspreiding ten gevolge van het af- en aanrijden van verkeer moet worden tegengegaan.
Na elk ongewoon voorval dient met behulp van de meldprocedure, opgenomen in bijlage 11 van de aanvraag, te worden bepaald of sprake is van een ongewoon voorval met of zonder significante gevolgen voor het milieu.
Ongewone voorvallen die na toepassing van de meldprocedure worden geclassificeerd als ongewoon voorval met significante gevolgen voor het milieu worden overeenkomstig de meldprocedure altijd gemeld en geregistreerd.
Ongewone voorvallen die na toepassing van de meldprocedure worden geclassificeerd als ongewoon voorval zonder significante gevolgen voor het milieu dienen binnen een werkdag na het ongewone voorval te zijn opgenomen in het registratiesysteem voor ongewone voorvallen.
In het registratiesysteem voor ongewone voorvallen moeten van de voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu tenminste de volgende zaken te worden vastgelegd:
Het registratiesysteem van ongewone voorvallen moet altijd beschikbaar zijn voor toezichthoudende ambtenaren van of namens bevoegd gezag.
De vergunninghouder stuurt op verzoek van het bevoegd gezag een overeengekomen overzicht toe van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu, die in een nader te bepalen periode hebben plaatsgevonden.
Inhoudelijke wijzigingen in de meldprocedure moeten ter goedkeuring aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. Implementatie van een wijziging in de meldprocedure mag pas plaats vinden na goedkeuring door het bevoegd gezag.
Vergunninghouder dient de bepalingen van voorgaande meldingsvoorschriften te verwerken in interne bedrijfsinstructies.
In de bedrijfsinterne instructies moet tenminste aandacht worden besteed aan:
Op 17 februari 2015 hebben wij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder e (milieu) van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van IGA aan de Willemskerkeweg 5 in Hoek.
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: het reviseren van de vergunningssituatie voor de gehele inrichting van IGA. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning.
Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
a. Het veranderen of veranderen van de werking en het in werking hebben van een inrichting.
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
| SOORT VERGUNNING | DATUM | KENMERK | ONDERWERP |
|---|---|---|---|
| Revisievergunning | 5-10-2004 | 0410072/67/47 | Het reviseren van alle activiteiten binnen de inrichting |
| Melding art. 8.19Wm | 17-5-2005 | RMW0504696 | Het plaatsen van twee hogedrukvoorzieningen |
| Melding art. 8.19Wm | 27-7-2005 | RMW0507509 | Het installeren van een luchtdroger |
| Melding art. 8.19Wm | 6-3-2006 | RMW0602698 | Het plaatsen van 4 acceptatietanks |
| Melding art. 8.19Wm | 3-4-2006 | RMW0603407 | Het plaatsen van een buffertank |
| Melding art. 8.19Wm | 8-1-2009 | 08037689 | Het wijzigen van de behandeling van de afgasstromen in de machinehal van de AWZI |
| Wijzigingsvergunning | 14-10-2009 | 09033966 | Wijzigen proef Biowassing afgassen Machinehal |
| Wijzigingsvergunning | 30-9-2009 | 09032502 | Het opnieuw vergunnen van bepaalde activiteiten |
| Melding art. 8.19Wm | 19-8-2009 | 09028427 | Het bouwen van een nieuw Cleaning en het wijzigen van de opslag van schone emballage |
| Reguliere vergunning | 13-4-2011 | 11007985 | Het wijzigen van de interne afvalwaterzuivering en het veranderen van de indirecte lozingen |
| Reguliere vergunning | 18-11-2011 | 11117876 | Het aanpassen van de vigerende omgevingsvergunning t.a.v. de opslag van specifieke ziekenhuisafval |
| Wijzigingsvergunning | 8-8-2012 | 12018878 | Het bouwen van een spuithal |
| Wijzigingsvergunning | 29-7-2013 | 13015833 | Het melden van ongewone voorval |
| Wijzigingsvergunning | 24-4-2014 | W-AOV140038 | Het aanpassen van de debietnorm, het hergebruik van stoomcondensaat en de opslag van organische peroxides |
De aangevraagde revisievergunning vervangt bij inwerkingtreding de vorengenoemde vergunningen en meldingen. Deze vervallen op het moment dat de revisievergunning onherroepelijk is en in werking is getreden.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel. 3.3 lid 1 van het Bor. De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C categorie 28.4 en 28.5 van het Bor en daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort en PBZO-plichtig onder het Brzo 2015.
In verband met het ontbreken van een aantal gegevens met betrekking tot o.a. de tekening, het A&V-beleid, de proefnemingen, het akoestisch rapport hebben wij de aanvrager op 15 april 2015 in de gelegenheid gesteld om tot 30 mei 2015 de aanvraag aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 29 mei 2015. Vervolgens zijn op 6 juli 2015 nog aanvullingen ontvangen m.b.t. de euralcodelijst en de noodplantekening. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag inclusief aanvullingen voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Tijdens de vergunningsprocedure zijn er diverse gesprekken tussen IGA en de waterkwaliteitsbeheerder gevoerd over de lozingseisen in de conceptontwerpbeschikking. Doordat de termijn voor het nemen van het besluit hierdoor in het gedrang komt, heeft IGA ons schriftelijk op grond van artikel 4:15, tweede lid onder a van de Algemene wet bestuursrecht verzocht de publicatie van de gecoördineerde ontwerpbeschikking Wabo/Waterwet uit te stellen tot 31 juli 2016. Aan dit verzoek hebben wij gehoor gegeven. De termijn voor het nemen van het besluit is in dit geval opgeschort met 334 dagen.
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag.
Tussen 17 augustus 2016 en 28 september 2016 heeft een ontwerp van de beschikking ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. IGA heeft zienswijzen ingediend. De brief is gedateerd 27 september 2016, ingekomen 29 september 2016. Wij gaan er van uit dat de zienswijzen binnen de daarvoor gestelde termijn zijn ingediend en nemen deze dan ook in behandeling.
Samengevat betreft het de volgende zienswijzen. De zienswijzen en de reactie op de ingediende zienswijzen worden separaat behandeld. De zienswijzen zijn cursief weergegeven.
1-voorschrift 3.4.3: de toevoeging 'mits deze als ADR vrij (lege drukhouders)aangeleverd zijn' suggereert dat ook voor brandblussers met euralcode 160504* of 160505 de voorwaarde lege drukhouder van toepassing is om deze te mogen accepteren. Uit de overwegingen blijkt dat acceptatie van gevulde brandblussers ook is toegestaan. Voor brandblussers geldt een bepaling in het ADR waaruit blijkt dat deze ADR vrij zijn. Er wordt verzocht om het voorschrift zodanig aan te passen dat expliciet blijkt dat gevulde brandblussers mogen worden geaccepteerd.
De opmerking is terecht. Voorschrift 3.4.3 wordt zodanig aangepast dat brandblussers (i.c. euralcode 160504*c van het sectorplan 45) wel geaccepteerd mogen worden.
2-voorschrift 3.6.4: IGA wordt gehouden afvalstoffen niet laagwaardiger dan de minimumstandaard te (laten) verwerken. Het voornemen in LAP3 is om vaker tussentijdse wijzigingen toe te passen. In geval van wijzigingen is tijd nodig om activiteiten binnen de inrichting aan te passen en afvoerroutes zo nodig te verleggen. Er wordt verzocht om een aanvullende bepaling op te nemen waaruit blijkt dat voor wijzigingen, m.b.t. het nieuwe LAP3 die voor IGA relevant zijn, in overleg een overgangstermijn wordt gesteld die afhankelijk is van de aard van de aanpassingen.
Het ontwerp-LAP3 zit in de inspraakronde. Het is niet gebruikelijk om rekening te houden met een ontwerp van een nieuw LAP in de vergunning. Op het moment dat het LAP3 definitief is vastgesteld en het blijkt dat hierin zaken anders zijn geregeld dan in deze vergunning, dan kan een verzoek ingediend worden bij het bevoegd gezag, om bedoeld voorschrift te wijzigen. Daarom passen wij de vergunning op dit punt niet aan.
3-voorschrift 3.7.28: onder punt 3 'het is niet toegestaan: de afvalstof conform de minimumstandaard van het LAP wordt verwerkt'. Er wordt verzocht de formulering/context van het voorschrift te corrigeren.
De opmerking is correct. De derde bullet van voorschrift 3.7.28 wordt anders geformuleerd zodat de afvalstof volgens de minimumstandaard van het LAP moet worden verwerkt.
De genoemde afvalstoffen gaan binnen de fysisch-chemische voorbehandelingsroute over de verdamper (of actiefkool/ FFU, afhankelijk van vervuilingsgraad). Het residu vanuit deze verdamper wordt nadien verwerkt middels verbranding. Derhalve zal via de bewerkingsroute overige AWZI gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie geen sprake zijn van de diffuse verspreiding van de aanwezige verontreinigingen zoals beschreven in de overweging op pagina 94.
IGA verzoekt ons het voorschrift zodanig aan te passen dat daaruit blijkt dat de afvalstoffen via de beschreven route (AWZI) kunnen worden verwerkt.
In de aanvraag is voor waterig afval met specifieke verontreinigingen de bewerkingsroute 'overige AWZI' aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Uit de zienswijze blijkt dat de afvalstof een voorbehandelingsroute (fysisch-chemisch) ondergaat via de verdamper of het actief kool. Uit de zienswijze blijkt dat het residu van voorbehandelingsroute is gericht op de afvoerroute verbranding, We zijn van mening dat de beschreven voorbehandelingsroute en de daarbij behorende afvoerroute van het residu ertoe bijdraagt dat er geen diffuse verspreiding van de verontreiniging plaatsvindt. Het desbetreffende voorschrift is aangepast.
Voorgeschreven wordt dat de opslag van verpakte gevaarlijke afvalstoffen die vallen onder de ADR categorieën 4.1, 4.2 en 4. 3 'in de speciaal bestemde ruimten plaatsvinden'. Op grond van de PGS 15 is niet op voorhand opslag in afzonderlijke ruimten aangewezen. In hoofdstuk 8 van de PGS 15 zijn voor deze ADR categorieën aanvullende voorschriften opgenomen ten aanzien van de hoofdstukken 3 en 4. In voorkomende gevallen (combinaties van stoffen en hoeveelheden) kan opslag in speciale ruimten aangewezen zijn en zal IGA dat opvolgen.
IGA verzoekt ons de bepaling 'moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden' voor opslag weg te laten.
Wij zijn het eens met het verzoek van IGA om het zinsdeel 'moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden' weg te laten. In de PGS-15 wordt gesproken over opslagvoorziening voor de opslag van de genoemde ADR-klasse. Voorschrift 7.1.3 is aangepast.
Met ruimte A t/m J wordt de overkapte opslag ter plaatse van het depot bedoeld. Daarnaast vindt volgens onze aanvraag opslag van gevaarlijke afvalstoffen plaats op de laad- en loszones en op zones voor werkvoorraden. Deze zones zijn ook aangegeven op het plattegrond van bijlage 1.
IGA verzoekt ons de titel te wijzigen in 'Opslagvoorzieningen ten behoeve van gevaarlijke afvalstoffen' en hierbij de specifieke verwijzing naar 'ruimte A t/m J' te verwijderen.
Bij IGA zijn voor de opslag van gevaarlijke stoffen diverse opslagvoorzieningen aanwezig. Door alleen de ruimte A t/m J te benoemen, kan de indruk worden gewekt dat er geen andere opslagvoorzieningen voor gevaarlijke stoffen binnen IGA zijn, wat onterecht is. Door het zinsdeel 'ruimte A t/m J' achterwege te laten, dekt de titel 7.2 beter de lading voor de opslag van gevaarlijke stoffen. De tekst van titel 7.2 is aangepast.
Voor onderhoud en inspectie van afvalwatertanks wordt toegestaan om naast de BRL-K903/08 gebruik te maken van een gelijkwaardig niveau van tankkeuring. Voor wat betreft onderhoud en inspectie wordt in dit kader de richtlijn EEMUA 159 genoemd. Los hiervan wordt voorgeschreven dat de keuringsmethodiek zoals gehanteerd door gecertificeerde keuringsinstanties ter goedkeuring aan het bevoegd gezag wordt overlegd.
Voor wat betreft de door gecertificeerde keuringsinstanties gehanteerde keuringsmethodiek verzoeken wij u de verplichting om deze ook nog aan het bevoegd gezag ter goedkeuring voor te leggen achterwege te laten. Verondersteld mag worden dat de expertise van dergelijke instanties toereikend is voor een juiste situatiegerichte keuze van de methodiek.
Voorschrift 7.4.3 geeft IGA de mogelijkheid om van voorschrift 7.4.2, waarin de BRL-903/08 is genoemd, af te wijken. De verplichting om de door de gecertificeerde keuringsinstanties gehanteerde keuringsmethodiek niet aan het bevoegd gezag ter goedkeuring voor te leggen, wordt gehonoreerd. Wij vinden de keuringsmethodieken voor keuring, onderhoud en inspectie die beoordeeld en goedgekeurd zijn door een gecertificeerde keuringsinstantie, door de nieuwe inzichten zoals verwoord in bijlage E van PGS 29, voldoende toereikend. Wij stemmen in met het verzoek van IGA de keuringsmethodieken niet aan het bevoegd gezag voor te leggen. Voorschrift 7.4.3 is aangepast.
Voorgeschreven wordt dat ongewone voorvallen die volgens de meldprocedure bij de aanvraag zijn geclassificeerd als zonder significante gevolgen voor het milieu, binnen 24 uur zijn opgenomen in het registratiesysteem. In het beslisschema van de procedure is hiervoor een termijn opgenomen van één werkdag.
IGA verzoekt ons een termijn van één werkdag voor te schrijven in plaats van 24 uur.
In voorschrift 11.3 is opgenomen dat ongewone voorvallen (zonder significante gevolgen voor het milieu) binnen 24 uur moeten zijn opgenomen in het registratiesysteem. Naar aanleiding van een telefonisch onderhoud, is door IGA aangegeven dat zij de opgenomen 24 uur niet praktisch vinden. Bij een feestdag aansluitend op een ongewone voorval zonder significante gevolgen kan IGA bijvoorbeeld niet aan dit voorschrift voldoen. Dit is de reden dat de termijn van één werkdag ook is opgenomen in hun meldingsprocedure. Gelet op deze argumentatie en rekening houdend met bedoeld ongewone voorval zonder significante gevolgen, gaan we akkoord met het verzoek van IGA om een termijn van één werkdag voor te schrijven in plaats van 24 uur. Voorschrift 11.3 is gewijzigd.
Onder titel 'G. Drainagewater', wordt gesteld dat het drainagewater wordt ingevoerd in de biologische zuivering. In de overwegingen bij de gecoördineerde ontwerp watervergunning paragraaf 4.2.2. staat voor de overeenkomstige deelstroom drainagewater beschreven dat 'de vervuilingsgraad bepaalt of dit afvalwater naar de biologische zuivering gaat of dat het (indien schoon genoeg) naar de hemelwater-schoon-vijver kan'.
IGA verzoekt om de overweging op dit punt in overeenstemming te brengen met de tekst in de ontwerp watervergunning.
Wij zijn het eens met het verzoek van IGA. In de considerans is de tekst van titel 'G. Drainagewater' van dit besluit op dit punt gewijzigd overeenkomstig de consideranstekst deelstroom 'Drainagewater', onder de paragraaf 4.2.2, van de watervergunning.
Op pagina 4 van de ontwerpbeschikking is in tabel A 'lozingspunt WS, meetpunt 1b (Effluent AWZI)' voor stikstof totaal de volgende lozingseis opgenomen:
| Parameter | Concentratie (mg/l) | Gemiddelde concentratie (VRG- waarde over 10 monsters) (mg/l) |
| Stikstof totaal | 75 |
Zoals eerder gebleken tijdens ons overleg op d.d. 24 maart 2016 is het vaststellen van een lozingseis voor stikstof-totaal gecompliceerd. Gezien de concentratie van stikstof in het influent van onze biologie sterk fluctueert met het marktaanbod (aanbod stikstofrijke/stikstofarme afvalwaters) is tevens de aanwezigheid van voldoende nitrificeerders/denitrificeerders op enig moment in de zuivering onzeker. Op basis van de nadien overlegde analyseresultaten van stikstof totaal in 2014/2015 (zie mail van d.d. 1 en 20 april 2016), is op te maken dat een concentratie van gemiddeld 88 mg/l aanwezig is in het effluent. Gezien de geschetste situatie met betrekking tot de markt afhankelijkheid is het zonder nader onderzoek naar stikstofverwijdering, zoals opgenomen onder voorschrift 5, niet realistisch nu al een lozingseis op te nemen van 75 mg/l (gemiddelde concentratie over 10 monsters). Omdat er sprake kan zijn van aanzienlijke schommelingen van de influent stikstof concentratie, wordt voorgesteld een maximale jaarvracht van 12.500 kg stikstof-totaal per jaar (100 mg/l * 125.000 m 3 ) in de vergunning op te nemen of anders een lozingseis van 100 mg/l (gemiddelde concentratie over 10 monsters). Met de voorgestelde maximale jaarvracht of aangepaste lozingseis als uitgangspunt, kan vervolgens op basis van voorschrift 5 worden nagegaan of verdere optimalisatie haalbaar is. Op deze wijze levert IGA de benodigde inspanning voor mogelijke optimalisatie van stikstofverwijdering en blijft de continuïteit gewaarborgd.
Resumerend verzoeken IGA de lozingseis van 75 mg/l (gemiddelde concentratie over 10 monsters) zoals reeds opgenomen in de ontwerpbeschikking te vervangen voor een maximale jaarvracht van 12.500 kg stikstof-totaal per jaar of een lozingseis van 100 mg/l (gemiddelde concentratie over 10 monsters).
Deze zienswijze heeft betrekking op de ontwerp-vergunning op grond van de Waterwet. De zienswijze zal in dat kader behandeld worden door het betreffende bevoegd gezag, Rijkswaterstaat.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Naar aanleiding hiervan hebben wij de volgende adviezen ontvangen:
Deze gronden te gebruiken zijn voor het huidige gebruik en bedrijfsactiviteiten tot en met categorie 5.1 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'gezoneerd industrieterrein' behorende bij de beheersverordening. Omdat het huidige gebruik wordt voortgezet levert de aanvraag geen strijd op met de in de beheersverordening genoemde bestemming.
Met betrekking tot het milieuonderdeel 'Afvalwater' adviseert waterschap Scheldestromen ons overwegingen en voorschriften op te nemen voor de indirecte lozingen. Bij het opstellen van de beschikking hebben wij met dit advies rekening gehouden.
In het ARIE-rapport wordt verwezen naar het PBZO-document. Dit is niet als bijlage toegevoegd. Voor de volledigheid adviseert VeiligheidsRegioZeeland ons om dit document nog op vragen. Hieraan hebben wij gehoor gegeven.
Dat de gecoördineerde aanvraag om vergunningen Ingevolge de Waterwet en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht geen aanleiding geeft tot het maken van op- of aanmerkingen.
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
Na de publicatie van de ontwerpvergunning is de PGS:15:2016 gepubliceerd. In die PGS zijn de nieuwste inzichten in BBT vastgelegd. In de voorschriften 7.1.1 en 7.2.1 hebben wij de verwijzing naar de PGS 15:2011 daarom aangepast naar de PGS 15:2016. De grondslag van de aanvraag is daarbij niet verlaten. Voor de volledigheid verwijzen wij naar de kop 'OVERWEGINGEN MILIEU', onder paragraaf 2.2, van dit besluit. Tevens is de consideranstekst waar nodig deels aangepast.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) zijn voor bepaalde activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, algemene regels opgenomen. Deze regels zijn direct werkend en mogen niet in de omgevingsvergunning worden opgenomen.
In bijlage I, onderdelen B en C van het Bor wordt aangegeven of voor een inrichting een vergunningplicht geldt.
Op 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit gewijzigd en kan sindsdien ook op inrichtingen met een IPPC-installatie het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Op type C inrichtingen, die vergunningplichtig zijn, kunnen bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen.
De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, wordt aangemerkt als een type C inrichting. Binnen IGA vinden de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit:
Op basis van artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit moet de verandering van de inrichting worden gemeld. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding.
Voor de aangevraagde activiteiten houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten -moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling:
-Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;
-Paragraaf 3.2.1 In werking hebben van stookinstallaties;
-Paragraaf 3.4.2 Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn;
-Paragraaf 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen;
-Paragraaf 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank;
-hoofdstuk 1, afdelingen 2.1 (zorgplicht), 2.2 (lozen), 2.3 (lucht), 2.4 (bodem), 2.10 (financiële zekerheid).
Het bevoegd gezag kan voor bepaalde in het Activiteitenbesluit genoemde activiteiten aanvullende maatwerkvoorschriften vaststellen voor zover die mogelijkheid in het Activiteitenbesluit is aangegeven. Er worden in dit geval geen aanvullende maatwerkvoorschriften vastgesteld voor genoemde activiteiten. De voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen voor deze situatie.
De aangevraagde activiteit heeft betrekking op een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort waarbij sprake is van het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.2 van de Waterwet. Hiervoor is een vergunning noodzakelijk op grond van de Waterwet. Samen met deze aanvraag is een aanvraag om een vergunning op grond van de Waterwet ingediend. Het bevoegd gezag met betrekking tot de Watervergunning heeft op grond van artikel 3.19 Wabo een advies uitgebracht over de samenhang van de beschikkingen. Dit advies luidt samengevat als volgt: dat de bovengenoemde gecoördineerde aanvraag om vergunningen ingevolge de Waterwet en de Wabo, ontvangen op 17 februari 2015 geen aanleiding geeft tot het maken van op- en aanmerkingen.
Gelet op artikel 3.21 Wabo dienen wij in te gaan op de invloed die de samenhang tussen de omgevingsvergunning enerzijds en de Watervergunning anderzijds heeft gehad op de inhoud van de omgevingsvergunning. Hierover merken wij het volgende op: dat voor wat betreft de directe lozingen van het afvalwater de voorschriften van de watervergunning van toepassing zijn.
Er hoeft bij deze aanvraag geen milieueffectrapport (MER) te worden ingediend. De reden hiervoor is dat de in de revisievergunningaanvraag beschreven activiteiten niet zijn opgericht, gewijzigd of uitgebreid waardoor deze niet vermeld zijn in de eerste kolom van onderdeel C en/of onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (besluit m.e.r.).
De aanvraag heeft betrekking op het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, lid 1 onder e van de Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden.
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de bestaande BREF's. Het hoofdstuk uit deze BREF's waarin de BBT (BAT hoofdstuk) geldt als BBT-conclusies totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.
BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht.
Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT-conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen moet bevoegd gezag de BBT zelf vast stellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:
De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage 1 van de RIE uitgevoerd en wel de volgende categorieën 5.1 en 5.3 b.
Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsten aan BBT-conclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsten aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de drafts van herziene BREFs.
Bij het bepalen van de beste beschikbare technieken hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies:
Het hoofdstuk uit de BREF waarin de beste beschikbare technieken (BAT hoofdstuk) staan vermeld geldt als BBT-conclusies.
Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in bijlage 1 van de Mor:
Verder hebben wij bij het bepalen van de BBT rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde specifieke literatuur. In september 2016 is de nieuwe PGS 15:2016 gepubliceerd, maar nog niet in het Mor opgenomen. Het bevoegd gezag mag gemotiveerd afwijken van een aangewezen PGS. Hierbij dient zij, rekening houdend met het gestelde in artikel 5.4, lid 3, van het Bor de beste beschikbare technieken zelf vast te stellen. De ervaring die is opgedaan met het gebruik van PGS 15:2011 en de wijzigingen in de stand der techniek zijn in de PGS 15:2016 meegenomen. Wij beschouwen de PGS 15:2016 daarom als BBT.
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aanvraag, het aanwezige gecertificeerde milieuzorgsysteem, het gestelde in het Activiteitenbesluit en de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT ter voorkoming van emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies, afvalpreventie, externe veiligheid en energiebesparing. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Het landelijke en ook ons beleid (Omgevingsplan Zeeland 2012-2018) is erop gericht dat bedrijven worden gestimuleerd om, ten behoeve van de vertaling van de milieuregelgeving naar de actuele bedrijfssituatie en het streven naar een zo gering mogelijke milieubelasting van de bedrijfsactiviteiten, bedrijfsinterne milieuzorgsystemen te implementeren.
Ten aanzien van milieuzorg wordt opgemerkt dat de beste milieuprestaties geleverd worden door een installatie die is uitgerust met de beste technologie en bedreven wordt op de meest effectieve en efficiënte wijze. Dit wordt als volgt onderkend met de definitie voor "technieken" in de RIE: "zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld". Voor IPPC-installaties geldt dat een milieuzorgsysteem (MZS) het instrument is dat door bedrijven gebruikt kan worden om op een systematische en aantoonbare manier om te gaan met zaken als ontwerp, bouw, bedrijven en ontmantelen van een installatie. Een MZS bevat de organisatorische structuur, verantwoordelijkheden, taken en bevoegdheden en procedures, en is een bron van continue verbetering van de milieuprestaties. Een MZS is het meest effectief en efficiënt wanneer dit onderdeel uitmaakt van het totale management en de bedrijfsvoering binnen een bedrijf.
In de BREF WT is in paragraaf 5.1 aangegeven dat het BBT is een milieumanagementsysteem te implementeren en te onderhouden. In de aanvraag is aangegeven dat IGA beschikt over een NEN-EN-ISO 14001 gecertificeerd milieuzorgsysteem. Daarmee wordt voldaan aan BBT als bedoeld in de BREF WT. Teneinde het functioneren van het systeem te waarborgen zijn in de vergunning voorschriften in hoofdstuk 2 opgenomen ten aanzien van milieuzorg. Voorts is aangegeven dat een milieujaarplan onderdeel is van het managementcontrolesysteem waarin doelstellingen zijn gedefinieerd en periodiek op voortgang worden geëvalueerd.
Uit de aanvraag blijkt verder dat er een meet- en registratiesysteem is geïmplementeerd voor het periodiek meten van emissies naar lucht, water en grondwater.
Ten aanzien van de waterige afvalwaterstromen wordt monsterneming en analyse uitgevoerd overeenkomstig een vooraf afgestemde planning. Daarnaast vindt een gedetailleerde registratie volgens het AO/IC plaats voor ontvangst, interne beweging en afvoer van afvalstoffen.
IGA voldoet aan de vereisten die gesteld worden aan een milieuzorgsysteem en daarmee voor dit aspect aan BBT.
Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In hoofdstuk 13 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogamma vastgesteld. Afvalpreventie is ook onderdeel van het programma Van Afval naar Grondstof (VANG). Met het uitvoeren van het programma VANG is de uitvoering van het afvalpreventieprogramma voor een belangrijk deel geborgd. Zowel het LAP als de genoemde programma's bevatten geen kwantitatieve doelstellingen voor afvalpreventie bij bedrijven. Om invulling te geven aan dit aspect is de handreiking 'Wegen naar preventie bij bedrijven' (Infomil 2005) als toetsingskader gebruikt. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval zoveel mogelijk moet worden voorkomen of beperkt.
De totale hoeveelheid afval die binnen de inrichting vrijkomt bedraagt 4,5 ton/jaar, ca. 0,5 ton daarvan is gevaarlijk afval. De handreiking 'Wegen naar preventie bij bedrijven' (Infomil, 2005)
hanteert ondergrenzen die de relevantie van afvalpreventie bepalen. Hierin wordt gesteld dat afvalpreventie relevant is wanneer er jaarlijks meer dan 25 ton (niet gevaarlijk) bedrijfsafval en/of meer dan 2,5 ton gevaarlijk afval binnen de inrichting vrijkomt.
De totale hoeveelheid (gevaarlijk) gevaarlijk afval ligt beneden de gehanteerde ondergrenzen. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.
In hoofdstuk 14 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf 14.4 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Daarbij is aangegeven dat het voor bedrijfsafval niet goed mogelijk is een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.
Uit de aanvraag blijkt dat binnen de inrichting de volgende hoeveelheden afvalstoffen vrijkomen:
In het LAP is aangegeven dat voor deze hoeveelheden afvalstoffen die vrijkomen binnen een inrichting scheiding van die afvalstoffen kan worden verlangd. Wij achten het in de voorliggende situatie dan ook redelijk om afvalscheiding voor te schrijven voor bovengenoemde afvalstoffen. Dit is vastgelegd in voorschrift 3.1.1.
Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2021, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen bijlage 6 (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:
De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende been verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke bewerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.
Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen in bijlage 6 van het LAP van toepassing:
| 8 Gescheiden ingezameld groenafval |
| 9 Afval van onderhoud van openbare ruimten |
| 10 Zwerfafval |
| 11 Kunststof 12 Metalen |
| 13 Batterijen en accu's |
| 14 Papier- of kunststofgeisoleerde kabels en restanten daarvan |
| 15 Glasvezelkabels |
| 16 Waterzuiveringsslib |
| 17 Reststoffen van drinkwaterbereiding |
| 18 KCA/KGA |
| 19 Afval van gezondheidszorg bij mens of dier |
| 20 AVI-bodemas |
| 21 AVI-vliegas |
| 22 Reststoffen van slibverbranding |
| 23 Reststoffen van kolengestookte energiecentrales |
| 24 Reststoffen van energiewinning uit biomassa |
| kool |
| 25 Actief |
| 26 Rookgasreinigingsresidu van AVI's en installaties voor het verbranden 27 Shredderafval |
| 28 Gemengd bouw- en gemengde fracties |
| en sloopafval |
| 29 Steenachtig materiaal |
| 30 Zeefzand |
| 31 Gips |
| 32 Cellenbeton |
| 33 Dakafval |
| 34 Teerhoudend asfalt |
| 36 Hout |
| 37 Asbest en |
| asbesthoudende afvalstoffen 38 Gescheiden ingezameld vlakglas |
| 39 Verontreinigde grond 40 Baggerspecie |
| 41 Verpakkingen algemeen |
| 42 Verpakkingen van verf, lijm, kit of hars 43 Verpakkingen van overige gevaarlijke stoffen 44 Gasflessen en overige drukhouders |
| 45 Brandblussers |
| 49 Ondergrondse tanks |
| 50 LPG-tanks 51 Autowrakken |
| 52 Autobanden |
| 53 Afvalstoffen afkomstig van schepen |
| 54 Sloopschepen |
| 55 Oliefilters 56 Afgewerkte |
| olie |
| 57 Halogeenhoudende afgewerkte olie 58 Olie/water/slib mengsels en slibben |
| 59 Vloeibare brandstof- en |
| oliehoudende olierestanten 60 Oliehoudende boorspoeling en boorgruis |
| 61 Boor-, snij-, slijp- en walsolie olie of emulsie |
| 62 Metalen met aanhangende |
| 63 Overig oliehoudend afval |
| 64 PCB-houdende afvalstoffen |
| 66 Gasontladingslampen en fluorescentiepoeder 67 Halogeenarme oplosmiddelen |
| en glycolen 68 Halogeenhoudende oplosmiddelen |
| 69 Destillatieresidu |
| 70 CFK's, HCFK's, HFK's en halonen 71 Afgedankte elektrische en |
| elektronische |
| apparatuur |
De hoofdactiviteiten van IGA bestaan uit het opslaan, sorteren en bewerken (scheiden, mengen en opbulken) van bij derden ingezamelde en intern vrijkomende gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen en producten. Daarnaast worden in de inrichting wegtransportmiddelen, spoorwagons, (tank)-containers, recipiënten en installaties of onderdelen gereinigd. Waterige afvalstoffen, afkomstig van derden en uit de eigen processen worden verwerkt in de interne afvalwaterzuiveringsinstallatie. IGA bezit over een eigen waterzuiveringsinstallatie die gericht is op het verwijderen van verontreinigingen, gevolgd door biologische omzetting en nabehandeling van het effluent met een membraanfilter. Afhankelijk van de afvalstroom benodigde behandelstappen volgt het afvalwater een verwerkingsroute voordat het op de zuivering van het Waterschap Scheldestromen geloosd mag worden. Voor de toetsing verwijzen wij naar de paragraaf 4.5 be-/verwerken.
IGA is onder te verdelen in drie operationele afdelingen:
In de afdeling Cleaning bevinden zich 7 wasstraten voor het reinigen van spoorwagons,
wegtransportmiddelen, emballages en diverse procesequipment.
De wasstraten voor reinigen van transportmiddelen zijn overdekt en aan de in- en uitrij zijden afsluitbaar. De vloeren zijn vloeistofdicht en voorzien van afvoergoten en putten. De waswaters worden afzonderlijk naar de buffertanks gepompt welke zijn gekoppeld met de verdere verwerkingsroutes. In de wasstraten worden incidenteel ook afvalstoffen of andere (rest)producten overgeslagen en/of omgepakt.
De beoordeling, uitvoering en registratie van producten en reinigingen is volledig geautomatiseerd. In geval van een nog niet geregistreerd product wordt vóór aanvang van iedere reiniging op basis van de door de transporteur overlegde productgegevens, aan de hand van een algemene beoordelingsmatrix (ATCN-stoffenbestand) het wasprogramma, keuze wasstraat en route van opslag en verwerking van waswaters vastgesteld, en geregistreerd.
De vrijkomende spoelwaters en reststoffen worden verwerkt in de aanwezige afvalwaterzuiveringsinstallatie en/of afgevoerd naar de afdeling WTT.
In de afdeling AWZI worden waterige afvalstoffen waaronder slibs en sludges verwerkt met als doel afvalwater optimaal te scheiden van overige restfracties (vast en vloeibaar), en de waterfractie vervolgens fysisch-chemisch en biologisch zodanig te zuiveren dat het uitgaande water geschikt is voor lozing.
Het biologisch gereinigd water wordt na-behandeld in membraanfilter waar eventueel aanwezige vaste bestanddelen worden verwijderd. Indien gewenst kan het biologisch gezuiverde water ook na-behandeld worden in een drietrapsvacuümverdamper. Het aldus gereinigde water wordt via de lozingskelder geloosd op de AWZI 'De Drie Ambachten' van waterschap Scheldestromen.
Binnen IGA zijn er 2 ingeterpte ondergrondse tanks (T6110 en T6120) aanwezig voor de opslag van mengsels van waterige en brandbare vloeistoffen met onder andere K1- en K2-componenten. Vanuit deze ingeterpte ondergrondse opslagtanks wordt het 'chemisch belast' afvalwater afgevoerd naar externe verwerkingsbedrijven.
In de WTT worden afvalstoffen afkomstig van derden of van de afdelingen Cleaning en AWZI via ingangscontrole gewogen, geregistreerd en opgeslagen.
De afvalstoffen worden vervolgens be- en verwerkt overeenkomstig het acceptatie- en verwerkingsbeleid. In de WTT worden alle afvalstoffen ingezameld, opgeslagen en verwerkt met uitzondering van
categorieën afvalstoffen die radioactief zijn (ADR klasse 7), ontplofbare stoffen of voorwerpen (ADR klasse 1), en gassen (ADR klasse 2; niet inbegrepen spuitbussen en brandblussers).
In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Twee afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten:
Ingevolge het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van één jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar.
IGA heeft aangevraagd om ook afvalstoffen uitsluitend op te slaan. Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager over de benodigde voorzieningen.
Voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen kan een vergunning worden verleend omdat deze afvalstromen niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar bedraagt en na goedkeuring van het bevoegd gezag de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar is.
In de aanvraag is voor de in paragraaf 4.3.2 genoemde sectorplannen de volgende be/verwerkingsmethode beschreven.
Sectorplan 1: Huishoudelijk restafval (inclusief grof)
De minimumstandaard voor het be- en verwerken van huishoudelijk restafval niet zijnde grof huishoudelijk restafval is verbranden als vorm van verwijdering.
Sorteren, nascheiden en andere bewerkingen gericht op nuttige toepassing van (een deel van) het huishoudelijk afval niet zijnde grof huishoudelijk restafval zijn alleen toegestaan wanneer er geen deelstromen of residuen worden gestort. Voor de verwerking van de gevormde deelfracties wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden.
Voor de verwerking van grof huishoudelijk restafval worden in dit sectorplan drie categorieën onderscheiden met de volgende minimumstandaarden:
-b1 voor grof huishoudelijk restafval (de container 'overig' of 'rest' op de milieustraat) verbranden als vorm van verwijdering.
-b2 voor de mengstromen die op basis van art. 3.115, lid 6 en lid 7 van de Activiteitenregeling samen in één opslagvoorziening mogen worden geborgen sorteren of anderszins bewerken. Het oogmerk van deze behandeling is om de gemengde stromen te scheiden ten behoeve van recycling. De mate van recycling dient gelijkwaardig te zijn aan de situatie waarin de stromen wel meteen op de milieustraat gescheiden gehouden waren. Dit betekent dat in vergunningen voor milieustraten waar dit geldt sturingsvoorschriften worden opgenomen om afvoer naar een verbrandingsinstallatie te voorkomen en afvoeren naar een sorteerinstallatie die de betreffende stromen scheidt ten behoeve van recycling in een mate gelijkwaardig aan de situatie waarin de stromen al bij aanbieding gescheiden waren gehouden verplicht te stellen.
De monostromen die ontstaan bij de onder (b2) en (c) bedoelde sortering of alternatieve verwerking dienen te worden verwerkt conform de daarvoor geldende minimumstandaarden. Voorzover deze monostromen niet onder een minimumstandaard in het LAP vallen, moet verwerking worden getoetst aan de afvalhiërarchie, bedoeld in paragraaf 5.2 van het beleidskader.
De minimumstandaard voor de residuen van het sorteren of anderszins verwerken van grof huishoudelijk restafval is verbranden als vorm van verwijdering.
In de aanvraag is vervolgens voor huishoudelijk restafval (inclusief grof) met euralcodes 20.03.01 en 20.03.07 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het be- en verwerken van restafval van bedrijven is verbranden als vorm van verwijdering.
Sorteren, nascheiden en andere bewerkingen gericht op nuttige toepassing van (een deel van) het restafval van bedrijven zijn alleen toegestaan wanneer er geen deelstromen of residuen worden gestort.
Voor de verwerking van de gevormde deelfracties wordt verwezen naar de daarvoor geldende minimumstandaarden.
In de aanvraag is voor restafval van bedrijven de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op verbranding. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes 180101c en 180104c. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is tevens voor restafval van bedrijven met euralcodes 180201c, 180203c, 200301 en 200307 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen is recycling.
Indien recycling niet mogelijk is op grond van de aard of samenstelling van de afvalstof of de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton, is de minimumstandaard:
In de aanvraag is voor procesafhankelijk industrieel afval de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes 060102*, 060103*, 060104*, 060105*, 060106*, 060199, 060201*, 060203*, 060204*, 060205*, 060399, 060405c*, 060602c*, 060603c, 060703*, 060704*, 060799, 060802*, 060899, 060999, 061099c, 061399, 070214c*, 070215c, 070216c*, 070217c, 070399, 070413c*, 070499c, 070509*, 070510*, 070513c*, 070514c, 070599, 070609*, 070610*, 070699, 070709*, 070710*, 070799, 080111c*, 080112c, 080118c, 080121*, 080199, 080201, 080299, 080312c*, 080313c, 080316*, 080318c, 080409c*, 080412c, 080417*, 080499, 090108, 101314, 110198c*, 120112*, 150202c*, 160801, 160802c*, 160803c en 160804. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is tevens voor procesafhankelijk industrieel afval de bewerking ompakken, sorteren aangegeven gericht op recycling, verbranding of energieterugwinning. Deze bewerkingsmethode staat een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes 070413c*, 080312c*, 080317c*, 080318c, 080409c*, 150202c*, 160801, 160802c*, 160803c en 160804.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor procesafhankelijk industrieel afval de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. Wel is in dit sectorplan verwoord dat indien recycling niet mogelijk is op grond van de aard of samenstelling van de afvalstof of de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,per ton, de minimumstandaard verbranden is als deze niet gestort mag worden. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en eerder genoemd minimumstandaard van dit sectorplan. In de vergunning is voorschrift 3.7.3 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 020108c*, 020302, 020303, 020304, 020399, 020702, 030101, 030199, 030201c*, 030202c*, 030203c*, 030299c, 030307, 030399, 040103*, 040209, 040210, 040214c*, 040215c, 040216c*, 040217c, 040221, 040222, 040299, 050108*, 050111*, 050112*, 050115*, 050117, 050199, 050603*, 050604, 050699, 050799, 060102*, 060104*, 060105*, 060106*, 060201*, 060203*, 060204*, 060205*, 060299, 060315c*, 060399, 060405c*, 060499c, 060602c*, 060603c, 060699, 060704*, 060799, 060802*, 060899, 060999, 061002c*, 061099c, 061101, 061199, 061301*, 061399, 070109*, 070110*, 070199, 070209*, 070210*, 070214c*, 070215c, 070216c*, 070217c, 070299, 070309*, 070310*, 070399, 070409*, 070410*, 070413c*, 070499c, 070509*, 070510*, 070513c*, 070514c, 070599, 070609*, 070610*, 070699, 070709*, 070710*, 070799, 080111c*, 080112c, 080113c*, 080114c, 080117c*, 080118c, 080121*, 080199, 080201, 080299, 080312c*, 080313c, 080314c*, 080315c, 080316*, 080317c*, 080318c, 080319*, 080399, 080409c*, 080410c, 080411c*, 080412c, 080417*, 080499, 080501*, 090199, 100125, 100199, 100202, 100299, 100304, 100305, 100308*, 100309*, 100317c*, 100318c, 100321c*, 100322c, 100329c*, 100330c, 100399, 100401*, 100402*, 100405*, 100499, 100501, 100504, 100599, 100601, 100602, 100604, 100699, 100701, 100704, 100799, 100804, 100808, 100809, 100810c*, 100811c, 100812c*, 100813c, 100899, 100903, 100905c*, 100906c, 100907c*, 100908c, 100911c*, 100912c, 100913c*, 100914c, 100915c*, 100916c, 100999, 101003, 101005c*, 101006c, 101007c*, 101008c, 101011c*, 101012c, 101013c*, 101014c, 101015c*, 101016c, 101099, 101103, 101105, 101109c*, 101110c, 101111c*, 101112c, 101113c*, 101114c, 101199, 101203, 101211c*, 101212c, 101299, 101301, 101304, 101306, 101311, 101313c, 101314, 101399, 110108*, 110109c*, 110110c, 110116c*, 110198c*, 110199c, 110202*, 110203, 110205c*, 110206c, 110207c*, 110299c, 110302*, 110501, 110502, 110504*, 110599, 120112*, 120114c*, 120115c, 120120c*, 120121c, 120199, 150203c, 160801, 160802c*, 160803c en 160804.
In de aanvraag is verder voor procesafhankelijk industrieel afval de bewerking overige AWZI (het afvalwater gaat via de flocculatie en flotatie unit (FFU)) aangegeven gericht op eigen afvalwaterzuivering. Bij IGA ondergaat dit afval vervolgens een fysisch-chemische behandeling waarbij verbindingen en mengsel die ontstaan na de bewerking worden verwijderd. Laatstgenoemde is niet conform de minimumstandaard van het LAP. In de vergunning is voorschrift 3.7.4 opgenomen dat het verwerken van procesafhankelijk industrieel afval op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie is toegestaan, mits de residuen (verbindingen en mengsel) conform de minimumstandaard van het LAP worden verwerkt. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes: 060104*, 060106*, 060204*, 060205*, 060299 en 080316*.
In de aanvraag is vervolgens voor procesafhankelijk industrieel afval met euralcodes 010101, 010102, 010304c*, 010305c*, 010306c, 010307c*, 010308c, 010309c, 010399, 010407c*, 010408c, 010409, 010410c, 010411c, 010412c, 010413c, 010499, 010504, 010506c*, 010507c, 010508c, 010599, 020103, 020106, 020109c, 020199, 020301, 020401, 020402, 020499, 020501, 020599, 020601, 020602, 020699, 020701, 020703, 020704, 020799, 030204c*, 030205c*, 030301, 030302, 030305, 030308, 030309, 030310, 040101, 040102, 040104, 040105, 040108, 040109, 040199, 050113, 050114, 060314c, 060316c, 060403c*, 060902, 060903c*, 060904c, 061304*, 090110, 100302, 100315c*, 100316c, 100403*, 100510c*, 100511c, 100702, 100814, 101201, 101206, 101208 en 101310 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van gescheiden ingezameld papier en karton is recycling. Voor papier en karton dat, bijvoorbeeld nat of sterk vervuilde partijen papier en karton,
57
of
- waarvoor de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de
producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton, is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
In de aanvraag is voor gescheiden ingezameld papier en karton de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes 150101 en 200101. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor gescheiden ingezameld papier en karton de bewerking mengen aangegeven gericht op energieterugwinning of verbranding. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor de verwerkingsroute recycling, maar voor energieterugwinning of verbranding. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. In de minimumstandaard is andere nuttige toepassing (verbranden) mogelijk als het afval sterk is vervuild of de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton. In de vergunning is voorschrift 3.7.5 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode 150101.
De minimumstandaard voor het verwerken van gescheiden ingezameld textiel is recycling. Voor schoeisel waarvoor recycling niet mogelijk is, is de minimumstandaard andere nuttige toepassing.
Voor gescheiden ingezameld textiel dat, bijvoorbeeld omdat het sterk is vervuild zoals kleding met verf of olievlekken,
- niet voor recycling geschikt is
of
- waarvoor de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de
producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton, is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
In de aanvraag is voor gescheiden ingezameld textiel de bewerking mengen aangegeven gericht op energieterugwinning of verbranding. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor de verwerkingsroute recycling, maar voor energieterugwinning of verbranding. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. In de minimumstandaard is andere nuttige toepassing (verbranden) mogelijk als het afval sterk is vervuild of de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton. In de vergunning is voorschrift 3.7.6 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode 150109.
In de aanvraag is ook voor gescheiden ingezameld textiel met euralcodes 150109, 200110 en 200111 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
Sectorplan 6: Gescheiden ingezameld groente-, fruit- en tuinafval van huishoudens De minimumstandaard voor het verwerken van gft-afval is composteren met het oog op recycling of vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door aerobe droging/narijping met het oog op recycling van het digestaat.
In de aanvraag is voor gescheiden ingezameld groente-, fruit- en tuinafval van huishoudens met euralcode 200108 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval is composteren met het oog op recycling of vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door aerobe droging/narijping met het oog op recycling van het digestaat.
Voorzover afvalstoffen vallend onder dit sectorplan tevens vallen onder de reikwijdte van de Verordening dierlijke bijproducten, is deze verordening leidend ten opzichte van de Wet milieubeheer (Wm). In deze gevallen is de minimumstandaard dat iedere verwerkingswijze die in lijn is met de Verordening dierlijke bijproducten is toegestaan en dat verwerking moet voldoen aan de eisen van deze verordening.
In de aanvraag is voor gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval met euralcode 200108 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van gescheiden ingezameld groenafval is 'andere nuttige toepassing' in de vorm van
Daarnaast kunnen vormen van directe toepassing als bodemverbeteraar, inzet bij de
inrichting van ecoducten of gebruik voor het dempen van sloten in veenweidegebieden
worden toegestaan wanneer ze voldoen aan hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer en passen
in het beleid van het bevoegd gezag. Ontheffingen van het verbod om groenafval buiten
inrichtingen te verbranden (10.63 Wm) worden slechts in incidentele gevallen verleend
(vreugdevuren, boomziekten, etc.). De handreiking "toepassing regelgeving verbranden
buiten inrichtingen" kan gemeenten bij hun besluitvorming ondersteunen. Structureel
verlenen van ontheffingen is ongewenst.
In de aanvraag is voor gescheiden ingezameld groenafval met euralcodes 020103; 020107 en 200201 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van veegafval en RKG-slib (RKGV-slib) is het afscheiden van de inerte fractie die, al dan niet na reiniging, wordt gerecycled. In geval van reiniging van de inerte fractie mag het reinigingsresidu worden gestort wanneer daarvoor een niet-reinigbaarheidsverklaring is afgegeven.
De minimumstandaard voor het verwerken van marktafval, drijfafval, afval uit openbare afvalbakken en de restfractie die overblijft na het afscheiden van de inerte fractie van veegafval en RKG-slib (RKGV-slib), is verwijderen door verbranden.
Sorteren, nascheiden en andere verwerkingen gericht op nuttige toepassing van (een deel van) het afval van onderhoud van openbare ruimten zijn alleen toegestaan wanneer er, met uitzondering van een residu van de reiniging van de inerte fractie, geen deelstromen of residuen worden gestort.
In de aanvraag is voor onderhoud van openbare ruimten de bewerking mengen aangegeven gericht op energieterugwinning of verbranding. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en conform de verwerkingsroute van dit sectorplan geschied. In de vergunning is voorschrift
3.7.7, lid 1 en 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes: 200303 en 200306.
In de aanvraag is ook voor onderhoud van openbare ruimten de bewerking overige AWZI (scheiden vast en vloeibaar middels een decanter) aangegeven gericht op eigen afvalwaterzuivering. Bij IGA ondergaat dit afval een fysisch-chemische behandeling waarbij verbindingen en mengsel die ontstaan na de bewerking worden verwijderd. In de vergunning is voorschrift 3.7.7, lid 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode:200306.
In de aanvraag is verder voor onderhoud van openbare ruimten met euralcodes 200302, 200303 en 200306 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
Zwerfafval is samengesteld uit vele soorten verpakkingen en producten waarvan consumenten zich buitenshuis na gebruik op oneigenlijke wijze ontdoen en die door of als gevolg van activiteiten van bedrijven verstrooid in de openbare ruimte vrijkomen
Er wordt voor dit afvalstof geen verdere uitwerking gegeven, dit afval komt onder sectorplan 9 te vallen.
De minimumstandaard voor de verwerking van kunststofafval niet zijnde kunstgras is recycling.
Voor kunststofafval niet zijnde kunstgras dat, bijvoorbeeld omdat het te sterk is verontreinigd of is verkleefd met andere materialen,
of
is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
De minimumstandaard voor kunstgras is scheiden in een zand-, rubber- en kunststoffractie gevolgd door
- recycling van de kunststoffractie, met uitzondering van plakstroken waarvoor de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof) is.
In de aanvraag is voor kunststof afval de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode 170204c*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is tevens voor kunststof afval de bewerking ompakken en sorteren aangegeven gericht op recycling. Deze bewerkingsmethode staat een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode 070213.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor kunststofafval de bewerking mengen aangegeven gericht op energieterugwinning of verbranding. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en conform de verwerkingsroute van dit sectorplan. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor de verwerkingsroute recycling, maar voor energieterugwinning of verbranding. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. In de minimumstandaard is verwoord dat indien recycling niet mogelijk is vanwege het feit dat genoemde afval te sterk is verontreinigd of is verkleefd met andere materialen of de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton, de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' is. In de vergunning is voorschrift 3.7.8 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes: 070213, 170204c* en 200139.
In de aanvraag is vervolgens voor kunststofafval met euralcodes 020104, 120105, 160119, 070213, 170203c en 200139 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van metaalafval is recycling.
In de aanvraag is voor metaalafval de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes 100210; 120101; 120102; 120103; 120104; 120113; 150104; 160117; 160118; 170401c; 170402c; 170403c; 170404c; 170405c; 170406c; 170407c; 190102; 191001; 191002; 191202; 191203 en 200140. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is tevens voor metaalafval de bewerking ompakken, sorteren aangegeven gericht op recycling. Deze bewerkingsmethode staat een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode 150104.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor metaalafval de bewerking mengen aangegeven gericht op energieterugwinning of verbranding. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en conform de verwerkingsroute van dit sectorplan. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor de verwerkingsroute recycling, maar voor energieterugwinning of verbranding. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. In de vergunning is voorschrift 3.7.9 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes: 120102 en 150104.
In de aanvraag is vervolgens voor metaalafval met euralcode 020110 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het be- en verwerken van batterijen en accu's is het afscheiden van vloeistoffen en zuren gevolgd door recycling (zie bijlage III, deel B bij Richtlijn 2006/66/EG inzake batterijen en accu's).
voor lood-zuurbatterijen en -accu's is de minimumstandaard scheiding in componenten gevolgd door (opsomming cumulatief):
voor nikkel-cadmiumbatterijen en -accu's (opsomming cumulatief):
voor andere afgedankte batterijen en accu's (opsomming cumulatief):
In de aanvraag is voor batterijen en accu's de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode 200133*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is tevens voor batterijen en accu's de bewerking ompakken, sorteren aangegeven gericht op recycling of afvalscheidingsinstallatie. Deze bewerkingsmethode staat een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes 160601*, 160602*, 160603*, 160604, 160605, 200133* en 200134.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor batterijen en accu's met euralcodes 090111c* en 090112c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor de verwerking van papier- of kunststofgeïsoleerde kabels en snoeren is scheiden in een metaalfractie, een kunststoffractie en een restfractie, gevolgd door recycling van het metaal en de kunststoffractie en 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof) van de restfractie.
Voorzover de restfractie koolteer bevat of PCB's bevat in gehalte hoger is dan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180, zijn andere vormen van verwerken dan verbranden als vorm van verwijdering alleen toegestaan wanneer zeker is dat de PAK's respectievelijk PCB's daarbij worden vernietigd of onomkeerbaar worden omgezet. Indien de kunststoffractie, bijvoorbeeld omdat het te sterk is verontreinigd of is verkleefd met andere materialen,
of
is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
In de aanvraag is voor papier- of kunststof geïsoleerde kabels en restanten daarvan met euralcodes 170410c* en 170411c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
Sectorplan 15: Glasvezelkabels De minimumstandaard voor het bewerken van glasvezelkabelrestanten is verbranden als vorm van verwijdering.
In de aanvraag is voor glasvezelkabels met euralcode 170411c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor de verwerking van afvalwaterzuiveringsslib niet zijnde slibben van afvalwater uit de voedings- en genotmiddelenindustrie is thermisch verwerken, al dan niet na voordrogen, leidend tot oxidatie van het organisch materiaal.
Dit houdt in dat verbranding in verschillende typen installaties - al dan niet in combinatie met biologische danwel thermische voordroging - is toegestaan. Ook vergassen gevolgd door nuttige toepassing van het verkregen gas is toegestaan.
Natte oxidatie en pyrolyse/smelten zijn op basis van de gegevens van de Milieueffect Rapportage ten behoeve van LAP1 niet toegestaan. Ook drogen of anderszins verwerken voorafgaand aan storten is niet toegestaan.
De minimumstandaard voor de verwerking van zuiveringsslibben van afvalwater uit de voedings- en genotmiddelenindustrie is recycling.
Indien recycling niet mogelijk is op grond van de aard of samenstelling van de afvalstof of de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton is de minimumstandaard verbranden als vorm van verwijdering.
Daarnaast is de inzet van alle vormen van zuiveringsslib als hulpstof in Hydrostab voor toepassing op een stortplaats toegestaan.
In de aanvraag is voor waterzuiveringsslib de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op verbranding. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 070611c*; 070612c; 070711c*; 070712c. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is ook voor waterzuiveringsslib de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. In de vergunning is voorschrift 3.7.10 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes: 040107, 040219c*, 040220c, 050109c*, 050110c, 060502c*, 060503c, 070111*, 070112c, 070211c*, 070212c, 070311c*, 070312c, 070411c*, 070412c, 070511c*, 070512c, 070611c*, 070612c, 070711c*, 070712c, 100120c*, 100121c, 101213, 190811c*, 190812c, 191105c* en 191106c.
In de aanvraag is verder voor waterzuiveringsslib met euralcodes 020204, 020305, 020403, 020502, 020603, 020705, 030311, 040106 en 190805 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor de verwerking van reststoffen van drinkwaterbereiding is
ar-seenconcentratie kleiner of gelijk is aan 150 mg/kg droge stof en de van toepassing zijnde wet- en regelgeving dit toestaat.
De minimumstandaard voor de verwerking van reststoffen van drinkwaterbereiding die
In dit geval
Verder geldt:
Dit betekent dat
In de aanvraag is voor reststoffen van drinkwaterbereiding de bewerking mengen aangegeven gericht op energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en conform de verwerkingsroute van dit sectorplan. Daarnaast mag de arseenconcentratie grens van ≤ 150 mg/kg droge stof (voor hulpstof en bouwstof) of ≤ 500 mg/kg droge stof (voor andere vormen van recycling) niet door mengen van partijen worden bereikt. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor de verwerkingsroute hulpstof of bouwstof, maar voor energieterugwinning. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. In de vergunning is voorschrift 3.7.11 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes: 190901; 190902; 190903; 190905; 190906 en 190999.
In de aanvraag is verder voor reststoffen van drinkwaterbereiding met euralcodes 190901; 190902; 190903; 190905; 190906 en 190999 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
Aangezien KCA/KGA uit een grote diversiteit aan afvalstoffen bestaat is er geen minimumstandaard voor deze stroom. De afvalstoffen worden bij inname per stroom gescheiden gehouden. De gescheiden stromen dienen conform de eigen minimumstandaard te worden verwerkt. Zie bovenstaand overzicht voor de verwijzingen naar de betreffende sectorplannen.
Verdere uitwerking van dit sectorplan is niet noodzakelijk, omdat de doelmatigheidstoetsing van de verschillende afvalstoffen binnen dit sectorplan reeds in andere sectorplannen plaatsvindt.
De minimumstandaard voor het verwerken van
is thermische verwerking in een speciaal daarvoor vergunde installatie, binnen danwel buiten Nederland, onder voorwaarde dat dit leidt tot volledige vernietiging van alle infectueuze materialen, lichaamsdelen en organen. Gelet op de aard van het afval is nuttige toepassing niet toegestaan, behoudens voorzover hierbij een volledige vernietiging van alle infectueuze materialen, lichaamsdelen en organen optreedt.
Het door decontaminatie wegnemen van het infectierisico van infectieuze afvalstoffen afkomstig uit de gezondheidszorg van mens of dier is onder voorwaarden toegestaan. De gedecontamineerde stroom mag niet worden gemengd met een niet gedecontamineerde 180104 stroom. De minimumstandaard voor verwerking van gedecontamineerd afval is verwijdering door verbranden.
- afval van de gezondheidszorg bij mens of dier waarvan de inzameling en verwerking niet zijn onderworpen aan specifieke richtlijnen teneinde infectie te voorkomen - zoals verband, gipsverband, linnengoed, wegwerpkleding, luiers en gedecontamineerd afval - (Euralcode 180104/180203) is verwijdering door verbranden.
In de aanvraag is voor afval van gezondheidszorg bij mens of dier de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op verbranding. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 180103c*; 180104c; 180108*; 180202c*; 180207* en 200131*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor afval van gezondheidszorg bij mens of dier met euralcode 180102c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van AVI-bodemas is recycling, binnen de kaders van het beleidskader.
Opwerking van AVI-bodemas tot vrij toepasbare bouwstoffen (dus als 'niet IBC-bouwstof') kan worden toegestaan onder de volgende voorwaarden (cumulatief):
In deze minimumstandaard wordt met 'opwerkinstallatie' bedoeld 'de installatie - al dan niet op het terrein van de AVI zelf - die de bodemas ontvangt van de AVI - al dan niet na afscheiding van metalen bij de AVI zelf - en waar een eerste daadwerkelijke scheiding in fracties plaatsvindt waarvan reststoffen worden afgevoerd naar de stortplaats'.
In de aanvraag is voor AVI-bodemas de bewerking mengen aangegeven gericht op energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en conform de verwerkingsroute van dit sectorplan. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor de verwerkingsroute recycling, maar voor energieterugwinning. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. In de vergunning is voorschrift 3.7.12 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode: 190119c*.
In de aanvraag is verder voor AVI-bodemas met euralcode 190112c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van AVI-vliegas is storten, al dan niet na koude immobilisatie, op een daarvoor geschikte stortplaats.
Het storten in big bags is niet toegestaan, tenzij de afvalstoffen die in de big bags gestort worden zonder big-bag aan de grenswaarden van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen voldoen.
In de aanvraag is voor AVI-vliegas de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op storten. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 190107*; 190113c*; 190114c; 190115c* en 190116c. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
De minimumstandaard voor de verwerking van reststoffen van slibverbranding is andere nuttige toepassing, binnen de kaders van het beleidskader.
In de aanvraag is verder voor reststoffen van slibverbranding met euralcodes 190107*; 190113c*; 190114c; 190115c* en 190116c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van reststoffen van kolengestookte energiecentrales is recycling, binnen de kaders van het beleidskader.
Deze minimumstandaard is in het geval van bijstook van andere (primaire danwel secundaire) brandstoffen ook van toepassing op de reststoffen van deze meegestookte andere brandstoffen.
In de aanvraag is voor reststoffen van kolengestookte energiecentrales de bewerking mengen aangegeven gericht op energieterugwinning of verbranding. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en conform de verwerkingsroute van dit sectorplan. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor de verwerkingsroute recycling, maar voor energieterugwinning of verbranding. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. In de vergunning is voorschrift 3.7.13 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode: 100114c*; 100115c; 100116c*; 100117c; 100118c*; 100119c en 100124.
In de aanvraag is verder voor reststoffen van kolengestookte energiecentrales met euralcodes 100101; 100102; 100103; 100104*; 100105; 100107; 100113*; 100114c*; 100115c; 100116c*; 100117c; 100118c*; 100119c en 100124 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van reststoffen van energiewinning uit biomassa is vooralsnog storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Daar waar recycling, bijvoorbeeld door inzet als bouwstof of meststof mogelijk is, heeft dit de voorkeur.
In de aanvraag is voor reststoffen van energiewinning uit biomassa de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op energieterugwinning. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 100101; 100103; 100105; 100107 en 100124. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor reststoffen van energiewinning uit biomassa ook de bewerking mengen aangegeven gericht op energieterugwinning of verbranding. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en conform de verwerkingsroute van dit sectorplan. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor de verwerkingsroute recycling of storten, maar voor energieterugwinning of verbranding. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. In de vergunning is voorschrift 3.7.14 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode: 100124.
In de aanvraag is verder voor reststoffen van energiewinning uit biomassa met euralcodes 100104* en 100113* de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van actief kool zonder kwik is verwijderen door verbranden.
Voor alle vormen van kwikhoudend actief kool die hieronder aan de orde komen geldt dat
De minimumstandaard voor het verwerken van actief kool met een kwikgehalte van meer dan 50 mg/kg droge stof is afscheiden en concentreren van kwik en zodanige verwerking hiervan dat (diffuse) verspreiding in het milieu wordt voorkomen. Metallisch kwik dat vrijkomt bij het ontkwikken dient te worden verwerkt conform Verordening (EG) Nr. 1102/2008 (zie verder sectorplan 82). Na ontkwikken mag het actief kool een kwikgehalte hebben van maximaal 50 mg/kg droge stof waarna de kool verwerkt moet worden volgens de hier onder genoemde minimumstandaard.
Een uitzondering geldt voor kwikhoudend actief kool met een gehalte aan kwik van meer dan 50 mg/kg droge stof waarbij de afvalstof door aanwezigheid van andere verontreinigingen dan kwik ook na ontkwikken geen andere bestemming kan krijgen dan storten. Hiervoor wordt immobiliseren ten behoeve van storten toegestaan zonder ontkwikken.
b2) actief kool met een kwikgehalte van meer dan 10 mg/kg en ten hoogste 50 mg/kg De minimumstandaard voor het verwerken van actief kool met een kwikgehalte van meer dan
10 mg/kg droge stof en maximaal 50 mg/kg droge stof is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Met uitzondering van hoofdgebruik als brandstof in een installatie met een adequate rookgasreiniging om het kwik af te vangen is nuttige toepassing, al dan niet na immobilisatie, niet toegestaan om te voorkomen dat kwik diffuus wordt verspreid.
De minimumstandaard voor het verwerken van actief kool met een kwikgehalte van maximaal 10 mg/kg droge stof is verwijderen door verbranden. Met uitzondering van hoofdgebruik als brandstof in een installatie met een adequate rookgasreiniging om het kwik af te vangen is nuttige toepassing, al dan niet na immobilisatie, niet toegestaan om te voorkomen dat kwik diffuus wordt verspreid. Het mengen van partijen met een gehalte van maximaal 10 mg/kg kwik droge stof met elkaar of met andere afvalstoffen om te voldoen aan de acceptatiecriteria voor kwik van de verbrandingsinstallatie is toegestaan.
In afwijking van het voorgaande is voor actief kool met veel onbrandbare verontreinigingen waarbij verbranden leidt tot diffuse verspreiding hiervan of tot belasting van nieuw actief kool de minimumstandaard storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Ook hier is nuttige toepassing, al dan niet na immobilisatie, niet toegestaan om te voorkomen dat kwik diffuus wordt verspreid.
In de aanvraag is voor actief kool de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op energieterugwinning. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode: 061302*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor actief kool ook de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en conform de verwerkingsroute van dit sectorplan. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor de verwerkingsroute thermisch verwerken, maar voor energieterugwinning. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. In de vergunning is voorschrift 3.7.15 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 060702*; 061302*; 061303; 190110* en 190904.
Sectorplan 26: Rookgasreinigingsresidu van AVI's en installaties voor het verbranden van slib of biomassa
De minimumstandaard voor het verwerken van rookgasreinigingsresidu is storten, al dan niet na koude immobilisatie, op een daarvoor geschikte stortplaats.
Het storten in big bags is niet toegestaan, tenzij de afvalstoffen die in de big bags gestort worden zonder big bag aan de grenswaarden van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen voldoen.
Algemene bepalingen
Voor alle vormen van kwikhoudend rookgasreinigingsresidu die hieronder aan de orde komen geldt dat
Rookgasreinigingsresidu met meer dan 50 mg/kg kwik droge stof De minimumstandaard voor het verwerken van rookgasreinigingsresidu met een kwikgehalte van meer dan 50 mg/kg droge stof is afscheiden en concentreren van kwik en zodanige verwerking hiervan dat verspreiding in het milieu wordt voorkomen. Metallisch kwik dat vrijkomt bij het ontkwikken dient te worden verwerkt conform Verordening (EG) Nr. 1102/2008 (zie verder sectorplan 82). Na ontkwikken mag het rookgasreinigingsresidu een kwikgehalte hebben van maximaal 50 mg/kg droge stof waarna het rookgasreinigingsresidu verwerkt moet worden volgens de hier onder genoemde minimumstandaard.
In de aanvraag is voor rookgasreinigingsresidu van AVI's en installaties voor het verbranden van slib of biomassa de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op storten. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode 190107*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor rookgasreinigingsresidu van AVI's en installaties voor het verbranden van slib of biomassa met euralcode 190105* de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van shredderafval is thermisch verwerken (verbranden, pyrolyse/smelten, vergassen gevolgd door (na)verbranden). Handelingen gericht op recycling van (delen van) het shredderafval - zoals mechanisch of fysisch scheiden - zijn uitsluitend toegestaan wanneer geen enkele residustroom overblijft die moet worden gestort.
In de aanvraag is voor shredderafval de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op energieterugwinning. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 191003c* en 191005c*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor shredderafval ook de bewerking mengen aangegeven gericht op energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en de verwerkingsroute van dit sectorplan. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor de verwerkingsroute thermisch verwerken, maar voor energieterugwinning. Dit is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. In de vergunning is voorschrift 3.7.16 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 191003c*, 191005c* en 191006c.
In de aanvraag is verder voor shredderafval met euralcode 191004c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van bouw- en sloopafval, daarmee in samenstelling vergelijkbaar bedrijfsafval en particulier gemengd verbouwingsafval is sorteren of anderszins verwerken. Het oogmerk van de behandeling hierbij is om zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling, met als beperking dat het resulterende residu ten minste verbrand moet kunnen blijven worden. Het sorteerproces is ingericht om - voorzover in het te sorteren mengsel aanwezig - in ieder geval als monostroom
af te scheiden:
Aan de vergunning van sorteerbedrijven worden hiertoe voorschriften verbonden.
De geproduceerde monostromen moeten worden verwerkt conform de daarvoor geldende minimumstandaarden. Voorzover deze monostromen niet onder een minimumstandaard in het LAP vallen, moet verwerking worden getoetst aan de afvalhiërarchie, als bedoeld in Paragraaf 5.2 van het Beleidskader.
De minimumstandaard voor gemengde fracties is recycling al dan niet na verdere sortering of anderszins bewerken. Daarbij is het oogmerk om zoveel mogelijk monostromen af te scheiden die geschikt zijn voor recycling, met als beperking dat het resulterende residu ten minste verbrand moet kunnen blijven worden. Het sorteerproces is ingericht om - voorzover in het te sorteren mengsel aanwezig - in ieder geval als monostroom af te scheiden:
Aan de vergunning van sorteerbedrijven worden hiertoe voorschriften verbonden.
De minimumstandaard voor sorteerresidu waarvoor recycling niet mogelijk is of waarvoor de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton, is verbranden als vorm van verwijdering.
In de aanvraag is voor gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar bedrijfsafval en particulier gemengd verbouwingsafval de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 170204*; 170603*; 170604; 170901c*; 170903c*; 170904c; 191211c* en 191212c. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar bedrijfsafval en particulier gemengd verbouwingsafval ook de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en conform de minimumstandaard van het LAP wordt be- en verwerkt. Voor de be- en verwerking kiest IGA niet voor sorteren/af te scheiden ten behoeve van recycling, maar voor verbranding of energieterugwinning. In de minimumstandaard is verwoord dat indien recycling niet mogelijk is of waarvoor de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton, de minimumstandaard verbranden als vorm van verwijdering is. In de vergunning is voorschrift 3.7.17 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 170204*; 170603*; 170604; 170901c*; 170903c*; 170904c; 191211c* en 191212c.
In de aanvraag is verder voor gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar bedrijfsafval en particulier gemengd verbouwingsafval met euralcode 170902c* de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van steenachtig materiaal is recycling, binnen de kaders van het beleidskader.
Voor de deelstroom asfalt mag de grens van 75 mg/kg droge stof PAK10 niet door mengen van partijen worden bereikt.
In de aanvraag is voor steenachtig materiaal de bewerkingsroute opslag en overslag aangegeven gericht op recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 101314; 170101; 170102; 170103; 170106c*; 170107c; 170302c; 170507c*; 170508c; 191209 en 191211*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor steenachtig materiaal de bewerkingsroute mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Dit is niet conform de minimumstandaard van het LAP. In de vergunning is voorschrift 3.7.18 hierover opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 170106c*; 170507c* en 170508c.
De minimumstandaard voor het verwerken van brekerzeefzand en sorteerzeefzand met een concentratie aan PAK10 kleiner dan 50 mg/kg droge stof is recycling, binnen de kaders van het beleidskader.
Voor partijen met een concentratie aan PAK10 gelijk danwel groter dan 50 mg/kg droge stof is de minimumstandaard recycling voorafgegaan door reiniging (thermisch danwel anderszins) waarbij de aanwezige PAK, ofwel direct ofwel na te zijn afgescheiden, worden vernietigd. Het recyclen van teerhoudend zeefzand tot grond of bouwstof, zonder voorafgaande vernietiging van de aanwezige PAK, is derhalve niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie.
De grens van 50 mg/kg droge stof PAK10 mag niet door mengen van partijen worden bereikt.
In de aanvraag is voor zeefzand de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 191209 en 191211*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
De minimumstandaard voor het verwerken van gips is recycling, binnen de kaders van het beleidskader.
Voor gips
In de aanvraag is voor gips de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op storten of recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes: 170801* en 170802c. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor gips de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Laatstgenoemde is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. Voor de been verwerking kiest IGA niet voor recycling, maar voor verbranding of energieterugwinning. In de minimumstandaard is verwoord dat indien dit materiaal niet geschikt is voor recycling omdat het verkleefd is met andere materialen of waarvoor de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton, de minimumstandaard storten is. In de vergunning is voorschrift 3.7.19 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 170801* en 170802c.
De minimumstandaard voor het verwerken van cellenbeton is storten op een daarvoor geschikte stortplaats.
In de aanvraag is voor cellenbeton de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op storten. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode: 170101. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
Als algemeen uitgangspunt geldt dat in onderstaande gevallen de grens van 75 mg/kg droge stof PAK10 niet mag worden bereikt door het mengen van partijen.
De minimumstandaard voor het verwerken van teerhoudend dakafval is recycling van de minerale fractie in asfalt, cement, beton, thermisch gereinigde grond of andere thermisch gereinigde bouwstoffen onder gelijktijdig nuttig gebruik van de energie-inhoud van het afval. Voor teerhoudend dakafval geldt als aanvullende voorwaarde dat uitsluitend verwerkingsvormen zijn toegestaan waarbij geen verspreiding van de aanwezige PAK mogelijk is, ook niet in geïmmobiliseerde vorm. De aanwezige PAK dienen dus voorafgaand aan of tijdens de toepassing te worden vernietigd.
De minimumstandaard voor het verwerken van bitumineus dakafval is recycling van ten minste de inerte fractie.
De minimumstandaard voor het verwerken van composieten van teerhoudend- of bitumineus dakafval met maximaal 10% (v/v) 'dakbedekking vreemd' materiaal is gelijk aan de minimumstandaard voor 'teerhoudend dakafval'.
De minimumstandaard voor het verwerken van composiet dakafval met meer dan 10% (v/v) 'dakbedekking vreemd' materiaal is sorteren of anderszins bewerken met als oogmerk een dakafval-fractie af te scheiden met een zo klein mogelijke hoeveelheid en ten hoogste 10% (v/v) 'dakbedekking vreemd' materiaal. Deze dakafval-fractie wordt verder verwerkt volgens één van de andere minimumstandaarden uit dit sectorplan.
De bij deze bewerking afgescheiden 'dakbedekking vreemde' stromen moeten - wanneer het monostromen betreft - worden verwerkt conform de daarvoor geldende minimumstandaarden elders in het LAP. Voorzover deze monostromen niet onder een minimumstandaard in het LAP vallen, moet verwerking worden getoetst aan de afvalhiërarchie, bedoeld in paragraaf 5.2 van het beleidskader. Blijft na afscheiding van de dakafval-fractie een gemengde stroom 'dakbedekking vreemd' materiaal over dan geldt daarvoor de minimumstandaard uit sectorplan 28 van dit LAP.
De minimumstandaard voor het verwerken van dakgrind, verkleefd met teer of bitumen is reiniging en recycling van het grind, binnen de kaders van het beleidskader. De restanten teer en bitumen mogen worden verbrand. Voor partijen die vóór de reiniging/scheiding een concentratie aan PAK10 hebben gelijk aan danwel groter dan 75 mg/kg droge stof is uitgangspunt dat bij geen van de toepassingen van componenten van deze afvalstof verspreiding van PAK mogelijk is, ook niet in geïmmobiliseerde vorm. De aanwezige PAK dienen dus te worden vernietigd.
In de aanvraag is voor dakafval de bewerking opslag en verpak overslag aangegeven gericht op recycling, verbranding of energieterugwinning. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes: 170301c*; 170302c en 170303*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor dakafval ook de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Laatstgenoemde is niet conform de minimumstandaard van dit sectorplan. Voor de been verwerking kiest IGA niet voor recycling, maar voor energieterugwinning of verbranden. Daarnaast mag de grens van 75 mg/kg droge stof PAK10 in geen van de gevallen door mengen van partijen worden bereikt. In de vergunning is voorschrift 3.7.20 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 170301c*; 170302c en 170303*.
De minimumstandaard voor het verwerken van teerhoudend asfalt is recycling binnen de kaders van het beleidskader, voorafgegaan door thermische bewerking waarbij de aanwezige PAK worden vernietigd. Het recyclen van teerhoudend asfalt tot bouwstof zonder voorafgaande vernietiging van de aanwezige PAK is derhalve niet toegestaan, ook niet in combinatie met immobilisatie.
In de aanvraag is voor teerhoudend asfalt de bewerking opslag en verpak overslag aangegeven gericht op recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes: 170301c* en 170303*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
De minimumstandaard voor het verwerken van reinigbaar straalgrit is fysisch-chemisch en/of thermisch reinigen gevolgd door recycling, binnen de kaders van het beleidskader.
De minimumstandaard voor het verwerken van niet-reinigbaar straalgrit is storten op een daarvoor geschikte stortplaats.
In de aanvraag is voor straalgrit de bewerking opslag en verpak overslag aangegeven gericht op recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes: 120116c* en 120117c. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is voor straalgrit tevens de bewerking ompakken, sorteren aangegeven gericht op recycling. Deze bewerkingsmethode staat een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes 120116c* en 120117c.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor straalgrit ook de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding en energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn niet conform de minimumstandaard van het sectorplan. In de vergunning is voorschrift 3.7.21 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 120116c* en 120117c.
De minimumstandaard voor het verwerken van A- en B-hout is 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
Recycling van gewolmaniseerd hout (CC en CCA) is niet toegestaan, met uitzondering van gebruik van CCA-hout, voorzover dit kan op grond van het de REACH verordening
Niet-gewolmaniseerd C-hout
In de aanvraag is voor hout de bewerking opslag en verpak overslag aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode: 070204*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is voor hout ook de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding en energieterugwinning. Deze be- en verwerking geldt binnen IGA voor A-, B- en C-hout. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. In de vergunning is voorschrift 3.7.22 hieromtrent opgenomen Het toepassen van gewolmaniseerd C-hout t.b.v. verbranden als vorm van verwijdering is alleen toegestaan wanneer de ontstane reststoffen (assen) worden gestort. Gezien het feit dat binnen IGA de activiteit verbranden van C-hout niet plaatsvindt, staat het vergunnen van deze activiteit niet in de weg. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 030104c*, 030105c, 150103, 170204*; 191206c*; 191207c, 200137c* en 200138c.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor hout met euralcodes 030301; 150103; 170201c, 191206c*; 191207c, 200137c* en 200138c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden
De minimumstandaard voor het verwerken van asbest of asbesthoudende afvalstoffen die vallen onder de reikwijdte van dit sectorplan is storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Het vernietigen van asbestvezels door thermische of chemische technieken is eveneens toegestaan. Nadat de asbestvezels zijn vernietigd valt het materiaal niet meer onder dit sectorplan.
Ook het verwijderen van de asbestvezels uit asbesthoudend steenachtig materiaal tot beneden de restconcentratienorm, de concentratie voor serpentijnasbest vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, van 100 milligram per kilogram droge stof is toegestaan.
Het nuttig toepassen van asbest of asbesthoudende afvalstoffen is vanwege de aard en gevaarseigenschappen niet toegestaan ook niet in combinatie met immobilisatie. Uitgezonderd van dit verbod zijn vormen waarbij tijdens de nuttige toepassing alle asbestvezels worden vernietigd.
In de aanvraag is voor asbest en asbesthoudende afvalstoffen de bewerking opslag en verpakken aangegeven gericht op storten. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 060701*, 160111*, 170601* en 170605*. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor asbest en asbesthoudende afvalstoffen met euralcodes 061304* en 101309* de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden
De minimumstandaard voor het verwerken van gescheiden ingezameld vlakglas is recycling.
In de aanvraag is voor gescheiden ingezameld vlakglas de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 170202*; 170204* en 200102. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor gescheiden ingezameld vlakglas de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding. Voor de verwerking kiest IGA niet voor recycling, maar voor verbranding. Laatstgenoemde is niet conform de minimumstandaard van het LAP. In de vergunning is voorschrift 3.7.23 opgenomen dat gescheiden ingezameld vlakglas conform de minimumstandaard van het LAP moet worden be- en verwerkt. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode: 191205
Waar in deze paragraaf wordt gesproken van 'recycling volgens de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied' is ook de inzet van grond bij het produceren van een bouwstof toegestaan, voorzover dit past binnen de kaders van paragraaf 18.4.3 van het beleidskader.
De minimumstandaard voor het verwerken van grond is recycling volgens de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied en binnen de kaders van het beleidskader. Reiniging of immobilisatie voorafgaand aan recycling is toegestaan, met als restrictie dat geen grond mag worden gemengd ten behoeve van immobilisatie danwel direct mag worden geïmmobiliseerd wanneer die één van de in bijlage B, tabel 1 van de Regeling bodemkwaliteit genoemde organische verontreinigingen bevat in een hoeveelheid van meer dan 120% van de referentiewaarde 'Industrie'.
Indien met een verklaring van niet-reinigbaarheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu is aangetoond dat de grond niet tot minimaal de bodemkwaliteitsklasse industrie gereinigd kan worden en daarmee niet voor recycling geschikt is en niet door koude immobilisatie geschikt kan worden gemaakt voor recycling, mag de grond worden gestort op een daarvoor geschikte stortplaats.
De minimumstandaard voor het verwerken van PCB-houdende grond en dioxinehoudende grond is thermisch reinigen, waarbij de PCB's respectievelijk de dioxines worden vernietigd of onomkeerbaar worden omgezet. Na de thermische behandeling moet de grond worden gerecycled volgens de normen die zijn vastgelegd voor het toepassingsgebied. Voor partijen PCB-houdende of dioxinehoudende grond die door de gehalten en/of de aard van de aanwezige verontreinigingen niet geschikt zijn voor acceptatie door een thermische reinigingsinstallatie omdat er geen voor recycling geschikte grond uit kan ontstaan, is de minimumstandaard thermische behandeling waarbij de PCB's of dioxines worden vernietigd of onomkeerbaar worden omgezet gevolgd door storten van het residu.
De minimumstandaard voor het verwerken van asbesthoudende grond is het vernietigen van de asbestvezels danwel het verwijderen van de asbestvezels tot beneden een restconcentratie van 100 milligram per kilogram droge stof, berekend als de concentratie serpentijnasbest vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest. Hierna moet de grond worden gerecycled volgens de normen die zijn vastgelegd voor het toepassingsgebied. De afgescheiden asbestfractie/asbestslibfractie moet worden verwerkt conform sectorplan 37, asbest en asbesthoudende afvalstoffen.
De minimumstandaard voor het verwerken van kwikhoudend grond met een gehalte aan kwik van meer dan 50 mg/kg droge stof is afscheiden en concentreren van kwik en zodanige verwerking dat verspreiding in het milieu wordt voorkomen. Na ontkwikken mag de behandelde grond een gehalte aan kwik bevatten van ten hoogste 50 mg/kg droge stof.
of
Voor kwikhoudende grond met een gehalte aan kwik van ten hoogste 50 mg/kg droge stof geldt de minimumstandaard als bedoeld onder 'IIa Algemeen' van deze paragraaf. Voor partijen waarvoor deze minimumstandaard niet mogelijk is, is de minimumstandaard storten op een daarvoor geschikte stortplaats.
In de aanvraag is voor verontreinigde grond de bewerking opslag en overslag aangegeven gericht op recycling. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 170503c* en 170504c. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is voor verontreinigde grond de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP, de minimumstandaard van dit sectorplan en voor het verwerken van grond geschied volgens de normen die zijn vastgelegd voor het betreffende toepassingsgebied. In de vergunning is voorschrift 3.7.24 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 170503c*; 170504c; 191301c*; 191302c en 200202.
Voor de verwerking kiest IGA niet voor recycling, maar voor verbranding of energieterugwinning. Dit is toegestaan mits de be- en verwerking ervan leidt tot vernietiging danwel verwijdering van de desbetreffende verontreiniging. Hierna moet de grond worden gerecycled volgens de normen die zijn vastgelegd voor het toepassingsgebied.
Het LAP kent geen minimumstandaard voor de verwerking van baggerspecie. De voorwaarden voor nuttige toepassing van baggerspecie zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Daarnaast dient in vergunningen te worden opgenomen dat baggerspecie met een hoog gehalte aan zand niet mag worden gestort.
In de aanvraag is verder voor baggerspecie met euralcode 170505c* de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
In de aanvraag is verder voor baggerspecie de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. In de vergunning is voorschrift 3.7.25 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 170505c* en 170506c.
De minimumstandaard voor de verwerking van verpakkingsafval is recycling.
Voor papieren verpakkingsafval waarvoor recycling niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het nat of sterk is vervuild, is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
Voor kunststof verpakkingsafval waarvoor recycling niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het te sterk is verontreinigd of is verkleefd met andere materialen, is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
Voor houten verpakkingsafval waarvoor recycling niet mogelijk is, bijvoorbeeld omdat het te sterk is verontreinigd, is verbonden met andere materialen of omdat het sterk is beschadigd of verouderd, is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
In de aanvraag is voor verpakkingen algemeen de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op recycling, verbranding of energieterugwinning. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 150101, 150102, 150103 en 150106. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend
In de aanvraag is voor verpakkingen algemeen tevens de bewerking ompakken, sorteren aangegeven gericht op energieterugwinning of recycling. Deze bewerkingsmethode staat een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcode 150104.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor verpakkingen algemeen de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. In de vergunning is voorschrift 3.7.26 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 150101, 150102, 150103, 150105, 150106, 150107 en 150109.
De minimumstandaard voor het verwerken van verpakkingen van verf, lijm, kit of hars is het verwerken in een cryogene installatie gevolgd door 'andere nuttige toepassing' van de kunststoffractie en de verfsludge (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof), en terugwinning van de metaalfractie ten behoeve van recycling.
In afwijking van het voorgaande is de minimumstandaard voor spuitbussen recycling van de metalen. De recycling van spuitbussen mag ook plaatsvinden door het ten behoeve van recycling terugwinnen van de metaalfractie uit de reststoffen van een afvalverbrandingsinstallatie.
In de aanvraag is voor verpakkingen van verf, lijm, kit of hars met euralcodes 080111c*; 080112c; 080117c*; 080118c; 080121*; 150110*; 200127c* en 200128c de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op afvalscheidingsinstallatie of energieterugwinning. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend In de aanvraag is voor verpakkingen van verf, lijm, kit of hars tevens de bewerking ompakken, sorteren aangegeven gericht op energieterugwinning of afvalscheidingsinstallatie. Deze bewerkingsmethode staat een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcode 150110*.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
De minimumstandaard voor het verwerken van verpakkingen met overige gevaarlijke stoffen is verbranden als vorm van verwijdering.
In de aanvraag is voor verpakkingen van overige gevaarlijke stoffen de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 150110*, 200127c en 200128c. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is ook voor verpakkingen van overige gevaarlijke stoffen met de volgende euralcodes 150110* en 200128c de bewerking sorteren en ompakken aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor verpakkingen van overige gevaarlijke stoffen de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. In de vergunning is voorschrift 3.7.27 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 150110*, 200127C* en 200128c.
De minimumstandaard voor het verwerken van gasflessen en overige drukhouders is 'andere nuttige toepassing'.
De minimumstandaard voor het verwerken van brandbare en gevaarlijke gassen is verwijderen door verbranding.
De minimumstandaard voor het verwerken van niet-brandbare en niet-gevaarlijke gassen (lucht, zuurstof, stikstof, koolzuurgas en edelgassen zoals helium) is aflaten in de atmosfeer.
In de aanvraag is voor gasflessen en overige drukhouders de bewerking opslag en verpakt overslag aangegeven gericht op afvalscheidingsinstallatie of verbranding. Uit de aanvullende gegevens van 29 mei 2015 geeft IGA aan dat afvalstoffen met euralcodes 150111* en 160504c* worden geaccepteerd mits deze ADR-vrij (lege drukhouders) zijn aangeleverd. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor gasflessen en overige drukhouders met euralcode 160505c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van brandblussers met een inhoud van maximaal 1 kg is verwijderen door verbranden.
De minimumstandaard voor het verwerken van brandblussers met een inhoud groter dan 1 kg is recycling van de lege brandblusser.
De minimumstandaard voor het verwerken van blusmiddel is recycling. Indien recycling van het blusmiddel niet mogelijk is, is de minimumstandaard voor:
In de aanvraag is voor brandblussers de bewerking opslag en verpakt overslag aangegeven gericht op verbranding. Uit de aanvullende gegevens van 29 mei 2015 geeft IGA aan dat afvalstoffen met euralcode 160504c* worden geaccepteerd mits deze ADR-vrij zijn aangeleverd. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor brandblussers met euralcode 160505c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van LPG-tanks is recycling van zowel de LPG-resten als de tank.
Indien mogelijk moeten LPG-tanks na keuring weer worden ingezet voor hun oorspronkelijke doel (voorbereiding voor hergebruik). De aanwezigheid van het ECE-keurmerk is mede bepalend bij het beoordelen of een tank voor inzet voor haar oorspronkelijke doel in aanmerking komt. Zonodig kan de tank bij twijfel een herkeuring ondergaan. Wanneer inzet voor haar oorspronkelijke doel niet mogelijk is, is recycling (in het algemeen in de vorm van inzet van het metaal als secundaire grondstof) toegestaan.
In de aanvraag is verder voor LPG-tanks met euralcode 160116 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van wrakken van auto's of tweewielige motorvoertuigen is demontage volgens de voorschriften van het Activiteitenbesluit.
Voor gedemonteerde onderdelen en afgetapte vloeistoffen gelden de minimumstandaarden die in andere sectorplannen in dit LAP zijn opgenomen.
Het resterende wrak moet worden verwerkt volgens de voorschriften van het Activiteitenbesluit.
In de aanvraag is verder voor autowrakken met euralcodes 160104* en 160106 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van banden is recycling.
Voor de banden die
- niet voor recycling geschikt zijn,
of
- waarvoor de recyclingsroute zo duur is dat de kosten voor afgifte door de producent/ontdoener meer zouden bedragen dan € 175,- per ton,
is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof)
In de aanvraag is ook voor autobanden met euralcode 160103 de bewerking sorteren en ompakken aangegeven gericht op recycling. Voor het uitsluitend ompakken en sorteren van autobanden kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
De minimumstandaard voor het verwerken van oliefilters is recycling van de metalen en verbranden van de olie en restfracties. De recycling van de metalen mag ook plaatsvinden door het ten behoeve van recycling terugwinnen van de metaalfractie uit de reststoffen van een installatie waarin de oliefractie wordt ingezet als brandstof (waaronder R1-AVI's).
In de aanvraag is voor oliefilters met euralcode 150202c* de bewerkingsroute op- en overslag aangegeven gericht op recycling. Voor de uitsluitend opslag en overslag van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is voor oliefilters met euralcodes 150202c* en 160107* de bewerking uitsluitend ompakken en sorteren aangegeven gericht op recycling. Voor de uitsluitend ompakken en sorteren staat vergunningverlening van oliefilters niet in de weg.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
De minimumstandaard voor het verwerken van afgewerkte olie is regenereren tot basisolie.
Voorbehandelen van afgewerkte olie, zoals bezinken, afromen, (koud) centrifugeren voor verwijdering van water en sediment, kan worden vergund - ook aan partijen die niet zelf regenereren - mits dit de verwerking volgens de minimumstandaard niet frustreert.
Wanneer na aanbieding van partijen afgewerkte olie voor regeneratie blijkt dat, naar het oordeel van exploitant van de regeneratie-installatie, voor bepaalde partijen of in specifieke perioden regeneratie tot basisolie vanwege technische redenen of vanuit economisch perspectief niet haalbaar is, mag de afgewerkte olie worden opgewerkt ten behoeve van toepassing de vorm van hoofdgebruik als brandstof binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of in een omgevingsvergunning waarin waarborgen voor mens en milieu kunnen worden vastgelegd.
Het voorgaande betekent ook dat verwerken van afgewerkte olie tot brandstoffen voor motoren van voer- en vaartuigen niet is toegestaan. Hiertoe worden in vergunningen van verwerkers van afgewerkte olie zonodig sturingsvoorschriften opgenomen om afzet als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen of andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen te voorkomen.
In afwijking van de algemene uitgangspunten van het LAP worden geen verwerkingsvormen vergund waarvan met LCA technieken is aangetoond dat deze gelijkwaardig zijn aan het regenereren tot basisolie.
Regelmatig toetst de Minister van IenM of de exploitant van de regeneratie-installatie voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen structurele technische of economische belemmeringen zijn voor het regenereren tot basisolie. Aan deze voorwaarde is in ieder geval voldaan wanneer de exploitant aantoont in de beoordelingsperiode ten minste 75% (m/m) van de verwerkte afgewerkte olie als basisolie te hebben afgezet bij producenten van smeerolie. In beginsel vindt deze toets jaarlijks plaats over het dan verstreken jaar. Tevens dient de exploitant voor dat deel dat niet is gegenereerd aannemelijk te maken dat dit in die specifieke gevallen technisch of economisch niet haalbaar was, waarom en op welke termijn naar verwachting wel weer aan deze voorwaarde zal worden voldaan.
Wanneer ervaringen met eerdere toetsen of signalen uit de markt daar aanleiding toe geven kan de minister echter zowel de frequentie van toetsen als de te hanteren beoordelingsperiode verlengen danwel bekorten.
- na één of meerdere toetsen bij de Minister de overtuiging ontbreekt dat aan deze voorwaarde is voldaan, dan beziet de Minister of een planwijzigingsprocedure moet worden gestart om de minimumstandaard te wijzigen in 'andere nuttige toepassing' en zo ook alle vormen van hoofdgebruik als brandstof vergunbaar te maken. Zie voor dit laatste ook de toelichting bij dit sectorplan.
Op basis van signalen uit de markt kan de Minister onderzoeken of de kosten voor ontdoeners zich redelijkerwijs verhouden tot de kosten voor andere vormen van nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan kan de Minister ook bezien of een planwijzigingsprocedure moet worden gestart om de minimumstandaard te wijzigen in 'andere nuttige toepassing' en zo ook alle vormen van hoofdgebruik als brandstof vergunbaar te maken. Zie voor dit laatste ook de toelichting bij dit sectorplan.
In de aanvraag is voor afgewerkte olie met euralcodes 120110*, 130109*, 130110*, 130111*, 130112*, 130113*, 130204*, 130205*, 130206*, 130207*, 130208*, 130306*, 130307*, 130308*, 130309*, 130310* en 200126* de bewerking uitsluitend op- en overslag aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Voor de uitsluitend opslag en overslag van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
De minimumstandaard voor het verwerken van halogeenhoudende afgewerkte olie is nuttige toepassing met hoofdgebruik als brandstof binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of in een omgevingsvergunning waarin waarborgen voor mens en milieu kunnen worden vastgelegd. Deze minimumstandaard betekent dat verbranden met terugwinning van chloor door gespecialiseerde bedrijven eveneens is toegestaan.
Het voorgaande betekent dat verwerken van halogeenhoudende afgewerkte olie tot brandstoffen voor motoren van voer- en vaartuigen niet is toegestaan. Hiertoe worden in vergunningen van verwerkers van halogeenhoudende afgewerkte olie zo nodig sturingsvoorschriften opgenomen om afzet als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen of andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen te voorkomen.
In de aanvraag is voor halogeenhoudende afgewerkte olie met euralcodes 130109*, 130111*, 130113*; 130204*; 130206*, 130208*, 130306*, 130308*, 130310* en 200126* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op energieterugwinning. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning kan worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor halogeenhoudende afgewerkte olie de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. Daarnaast is het niet toegestaan deze afvalstoffen af te zetten als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen. In de vergunning is sturingsvoorschrift 3.7.28, lid 1 en 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 130109*, 130111*, 130113*; 130204*; 130206*, 130208*, 130306*, 130308*, 130310* en 200126*.
De minimumstandaard voor het verwerken van ow-mengsels en ows-mengsels is scheiden in een oliefractie en een waterfractie respectievelijk in een oliefractie, een slib/zand-fractie en een waterfractie.
De minimumstandaard voor het verwerken van de oliefractie die resteert na scheiding van owmengsels en ows-mengsels is 'andere nuttige toepassing' met als beperking dat hoofdgebruik als brandstof alleen is toegestaan binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of in een omgevingsvergunning waarin waarborgen voor mens en milieu kunnen worden vastgelegd. Het voorgaande betekent dat verwerken van oliefractie die resteert na scheiding van ow-mengsels en ows-mengsels tot brandstoffen voor motoren van voeren vaartuigen niet is toegestaan. Hiertoe worden in vergunningen van verwerkers van (de oliefractie die resteert na scheiding van) ow-mengsels en ows-mengsels zonodig sturingsvoorschriften opgenomen om afzet als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen of andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen te voorkomen.
De minimumstandaard voor het verwerken van de zand- en/of slibfractie die resteert na scheiding van ows-mengsels en van overige oliehoudende slibben is reinigen in een thermische grondreinigingsinstallatie gericht op inzet als grond. Verbranden als vorm van verwijdering van de zand- en/of slibfractie in een afvalverbrandingsinstallatie of het nuttig toepassen van de zanden/of slibfractie voor hoofdgebruik als brandstof of toeslagstof, bijvoorbeeld in cementovens, is eveneens toegestaan.
De minimumstandaard voor het verwerken van de waterfractie die ontstaat na bewerking van ow-mengsels en ows-mengsels is zuivering gevolgd door lozing.
In de aanvraag is voor olie/water/slib mengsels en oliehoudende slibben met euralcodes 050102*, 050103*, 120118*, 130501*, 130502*, 130503*, 130506*, 130507*, 130508*, 130801*, 160708c*, 190207* en 190810* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op energieterugwinning. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is ook voor olie/water/slib mengsels en oliehoudende slibben de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. Daarnaast is het niet toegestaan deze afvalstoffen af te zetten als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen. In de vergunning is sturingsvoorschrift 3.7.28, lid 1 en 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes:
050102*, 050103*, 120118*, 130501*, 130502*, 130503*, 130506*, 130507*, 130508*, 130801*, 130802*, 160708c* en 190810*.
In de aanvraag is verder voor olie/water/slib mengsels en oliehoudende slibben de bewerking olie/waterscheiding en overige AWZI aangegeven gericht op eigen afvalscheidingsinstallatie en afvalzuivering gevolgd door lozing. Bij IGA ondergaat dit afval een fysisch-chemische behandeling waarbij verbindingen en mengsel die ontstaan na de bewerking worden verwijderd. De residuen na scheiding mogen niet tot brandstoffen voor motoren van voer- en vaartuigen buiten de inrichting worden afgezet. Een sturingsvoorschrift 3.7.28, lid 1 is in deze vergunning opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 130502*, 130503*, 130506*, 130507*, 130508*, 160708c* en 190810*.
De minimumstandaard voor het verwerken van olierestanten en vloeibare brandstofrestanten is 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
Specifiek voor olierestanten niet zijnde vloeibare brandstofrestanten geldt hierbij als beperking dat hoofdgebruik als brandstof alleen is toegestaan binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of in een omgevingsvergunning waarin waarborgen voor mens en milieu kunnen worden vastgelegd. Het voorgaande betekent dat verwerken van olierestanten niet zijnde vloeibare brandstofrestanten tot brandstoffen voor motoren van voer- en vaartuigen niet is toegestaan. Hiertoe worden in vergunningen van verwerkers van olierestanten niet zijnde vloeibare brandstofrestanten zonodig sturingsvoorschriften opgenomen om afzet als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen of andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen te voorkomen.
In de aanvraag is voor vloeibare brandstof- en olierestanten met euralcodes 050105*, 120106*, 120107*, 120110*, 120119*, 130701*, 130702*, 130703*; 190207* en 200126* de bewerking open overslag aangegeven gericht op energieterugwinning. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is ook voor vloeibare brandstof- en olierestanten de bewerking olie/waterscheiding aangegeven gericht op eigen afvalzuivering gevolgd door lozing. Bij IGA ondergaat dit afval een fysisch-chemische behandeling waarbij verbindingen en mengsel die ontstaan na de bewerking worden verwijderd. De residuen mogen niet als brandstoffen voor motoren van voer- en vaartuigen buiten de inrichting worden afgezet. Een sturingsvoorschrift 3.7.28, lid 1 is in deze vergunning opgenomen. Het gaat hierbij om het afvalstof met de euralcode: 200126*.
In de aanvraag is verder voor vloeibare brandstof- en olierestanten de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. Daarnaast is het niet toegestaan deze afvalstoffen af te zetten als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen. In de vergunning is sturingsvoorschrift 3.7.28, lid 1 en 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 050105*, 120106*, 120107*, 120110*, 120119*, 130701*, 130702*, 130703*; 190207* en 200126*.
De minimumstandaard voor het verwerken van de volgende afvalstoffen:
In de aanvraag is voor oliehoudende boorspoeling en boorgruis met euralcode 010505* de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor de verwerking van boor-, snij, slijp- en walsolie is scheiden van de olie- en de waterfractie. De minimumstandaard voor de verwerking van vrijkomende de oliefractie is 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof of als reductiemiddel in de hoogovens). Hoofdgebruik als brandstof is alleen toegestaan binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of daarop gebaseerde vergunningen. Het voorgaande betekent dat verwerken van boor-, snij, slijp- en walsolie tot brandstoffen voor motoren van voer- en vaartuigen niet is toegestaan. Hiertoe worden in vergunningen van verwerkers van boor-, snij, slijp- en walsolie zo nodig sturingsvoorschriften opgenomen om afzet als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen of andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen te voorkomen.
In alle gevallen is de minimumstandaard voor de waterfractie die ontstaat na verwerking van boor-, snij, slijp- en walsolie lozen na zuivering.
In de aanvraag is voor boor-, snij-, slijp- en walsolie met euralcodes 120106*, 120107*, 120108*, 120109*, 120110*, 120118* en 120119* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op energieterugwinning. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor boor-, snij-, slijp- en walsolie met euralcodes 130104* en 130105* de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
In de aanvraag is ook voor boor-, snij-, slijp- en walsolie de bewerking mengen aangegeven gericht op afvalscheidingsinstallatie, verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. Daarnaast is het niet toegestaan deze afvalstoffen af te zetten als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen of andere mobiele toepassingen. In de vergunning is sturingsvoorschrift 3.7.28, lid 1 en 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 120108*, 120109*, 120118* en 120119*.
De minimumstandaard voor het verwerken van metaalafvalstoffen met aanhangende olie of emulsie, met uitzondering van fijn metaalbewerkingsafval, is scheiden van metaal en de olie of emulsie. De scheiding van het metaal en de olie of emulsie kan plaatsvinden door deze metaalafvalstoffen minimaal 48 uur te laten uitlekken en de olie of emulsie apart op te vangen. Een andere mogelijkheid is centrifugeren.
De afgescheiden olie of emulsie moet worden verwerkt conform de minimumstandaard voor oliehoudende afvalstoffen
Voor het verwerken van de resterende metalen geldt de minimumstandaard voor metalen
De minimumstandaard voor fijn metaalbewerkingsafval is recycling.
In de aanvraag is verder voor metalen met aanhangende olie of emulsie met euralcode 170409c* de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van overig oliehoudend afval is verwijderen door verbranden.
Voorzover er sprake is van nuttige toepassing van overig oliehoudend afval geldt als beperking dat hoofdgebruik als brandstof alleen is toegestaan binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of in een omgevingsvergunning waarin waarborgen voor mens en milieu kunnen worden vastgelegd. Het voorgaande betekent dat verwerken van overig oliehoudend afval tot brandstoffen voor motoren van voer- en vaartuigen niet is toegestaan. Hiertoe worden in vergunningen van verwerkers van overig oliehoudend afval zo nodig sturingsvoorschriften opgenomen om afzet als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen of andere mobiele toepassingen of vormen van inzet buiten inrichtingen te voorkomen.
In de aanvraag is voor overig oliehoudend afval met euralcodes 050102* en 190207* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is ook voor overig oliehoudend afval de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. Daarnaast is het niet toegestaan deze afvalstoffen af te zetten als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen. In de vergunning is sturingsvoorschrift 3.7.28, lid 1 en 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 050102*, 050104*, 050106*, 050111*, 050112*, 100211*, 100327c*, 100409c*, 100508c*, 100609c*, 100707c*, 100819c*, 130104*, 130105*, 130899* en 190207*.
De minimumstandaard voor het verwerken van PCB-houdende apparaten is aftappen en spoelen van de apparaten. Na het aftappen en spoelen moet het PCB-gehalte van de in het apparaat aanwezige vloeistof lager zijn dan 0,5 mg/kg PCB's per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180 betrokken op het vulmiddel. Hierna vallen deze apparaten als afvalstof niet langer onder dit sectorplan maar onder andere delen van het LAP.
De minimumstandaard voor het verwerken van PCB-houdende olie en overige PCB-houdende afvalstoffen is verwijderen door verbranden. Hierbij moet verzekerd zijn dat de PCB's worden vernietigd of onomkeerbaar worden omgezet.
In de aanvraag is voor PCB-houdende afvalstoffen met euralcodes 130101*, 130301*, 160109*, 160209* en 160210* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op verbranding. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is ook voor PCB-houdende afvalstoffen de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. Daarnaast is het niet toegestaan deze afvalstoffen te verwerken als het PCB-gehalte meer dan 0.5 mg/kg PCB's per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180 bedraagt. In de vergunning is voorschrift 3.7.29, lid 1 en 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 130101*, 130301*, 160109*, 160209* en 160210*.
De minimumstandaard voor het verwerken van gasontladingslampen is recycling van onderdelen, materialen en stoffen. Hierbij moet minimaal 80 procent van het gewicht van de lampen worden gerecycled.
Het kwik in de gasontladingslampen, moet worden afgescheiden, geconcentreerd en zodanig verwerkt dat verspreiding in het milieu wordt voorkomen. Dit afgescheiden kwik valt verder onder sectorplan 82.
De minimumstandaard voor het verwerken van voor recycling geschikt fluorescentiepoeder is recycling van ten minste de aanwezige aardmetalen. Voorbereiding voor hergebruik is toegestaan voorzover hergebruik past binnen geldende wet- en regelgeving.
Voor niet voor recycling geschikt fluorescentiepoeder geldt:
In de aanvraag is voor gasontladingslampen en fluorescentiepoeder met euralcodes 060315c*, 060404c* en 200121* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op recycling. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is ook voor gasontladingslampen en fluorescentiepoeder met de volgende euralcodes: 060404c* en 200121* de bewerking sorteren en ompakken aangegeven gericht op recycling.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor gasontladingslampen en fluorescentiepoeder met euralcode 060316c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
Een halogeenarm oplosmiddel is regenereerbaar, indien:
a de hoeveelheidsgrens van 1000 liter per afgifte wordt overschreden; en
b het oplosmiddel minimaal 60% destillaat oplevert; en
d de prijs van destillatie voor de ontdoener niet hoger is dan € 175,- per ton
Voor halogeenarme oplosmiddelen die niet aan één van de drie onder a, b en c genoemde criteria voldoen, bestaat geen verplichting om te toetsen aan criterium d. De oplosmiddelen die wel aan deze drie criteria voldoen zijn potentieel destilleerbaar.
De minimumstandaard voor het verwerken van regenereerbare halogeenarme oplosmiddelen is destilleren met het oog op recycling. Verbranding in de vorm van hoofdgebruik als brandstof van halogeenarme oplosmiddelen die aan de onder a, b, c en d genoemde criteria voldoen, is uitsluitend toegestaan mits:
De minimumstandaard voor het verwerken van niet-regenereerbare halogeenarme oplosmiddelen is verbranden in de vorm van hoofdgebruik als brandstof binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of in een omgevingsvergunning waarin waarborgen voor mens en milieu kunnen worden vastgelegd. Het voorgaande betekent dat verwerken van niet-regenereerbare halogeenarme oplosmiddelen tot of in brandstoffen voor motoren van voer- en vaartuigen niet is toegestaan. Hiertoe worden in vergunningen van verwerkers van niet-regenereerbare halogeenarme oplosmiddelen zonodig sturingsvoorschriften opgenomen om afzet als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen of andere mobiele toepassingen of inzet buiten inrichtingen te voorkomen.
In de aanvraag is voor halogeenarme oplosmiddelen en glycolen met euralcodes 070104*, 070204*, 070304*, 070404*, 070504*, 070604*, 070704*, 080111c*, 080409c*, 140603*, 160114c* en 200113* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op verbranding. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is ook voor halogeenarme oplosmiddelen en glycolen met de volgende euralcode 080409c* de bewerking sorteren en ompakken aangegeven gericht op verbranding of afvalscheidingsinstallatie.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor halogeenarme oplosmiddelen en glycolen met euralcode 160115c de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
In de aanvraag is vervolgens voor halogeenarme oplosmiddelen en glycolen de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. Daarnaast is het niet toegestaan deze afvalstoffen af te zetten als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen. In de vergunning is sturingsvoorschrift 3.7.28, lid 1 en 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 070104*, 070204*, 070304*, 070404*, 070504*, 070604*, 070704*, 080111c*, 080409c*, 140603*, 160114c* en 200113*.
In de aanvraag is tevens voor halogeenarme oplosmiddelen en glycolen met euralcode 070104* de bewerkingsroute overige AWZI aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Laatstgenoemde is niet conform de minimumstandaard van het LAP. In de vergunning is voorschrift 3.7.30 opgenomen dat het verwerken van halogeenarme oplosmiddelen en glycolen op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie niet is toegestaan.
De minimumstandaard voor het verwerken van halogeenhoudende oplosmiddelen is verwijderen door verbranden.
Nuttige toepassing met hoofdgebruik als brandstof is uitsluitend toegestaan binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of in een omgevingsvergunning waarin waarborgen voor mens en milieu kunnen worden vastgelegd. Het voorgaande betekent dat verwerken van halogeenhoudende oplosmiddelen tot of in brandstoffen voor motoren van voer- en vaartuigen niet is toegestaan. Hiertoe worden in vergunningen van verwerkers van halogeenhoudende oplosmiddelen zonodig sturingsvoorschriften opgenomen om afzet als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen of andere mobiele toepassingen of inzet buiten inrichtingen te voorkomen.
In de aanvraag is voor halogeenhoudende oplosmiddelen met euralcodes 070103*, 070703*, 080111c*, 080409c* en 200113* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op verbranding. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is ook voor halogeenhoudende oplosmiddelen met de volgende euralcode 080409c* de bewerking sorteren en ompakken aangegeven gericht op verbranding of afvalscheidingsinstallatie.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is vervolgens voor halogeenhoudende oplosmiddelen de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. Daarnaast is het niet toegestaan deze afvalstoffen af te zetten als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen. In de vergunning is voorschrift 3.7.28, lid 1 en 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 070103*, 070203*, 070303*, 070403*, 070503*, 070603*, 070703*, 080111c*, 080409c*, 140602* en 200113*.
In de aanvraag is tevens voor halogeenhoudende oplosmiddelen met euralcodes 070103*, 070203*, 070303*, 070403*, 070503*, 070603* en 070703* de bewerkingsroute overige AWZI aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Laatstgenoemde is niet conform de minimumstandaard van het LAP. In de vergunning is voorschrift 3.7.30 opgenomen dat het verwerken van halogeenarme oplosmiddelen en glycolen op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie niet is toegestaan..
De minimumstandaard voor het verwerken van destillatieresidu is verbranden als vorm van verwijdering. Opwerken tot secundaire brandstoffen wordt alleen vergund wanneer sturingsvoorschriften worden opgenomen om afzet als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen of andere mobiele toepassingen of inzet buiten inrichtingen te voorkomen en zo zeker te stellen dat hoofdgebruik als brandstof alleen kan plaatsvinden binnen inrichtingen waarin emissiebeperking is gereguleerd in specifieke regelgeving en/of in een omgevingsvergunning waarin waarborgen voor mens en milieu kunnen worden vastgelegd.
In de aanvraag is voor destillatieresidu met euralcodes 070107*, 070108*, 070207*, 070208*, 070407*, 070408*, 070507*, 070508*, 070607*, 070608*, 070707* en 070708* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op verbranding. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is ook voor destillatieresidu de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP. Daarnaast is het niet toegestaan deze afvalstoffen af te zetten als brandstof voor motoren van voer- en vaartuigen. In de vergunning is voorschrift 3.7.28, lid 1 en 2 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de volgende euralcodes: 070107*, 070108*, 070207*, 070208*, 070307*, 070308*, 070407*, 070408*, 070507*, 070508*, 070607*, 070608*, 070707* en 070708*.
De minimumstandaard voor het verwerken van CFK's , HCFK's en halonen, is 'vernietigen' volgens de in Bijlage VII bij de Verordening (EG) 1005/2009 goedgekeurde (verplichte!) technieken.
De minimumstandaard voor het verwerken van HFK's, PFK en SF6 is 'vernietigen' zoals gedefinieerd in Verordening (EG) 517/2014 artikel 2: het proces waarbij het gefluoreerde broeikasgas in zijn geheel of grotendeels definitief wordt omgezet of ontleed in één of meer stabiele stoffen die geen gefluoreerde broeikasgassen zijn .
Indien een verwerker meer dan 1 metrische ton in een kalenderjaar vernietigt, dan dient hij hierover te rapporteren aan de Europese commissie (zie artikel 19 lid 2 van VO (EG) 517/2014).
In de aanvraag is voor CFK's, HCFK's, HFK's en halonen met euralcodes 140601* en 160504c* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op verbranding. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is ook voor CFK's, HCFK's, HFK's en halonen de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en de minimumstandaard voor het verwerking ervan. In de vergunning is voorschrift 3.7.31 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode 140601*.
De minimumstandaard voor het verwerken van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur is recycling van onderdelen of materialen. Voor bij demontage vrijkomende delen, materialen, stoffen of onderdelen die niet als onderdeel of materiaal kunnen worden gerecycled is de minimumstandaard 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof). Voor fracties die niet nuttig toegepast kunnen worden, is de minimumstandaard verbranden als vorm van verwijdering. Deze fracties mogen worden gestort indien verbranden als vorm van verwijdering niet mogelijk is.
De verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur moet voldoen aan het gestelde in artikel 11 van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur.
Voor fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur geldt, voorzover van toepassing, de minimumstandaard die is opgenomen in van toepassing zijnde sectorplannen. De belangrijkste hiervan staan hieronder (niet limitatief).
In de aanvraag is voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur met euralcodes 160211*, 160212*, 160213*, 160214, 160215*, 160216, 200123*, 200135* en 200136 de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op recycling. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is ook voor afgedankte elektrische en elektronische apparatuur met euralcodes 160211*, 160213*, 160214, 160215*, 160216, 200123*, 200135* en 200136 de bewerking sorteren en ompakken aangegeven gericht op recycling.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
De minimumstandaard voor het verwerken van zwavelzuur is nuttige toepassing van zwavel of zuur, waarbij tenminste 95% op gewichtsbasis van het zwavel of het zuur wordt gerecycled. De minimumstandaard voor het verwerken van zuurteer en overig zwavelhoudend afval is (terugwinnen ten behoeve van) recycling van ten minste de zwavel.
In de aanvraag is voor zwavelzuur, zuurteer en overig zwavelhoudend afval met euralcodes 100109*, 060101*, 060602c* en 060603c de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op recycling. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is ook voor zwavelzuur, zuurteer en overig zwavelhoudend afval met euralcode 100109* de bewerking sorteren en ompakken aangegeven gericht op recycling.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor zwavelzuur, zuurteer en overig zwavelhoudend afval met euralcodes 050107*, 050601*, 050116 en 050702 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
In de aanvraag is vervolgens voor zwavelzuur, zuurteer en overig zwavelhoudend afval de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en de minimumstandaard voor het verwerking ervan. In de vergunning is voorschrift 3.7.32 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode 191102*.
In de aanvraag is tevens voor zwavelzuur, zuurteer en overig zwavelhoudend afval met euralcodes 100109* en 060101* de bewerkingsroute overige AWZI aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Het betreft het inzetten van zwavelzuurhoudend afval ter vervanging van primaire grond- en hulpstoffen in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. In de vergunning is voorschrift 3.7.33 opgenomen dat het verwerken van zwavelhoudend afval met euralcodes 100109* en 060101* op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie alleen is toegestaan als het ter vervanging van grond- en hulpstoffen bedoeld is.
De minimumstandaard voor het verwerken van ijzerhoudende beitsbaden op basis van zoutzuur is nuttige toepassing van het ijzer, met als voorwaarde dat de aanwezige zware metalen worden geconcentreerd en afgescheiden zodat diffuse verspreiding daarvan wordt voorkomen.
Alleen voor partijen waarin de concentratiegrenswaarden die van onderstaand overzicht niet overschrijden, is als alternatief inzet in de waterzuivering - dus zonder afscheiden van zware metalen - toegestaan. Deze concentratiegrenswaarden mogen niet door mengen of verdunnen worden bereikt.
| Stof | Concentratiegrenswaarde |
|---|---|
| som: cadmium en kwik | 0,1 mg/l |
| cadmium | 0,1 mg/l in waterfractie |
| kwik | 0,01 mg/l in waterfractie |
| som metalen: arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink | 200 mg/l, waarvan 25 mg/l in de waterfractie |
Voor partijen die - bijvoorbeeld wegens omvang of te laag ijzergehalte - niet geschikt zijn voor nuttige toepassing is de minimumstandaard ontgiften, neutraliseren en ontwateren, waarbij zware metalen worden geconcentreerd en afgescheiden.
In de aanvraag is voor ijzerhoudend beitsbad op basis van zoutzuur met euralcode 110105* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op afvalwaterzuivering. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is tevens voor ijzerhoudend beitsbad op basis van zoutzuur met euralcode 110105* de bewerkingsroute overige AWZI aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Laatstgenoemde is alleen toegestaan voor partijen waarin de concentratiegrenswaarden die van bovenstaand overzicht niet overschrijden. In de vergunning is voorschrift 3.7.34 hierover opgenomen.
De minimumstandaard voor het verwerken van edelmetaalhoudende baden is terugwinning van edelmetalen, gevolgd door concentratie van de resterende metalen door ontgiften, neutraliseren en ontwateren. Voor partijen die - bijvoorbeeld wegens omvang of te laag edelmetaalgehalte - niet geschikt zijn voor edelmetaalterugwinning is de minimumstandaard concentratie van de resterende metalen door ontgiften, neutraliseren en ontwateren. Indien de concentraties van voorbewerkte baden lager zijn dan de samenstellingseisen van onderstaand overzicht kan aanvullende behandeling in een ONO-installatie achterwege blijven, indien de waterkwaliteitsbeheerder geen bezwaren heeft tegen verwerking in een waterzuiveringsinstallatie. De genoemde concentraties mogen niet door mengen of verdunnen worden bereikt.
| Stof | Concentratiegrenswaarde |
|---|---|
| Cadmium | 0,2 mg/l in de waterfractie |
| Zeswaardig chroom | 0,1 mg/l in de waterfractie |
| Som metalen: arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium, zink en ijzer | 25 mg/l in de waterfractie |
Voor partijen die - bijvoorbeeld wegens omvang of te laag edelmetaalgehalte - niet geschikt zijn voor edelmetaalterugwinning en die de concentratiegrenswaarden van onderstaand overzicht niet overschrijden, is als alternatief nuttige toepassing van de afvalzuren en afvallogen voor pHcorrectie in de waterzuivering toegestaan indien de waterkwaliteitsbeheerder geen bezwaren heeft tegen verwerking in een waterzuiveringsinstallatie. De genoemde concentraties mogen niet door mengen of verdunnen worden bereikt.
| Stof | Concentratiegrenswaarde |
|---|---|
| Som cadmium en kwik | 0,1 mg/l |
| Cadmium | 0,1 mg/l in waterfractie |
| Kwik | 0,01 mg/l in waterfractie |
| Som metalen: arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink | 200 mg/l, waarvan 25 mg/l in de waterfractie |
In de aanvraag is voor edelmetaalhoudende baden met euralcodes 060313c*, 110105*, 110106*, 110107*, 110113c* en 110114c de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op afvalwaterzuivering. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is tevens voor edelmetaalhoudende baden met euralcodes 060313c*, 110105*, 110106*, 110107*, 110113c* en 110114c de bewerkingsroute overige AWZI aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Laatstgenoemde is alleen toegestaan voor partijen waarin de concentratiegrenswaarden die van bovenstaand overzicht niet overschrijden. In de vergunning is voorschrift 3.7.35 hierover opgenomen.
De minimumstandaard voor het verwerken van metaalhoudende baden met organische verontreinigingen is verwijdering door verbranden. Verwerken middels ontgiften, neutraliseren en ontwateren is derhalve niet toegestaan omdat dit kan leiden tot verdunnen en lozen van de gehalogeneerde koolwaterstoffen.
Indien als voorbewerking de organische fractie wordt afgescheiden, moet deze fractie worden verbrand in een afvalverbrandingsinstallatie en moeten de metalen in de waterfractie worden geconcentreerd door ontgiften, neutraliseren en ontwateren.
Het is niet toegestaan de concentratiegrenswaarden uit het overzicht 'Concentratiegrenswaarden voor organische verontreinigingen en metalen' (paragraaf I) middels mengen of verdunnen te onderschrijden.
In de aanvraag is voor metaalhoudend afvalwater met organische verontreinigingen met euralcodes 110106*, 110111c*, 110112c, 110113c*, 110114c en 110198c* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is ook voor metaalhoudend afvalwater met organische verontreinigingen de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en de concentratiegrenswaarden uit het overzicht 'Concentratiegrenswaarden voor organische verontreinigingen en metalen' (paragraaf 1 van dit sectorplan) niet worden onderschreden. In de vergunning is voorschrift 3.7.36, lid a en b hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes 110106*, 110111c*, 110112c, 110113c* en 110114c.
In de aanvraag is verder voor metaalhoudend afvalwater met organische verontreinigingen met euralcodes 110106*, 110111c*, 110112c, 110113c* en 110114c de bewerkingsroute overige AWZI aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Bij IGA wordt gebruik gemaakt van een verdamper waarbij de verwerking van de residu via verbranding (extern) plaatsvindt en de condensaat via de afvalwaterzuivering (intern) geschied. Laatstgenoemde is alleen toegestaan als de metalen in de waterfractie worden geconcentreerd door ontgiften, neutraliseren en ontwateren. In de vergunning is voorschrift 3.7.36, lid c en d hierover opgenomen.
De minimumstandaard voor het verwerken van overige zuren, basen en metaalhoudend afvalwater waarin de concentraties van één of meer van in onderstaand overzicht genoemde verontreinigingen gelijk zijn aan de concentratiegrenswaarde of deze waarde overschrijden is ontgiften, neutraliseren en ontwateren, waarbij metalen worden geconcentreerd. Vormen van nuttige toepassing zijn uitsluitend toegestaan wanneer deze voorzien in het binden of concentreren van de metalen zodat diffuse verspreiding daarvan wordt voorkomen.
Baden met lagere metaalconcentraties dan vermeld in onderstaand overzicht mogen eveneens worden verwerkt door ontgiften, neutraliseren en ontwateren, maar kunnen ook in een waterzuiveringsinstallatie worden gezuiverd en vervolgens geloosd indien de betreffende waterkwaliteitsbeheerder daar geen bezwaar tegen heeft. Deze concentratiegrenswaarden mogen niet door mengen of verdunnen worden bereikt.
| Stof | Concentratiegrenswaarde |
|---|---|
| Cadmium | 0,2 mg/l in de waterfractie |
| Zeswaardig chroom | 0,1 mg/l in de waterfractie |
| Cyanide (vrij cyanide) | 1,0 mg/l in de waterfractie |
| Som metalen: arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium, zink en ijzer | 25 mg/l in de waterfractie |
Inzet in de afvalwaterzuiveringsinstallatie van ijzer- of aluminiumhoudende afvalwater ter vervanging van coagulant en inzet van afvalzuren en afvallogen voor pH-correctie is toegestaan voor baden waarvan de concentratiegrenswaarden die van onderstaand overzicht niet overschrijden. Deze concentratiegrenswaarden mogen niet door mengen of verdunnen worden bereikt.
| Stof | Concentratiegrenswaarde |
|---|---|
| Som cadmium en kwik | 0,1 mg/l |
| Cadmium | 0,1 mg/l in waterfractie |
| Kwik | 0,01 mg/l in waterfractie |
| Som metalen: arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink | 200 mg/l, waarvan 25 mg/l in de waterfractie |
In de aanvraag is voor overige zuren, basen en metaalhoudend afvalwater met euralcodes 060102*, 060103*, 060104*, 060105*, 060106*, 060203*, 060204*, 060205*, 060313c*, 060403*, 060405c*, 060704*, 110105*, 110106*, 110107*, 110111*, 110112c, 110113c*, 110114c, 160805*, 200114* en 200115* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op afvalwaterzuivering, verbranding of energieterugwinning. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is daarnaast voor overige zuren, basen en metaalhoudend afvalwater de bewerking mengen aangegeven gericht op afvalwaterzuivering, verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en de metaalconcentraties uit het overzicht 'maximale concentratiegrenswaarden voor afvoer naar een zuiveringsinstallatie' niet worden onderschreden. Deze concentratiegrenswaarden mogen niet door mengen of verdunnen worden bereikt. In de vergunning is voorschrift 3.7.37, lid a, b en c hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes 060105*, 060106*, 060203*, 060204*, 060205*, 060405c*, 110106*, 110107*, 110111*, 110112c, 160799c, 160805*, 200114* en 200115*
In de aanvraag is verder voor overige zuren, basen en metaalhoudend afvalwater met euralcodes 060104*, 060105*, 060106*, 060201*, 060204*, 060205*, 060313c*, 110105*, 110106*, 110107*, 110111*, 110112c, 110113c*, 200114* en 200115* de bewerkingsroute overige AWZI aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Bij IGA ondergaat dit afvalwater een fysisch-chemische behandeling waarbij verbindingen en mengsel die ontstaan na de bewerking worden verwijderd. Het afvalwater wordt vervolgens geloosd. Laatstgenoemde geldt alleen voor afvalwater waarbij de metaalconcentraties lager liggen dan de concentratiegrenswaarden voor afvoer naar een zuiveringsinstallatie. In de vergunning is voorschrift 3.7.37, lid b en c hieromtrent opgenomen
In de aanvraag is tevens voor overige zuren, basen en metaalhoudend afvalwater met euralcodes 010304c* en 040104 de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van waterig afval met specifieke verontreinigingen is vernietigen van de organische verontreinigingen door verbranding. Het storten van daarbij ontstane residuen is toegestaan wanneer door de samenstelling daarvan nuttige toepassing niet mogelijk is.
Verwerken middels ontgiften, neutraliseren en ontwateren is derhalve niet toegestaan omdat dit kan leiden tot verdunnen en lozen van de organische verontreinigingen.
Nuttige toepassing van waterig afval met specifieke verontreinigingen is niet toegestaan teneinde diffuse verspreiding van de aanwezige verontreinigingen te voorkomen. Uitzondering zijn gevallen waarbij de aanwezige verontreinigingen bij de nuttige toepassing worden vernietigd, bijvoorbeeld door verbranding.
Mengen van partijen waterig afval met specifieke verontreinigingen is uitsluitend toegestaan wanneer het mengsel vervolgens wordt verbrand of wanneer anderszins zeker is dat de aanwezige verontreinigingen worden vernietigd.
In de aanvraag is voor waterig afval met specifieke verontreinigingen met euralcodes 070101*, 070201*, 070401*, 070501*, 070601*, 070701*, 080115c*, 080116c, 080119c*, 080120c, 080202, 080203, 080307, 080308, 080413c*, 080414c, 080415c*, 080416c, 090113*, 100122c*, 100123c, 110111c*, 110112c, 110115c*, 120301*, 160709c*, 161001c*, 161002c, 161003c*, 161004c, 190106*, 190404, 191103*, 191307c* en 191308c. de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is daarnaast voor waterig afval met specifieke verontreinigingen de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en wanneer het mengsel vervolgens wordt verbrand of wanneer anderszins zeker is dat de aanwezige verontreinigingen worden vernietigd. In de vergunning is voorschrift 3.7.38 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes 070101*, 070201*, 070301*, 070401*, 070501*, 070601*, 070701*, 080115c*, 080116c, 080119c*, 080120c, 080202, 080203, 080307, 080308, 080413c*, 080414c, 080415c*, 080416c, 100122c*, 100123c, 110111c*, 110112c, 110115c*, 120301*, 160709c*, 161001c*, 161002c, 161003c*, 161004c, 190106*, 190404, 191103*, 191307c* en 191308c.
In de aanvraag is verder voor waterig afval met specifieke verontreinigingen met euralcodes 070101*, 070201*, 070301*, 070401*, 070501*, 070601*, 070701*, 080115c*, 080116c, 080119c*, 080120c, 080202, 080203, 080307, 080308, 080413c*, 080414c, 080415c*, 080416c, 100122c*, 100123c, 110111c*, 110112c, 110115c*, 120301*, 160709c*, 161001c*, 161002c, 161003c*, 161004c, 190106*, 190404, 191103*, 191307c* en 191308c de bewerkingsroute overige AWZI aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Bij IGA ondergaat dit afvalwater binnen de fysisch-chemische behandeling waarbij verbindingen en mengsel die ontstaan na de bewerking worden verwijderd. Afhankelijk van de vervuilingsgraad gaat dit afvalwater over de verdamper of het actief kool. Het residu hiervan wordt nadien verwerkt middels verbranding. Het afvalwater wordt vervolgens voordat het geloosd wordt eerst gemonitord om er zeker van te zijn dat het voldoet aan de opgelegde lozingseis van deze vergunning. In de vergunning is voorschrift 3.7.39 hieromtrent opgenomen.
De minimumstandaard voor het verwerken van ONO-filterkoek is storten, eventueel na koude immobilisatie, op een daarvoor geschikte stortplaats. Daarnaast is thermische verwerking waarbij de filterkoek voor nuttige toepassing geschikt wordt gemaakt toegestaan wanneer er geen te storten reststoffen resteren. Voorwaarde hierbij is wel dat de aanwezige zware metalen hierdoor niet worden verdund (ofwel niet worden verdeeld over een substantieel groter volume).
In de aanvraag is voor filterkoek van ontgiften/neutraliseren/ontwateren met euralcode 190205c* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op storten of energieterugwinning. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is daarnaast voor filterkoek van ontgiften/neutraliseren/ontwateren de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding of energieterugwinning. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en wanneer er geen te storten reststoffen resteren. In de vergunning is voorschrift 3.7.40 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes 190205c* en 190206c.
De minimumstandaard voor het verwerken van zwart-witfixeer, zwart-witontwikkelaar of mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte groter dan 50 mg/l is terugwinning van zilver tot een concentratie gelijk aan of lager dan 50 mg/l, waarna de vrijkomende restvloeistoffen
De minimumstandaard voor het verwerken van zwart-witfixeer, zwart-witontwikkelaar of mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte gelijk of lager dan 50 mg/l is
De minimumstandaard voor het verwerken van kleurfixeer, kleurontwikkelaar of mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte groter dan 100 mg/l is terugwinning van zilver tot een concentratie gelijk of lager dan 100 mg/l, waarna de vrijkomende restvloeistoffen
De minimumstandaard voor het verwerken van kleurfixeer, kleurontwikkelaar of mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte gelijk of lager dan 100 mg/l is
kleurfixeer en kleurontwikkelaar met een zilvergehalte groter dan 50 mg/l is terugwinning van zilver tot een concentratie gelijk of lager dan 50 mg/l, waarna de
vrijkomende restvloeistoffen
De minimumstandaard voor het verwerken van mengsels van zwart-witfixeer, zwartwitontwikkelaar, kleurfixeer en kleurontwikkelaar met een zilvergehalte gelijk of lager dan 50 mg/l is
In de aanvraag is voor ontwikkelaar en fixeer met euralcodes 090101*, 090102*, 090103*, 090104*, 090105*, 090113* en 200117* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op recycling. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is verder voor ontwikkelaar en fixeer met euralcodes 090101*, 090102*, 090103*, 090104*, 090105*, 090106*, 090113* en 200117* de bewerkingsroute overige AWZI aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Bij IGA ondergaat deze afvalstoffen een fysisch-chemische behandeling waarbij verbindingen en mengsel die ontstaan na de bewerking worden verwijderd door verdampen of drogen. Deze verwerkingsmethode is vergunbaar mits de vrijkomende concentraat bij verdamping wordt verbrand. In de vergunning is voorschrift 3.7.41 hieromtrent opgenomen
De minimumstandaard voor het verwerken van vast fotografisch afval is nuttige toepassing door zilverterugwinning.
De minimumstandaard voor het residu - dat een zilvergehalte moet hebben gelijk of lager dan 50 mg/kg droge stof - 'andere nuttige toepassing' (bijvoorbeeld hoofdgebruik als brandstof).
In de aanvraag is voor vast fotografisch afval met euralcodes 090106* en 090107* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op recycling. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
De minimumstandaard voor het verwerken van hardingszouten is storten op een daarvoor geschikte stortplaats, al dan niet na bewerking.
Het oplossen van hardingszouten in water, gevolgd door behandeling in een ONO-installatie, is niet toegestaan.
Nuttige toepassing van hardingszouten is niet toegestaan teneinde verspreiding van de aanwezige verontreiniging te voorkomen. Ook het mengen van hardingszouten met andere afvalstoffen of met hulpstoffen is niet toegestaan tenzij het gevormde mengsel wordt gestort op een daarvoor geschikte stortplaats. Uitgezonderd van dit verbod op nuttige toepassing is toepassing in van natuurlijke barrières voorziene ondergrondse bergplaatsen die moeten worden opgevuld (denk aan zoutcavernes in het buitenland).
In de aanvraag is voor hardingszouten met euralcodes 060311c*, 060313c* en 110301* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op storten. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is daarnaast voor hardingszouten de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding. Laatstgenoemde is niet conform de minimumstandaard van het sectorplan. In de vergunning is voorschrift 3.7.42 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcode 060311c*.
In de aanvraag is verder voor hardingszouten met euralcodes 060311c* en 060313c* de bewerkingsroute overige AWZI aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Bij IGA ondergaat deze afvalstoffen een fysisch-chemische behandeling waarbij verbindingen en mengsel die ontstaan na de bewerking worden verwijderd door verdampen of drogen. Deze verwerkingsmethode is niet toegestaan om verspreiding van de aanwezige verontreiniging te voorkomen. In de vergunning is voorschrift 3.7.42 hieromtrent opgenomen
Minimumstandaard voor verwerking
Voor alle vormen van kwikhoudend afval die hieronder aan de orde komen geldt dat
De minimumstandaard voor het verwerken van kwikhoudend afval met een gehalte aan kwik van meer dan 50 mg/kg droge stof is afscheiden en concentreren van kwik en zodanige verwerking dat verspreiding in het milieu wordt voorkomen. Na ontkwikken mag het behandelde afval een gehalte aan kwik bevatten van ten hoogste 50 mg/kg droge stof.
In afwijking van het voorgaande is voor brandbaar kwikhoudend afval met een kwikgehalte van ten hoogste 10 mg/kg droge stof met veel onbrandbare verontreinigingen waarbij verbranden leidt tot diffuse verspreiding hiervan of tot relatief grote belasting van actief kool in de rookgasreiniging de minimumstandaard storten op een daarvoor geschikte stortplaats. Ook hier is nuttige toepassing, al dan niet na immobilisatie, niet toegestaan om te voorkomen dat kwik diffuus wordt verspreid.
In afwijking van het voorgaande dient metallisch kwik dat vrijkomt bij het ontkwikken van kwikhoudend afval te worden verwerkt conform Verordening (EG) Nr. 1102/2008.
De opslag van metallisch kwik wordt in de omgevingsvergunning van de bedrijven waar het vrijkomt bij het ontkwikken van kwikhoudend afval beperkt tot maximaal 1 jaar. Hieraan wordt de verplichting verbonden het kwik vervolgens af te voeren naar een 'opslaglocatie voor metallisch kwik' als bedoeld in de Regeling acceptatie afvalstoffen op stortplaatsen danwel naar een tijdelijke of permanente opslag conform artikel 3, eerste lid, onder a, van de kwikverordening (Verordening (EG) nr. 1102/2008).
De minimumstandaard voor kwikhoudende voorwerpen is afscheiden en concentreren van kwik en zodanige verwerking dat verspreiding in het milieu wordt voorkomen.
In de aanvraag is voor kwikhoudend afval met euralcodes 050701*, 060404c*, 101401* en 170901c* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op storten, verbranding of afvalscheidinginstallatie. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
In de aanvraag is ook voor kwikhoudend afval met euralcodes 101401*, 160108*, 160603*, 170901c*, 180110* en 200121* de bewerking sorteren en ompakken aangegeven gericht op recycling, verbranding of afvalscheidingsinstallatie. Deze deelbewerking staat de verdere bewerking volgens de minimumstandaard niet in de weg.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
In de aanvraag is daarnaast voor kwikhoudend afval de bewerking mengen aangegeven gericht op verbranding. Deze mengactiviteiten zijn vergunbaar, mits deze niet in strijd zijn met de uitgangspunten genoemd in hoofdstuk 18 van het beleidskader van het LAP en betrekking hebben op brandbaar kwikhoudend afval met een kwikgehalte van te hoogste 10 mg/kg droge stof. In de vergunning is voorschrift 3.7.43 hieromtrent opgenomen. Het gaat hierbij om afvalstoffen met de euralcodes 060404c* en 101401*.
In de aanvraag is tevens voor kwikhoudend afval met euralcode 160603* de bewerkingsroute binnen IGA nog niet vastgesteld. In de vergunning zijn voorschriften 3.7.1 en 3.7.2 opgenomen dat voorafgaand aan de bewerking van afvalstoffen zonder bewerkingsroute eerst schriftelijke goedkeuring van het bevoegd gezag nodig is en dat de afgifteroute conform de minimumstandaard van het LAP moet geschieden.
De minimumstandaard voor het verwerken van arseensulfideslib en arseensulfide-filterkoek is storten op een daarvoor geschikte stortplaats.
Verbranden (als verwijdering danwel in de vorm van inzet als brandstof) van arseensulfideslib en arseensulfide-filterkoek is alleen toegestaan wanneer de daarbij ontstane reststoffen worden gestort op een daarvoor geschikte stortplaats. Verbranden in een installatie waarvan de reststoffen nuttig worden toegepast is niet toegestaan om verspreiding van Arseen te voorkomen.
Andere nuttige toepassing (niet zijnde inzet als brandstof) en recycling van arseensulfideslib en arseensulfide-filterkoek zijn niet toegestaan teneinde verspreiding van Arseen te voorkomen, tenzij dit niet leidt tot verspreiding van Arseen (ook niet in geïmmobiliseerde vorm).
Ook het mengen van arseensulfideslib en arseensulfide-filterkoek met andere afvalstoffen of met hulpstoffen (zoals mengen met cement ten behoeve van recycling) is niet toegestaan tenzij dit niet leidt tot verspreiding van Arseen (zoals bij mengen met cement voorafgaand aan storten of menghandelingen voorafgaand aan inzet als opvulmateriaal in mijnen in het buitenland).
In de aanvraag is voor arseensulfideslib en arseensulfide-filterkoek met euralcodes 010101 en 060403c* de bewerking op- en overslag aangegeven gericht op storten. Voor het uitsluitend opslaan en overslaan van hierboven vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend.
De aangevraagde be-/verwerkingsmethode omvat niet de volledige minimumstandaard maar is een onderdeel daarvan. Aangezien de aangevraagde be-/verwerkingsmethode een verdere verwerking overeenkomstig de minimumstandaard niet in de weg staat, wordt de activiteit als doelmatig aangemerkt.
Afvalstoffen dienen na het ontstaan zoveel als mogelijk gescheiden te worden gehouden van andere afvalstoffen. Verder is het ongewenst wanneer er in afval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmengen ongecontroleerd in het milieu verspreid raken.
Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter gezamenlijk worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare (verschillende) afvalstoffen alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen wordt mengen genoemd.
Mengen is niet toegestaan tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning.
Op grond van artikel 10.54 a, eerste lid van de Wet milieubeer is het verboden gevaarlijke afvalstoffen te mengen, met andere bij ministeriële regeling (Activiteitenregeling) aangewezen categorieën gevaarlijke afvalstoffen of met andere bij ministeriële regeling (Activiteitenregeling) aangewezen afvalstoffen, stoffen of materialen.
Bepalingen over het (niet) mengen en gescheiden houden van gevaarlijke afvalstoffen zijn opgenomen in artikel 10.54 a, eerste lid van de Wet milieubeer.
Artikel 18 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen bepaalt dat elke vorm van afvalbewerking, dus ook een menghandeling met gevaarlijke afvalstoffen geregeld moet worden. Dit artikel is in de Wet milieubeheer geïmplementeerd via artikel 10.54 a. In artikel 10.54 a wordt verwezen naar een ministeriële regeling. Het betreft in dit geval de Activiteitenregeling milieubeheer. De tabel met categorieën van afvalstoffen, zoals opgenomen in deze regeling, is dezelfde als de tabel in bijlage 5 van het LAP. Bevoegd gezag kan in de omgevingsvergunning toestaan dat in afwijking van het in artikel 10.54 a gestelde verbod, bepaalde genoemde gevaarlijke afvalstoffen toch gemengd mogen worden.
Op basis van het gestelde in de aanvraag hebben wij de doelmatigheid van het mengen van de volgende afvalstromen als doelmatig beoordeeld:
Er dient in ieder geval te worden gesteld dat het mengen geen nadelige consequenties heeft voor het milieu en de volksgezondheid.
Er gelden de volgende algemene uitgangspunten:
In de behandeling worden onderscheiden de voorbehandelingstappen en de gemeenschappelijke stappen via Flotatie Flocculatie Unit (FFU), bioloog en verdamper. Afhankelijk van de belasting moeten één of meer voorbehandelingstappen worden doorlopen om te kunnen voldoen aan de ingangscriteria voor de biologie. In eerste instantie is de te volgen route (met name de te volgen voorbehandelingstappen) de resultante van de acceptatietoetsing op het laboratorium. Hier worden de verwijderingsrendementen bepaald op de gesimuleerde verwerkingsstappen.
De acceptant stelt de route vast zodanig dat de criteria volgens het Overzicht acceptatie analyses en -criteria behaald worden. Deze zijn op hun beurt de weerslag van landelijk verwerkingsbeleid. Daarnaast houdt de acceptant naast de negatieve lijsten rekening met minimumstandaarden die in enkele gevallen ook voor waterige afvalstoffen gelden (o.a. Fga). In dat geval moet de verwerkingsroute voldoen aan de randvoorwaarden van de minimumstandaard voor verwerking van reststoffen en verwijdering van bepaalde componenten vóór de biologie.
In aanvulling op het gestelde in de aanvraag hebben wij aan deze vergunning ter zake nader voorschriften in paragraaf 3.7 van deze vergunning verbonden.
Het betreft qua aard en samenstelling vrijwel identieke stoffen. Het gemengd verwerken van de afvalstoffen heeft geen negatieve invloed op het proces en de eindverwerking (niet binnen de inrichting) van de afgescheiden fracties. Het mengen van de geaccepteerde afvalstoffen in stortputten kan dan ook toegestaan worden.
Het mengen van de geaccepteerde afvalstoffen (in stortputten) vormt geen belemmering voor het be-/ verwerken van de betreffende afvalstoffen volgens een techniek die tenminste even hoogwaardig is als de minimumstandaard. De vergunning kan, mits niet in strijd met de uitgangspunten van hoofdstuk 18 van het LAP, worden verleend.
In het LAP is aangegeven dat een inrichting dat afvalstoffen accepteert over een adequaat acceptatie- en verwerkingsbeleid (AV-beleid) en een systeem voor administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) moet beschikken. In het AV-beleid moet zijn aangegeven op welke wijze binnen de inrichting acceptatie en verwerking van afvalstoffen plaatsvinden In de AO/IC is vastgelegd hoe door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een inrichting kunnen worden beheerst en geborgd om de risico's binnen de bedrijfsvoering te minimaliseren. Het op deze wijze transparant maken van de processen binnen een inrichting, geeft het bevoegd gezag handvatten om een adequaat oordeel te kunnen geven over de beheersing van de milieurisico's.
Bij de aanvraag is een beschrijving van het AV-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven AV-beleid en de AO/IC voldoet aan de randvoorwaarden zoals die in het LAP zijn beschreven. Op basis van het gestelde in de aanvraag kunnen wij met dit AV-beleid en de AO/IC instemmen.
Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan het bevoegd gezag worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.
De aanvrager verkrijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Dergelijke inrichtingen vallen onder het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen tevens registratieverplichtingen op te nemen (art. 5.8 Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van o.a. de aangevoerde, de afgevoerde en de geweigerde (afval-)stoffen opgenomen.
Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
De hoofdactiviteiten van IGA bestaan uit het opslaan, sorteren, ompakken en bewerken (scheiden, mengen en opbulken) van bij derden ingezamelde en intern vrijkomende gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen en producten. Daarnaast worden in de inrichting wegtransportmiddelen, spoorwagons, (tank)-containers, emballage en installaties of onderdelen gereinigd. Waterige afvalstoffen, afkomstig van derden en uit de eigen processen worden verwerkt in de interne afvalwaterzuiveringsinstallatie ofwel gereed gemaakt voor afvoer naar een extern verwerker.
Met betrekking tot een inrichting van waaruit bedrijfsafvalwater wordt gebracht in een openbaar riool van waaruit afvalwater in een zuiveringtechnisch werk wordt gebracht, worden naast andere voorschriften die met het oog daarop nodig zijn, in ieder geval voorschriften verbonden inhoudende dat bedrijfsafvalwater slechts in een openbaar riool wordt gebracht, indien door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan:
Bij IGA worden diverse afvalwaterstromen onderscheiden. Naast diverse interne stromen zijn er in totaal vier externe lozingspunten te weten:
1a - indirecte lozing: waterschap Scheldestromen;
1b - directe lozing: secundaire lozingsoptie naar Westerschelde;
2 - directe lozing: water vanuit vijver naar de Westerschelde;
3 - directe lozing: hemelwater daken naar ringsloot.
Het sanitair afvalwater betreft ca. 1.500 m 3 /jaar en is afkomstig van het kantoorgebouw, toiletblokken AWZI en het WTT. Het afvalwater wordt ingevoerd in de biologische zuivering.
Betreft het regenwater van daken exclusief het regenwater afkomstig van het dak van het kantoor. Lozing op de ringsloot.
Het hemelwater schoon is afkomstig van parkings met omliggende verharding en het dak van het kantoor. Het betreft ca. 15.000 m 3 /jaar en wordt afgevoerd naar de vijver. Hierin komen tevens het stoomcondensaat, opvulwater compartimenten en regeneraatvloeistof ontharding samen. Hemelwater afkomstig van de tank-plaats komt eveneens uit op het afvoerstelsel naar de vijver, vooraf wordt deze stroom geleid over een olie/water-afscheider.
Het hemelwater schoon wordt op de Westbuitenhaven geloosd. Een deel wordt hergebruikt in de AWZI.
Dit afvalwater is afkomstig van het terrein aan de achterzijde AWZl, Cleaning en WTT. Het betreft een hoeveelheid van ca. 13.000 m 3 /jaar. De verontreiniging in het water wordt voornamelijk veroorzaakt door transport- en overslagactiviteiten. Het hemelwater vuil en schrobwater wordt via het hemelwater vuil rioolstelsel ingevoerd in de biologische zuivering.
Alle gebruikte chemicaliën op het laboratorium worden zoveel mogelijk apart verzameld en als gevaarlijk afval afgevoerd naar een erkende verwerker. Dit geldt ook voor het spoelwater waarin resten van deze chemicaliën kunnen voorkomen. Overig spoelwater wordt via het vuil hemelwater geloosd op de biologische zuivering. Het betreft een hoeveelheid van ca. 150 m 3 /jaar.
Dit betreft ca. 20.000 m 3 /jaar waswater afkomstig van het spoelen van tankauto's, railcars, compartimenten, emballage en equipment. Het waswater wordt, onderscheiden naar voorwas en hoofdwas, ingevoerd in één van de hoofdroutes vanaf de fysisch-chemische zuivering. Waswaters die op grond van de lijstaanpak niet in de AWZI mogen worden verwerkt, worden afgevoerd naar externe verwerking.
Dit betreft maximaal ca. 10.000 m 3 /jaar afvalwater afkomstig van het drainagesysteem onder de gehele inrichting. Afhankelijk van eventuele contaminatie wordt het onttrekkingsdebiet bepaald. De vervuilingsgraad bepaalt tevens of dit afvalwater naar de biologische zuivering gaat of dat het (indien schoon genoeg) naar de hemelwater-schoon-vijver kan.
Op de locatie van IGA wordt stoom gebruikt voor diverse verwarmingsdoeleinden waarbij stoomcondensaat vrijkomt. Het condensaat ca. 15.000 m 3 /jaar is schoon water zonder verontreinigingen dat geen nadere zuivering behoeft.
Een gedeelte van dit water wordt hergebruikt, de rest wordt als niet verontreinigd hemelwater rechtstreeks in de effluentkelder van de AWZI gebracht.
Na hergebruik wordt het hemelwater verzameld in de vijver en na analyse geloosd op het oppervlaktewater. Als er geen water wordt hergebruikt, dan wordt het stoomcondensaat verwerkt via de effluentkelder van de AWZI.
Het regeneraatvloeistof is afkomstig van het ontharden van leidingwater ten behoeve van de cleaning. Het betreft een hoeveelheid van ca. 1.500 m 3 /jaar, voornamelijk calcium houdend water dat via de bestaande hemelwaterafvoerleidingen in de hemelwater schoon vijver wordt afgevoerd.
Incidenteel worden ontgaste en gepurgde gascompartimenten op verzoek van de klant nog na behandeld door opvullen met water dat daarna wordt afgelaten. Het betreft compartimenten waarin ethyleenoxyde is vervoerd. Dit proceswater voldoet op zichzelf aan de criteria voor directe lozing van hemelwater schoon. Het is doelmatig dit onbelaste proceswater rechtstreeks via het hemelwater schoon verzamelstelsel naar de vijver te lozen.
Voor het koelen van de verdamperlichamen wordt gebruik gemaakt van een recirculerend koelwatersysteem waarin een koeltoren is opgenomen. Omdat een deel van het koelwater verdampt, wordt er water aan het systeem gesuppleerd. Het spui wordt ingebracht in de fysischchemische zuivering, deels na gebruik als vloeistofringwater in de vacuümpompen.
Dit betreft ca. 500 m 3 /jaar afvalwater afkomstig van luchtbehandeling scrubbers. Het water wordt ingebracht in de fysisch-chemische zuivering.
Dit betreft ca. 10.000 m 3 /jaar afvalwater afkomstig van externe locaties. Het water wordt ingebracht in de fysisch chemische zuivering. Wordt per tankwagen of verpakt (IBC's) aangeleverd.
Dit betreft ca. 100 m 3 /jaar geconditioneerd afvalwater/afvalstoffen afkomstig van het WTT opslagdepot. Het water wordt ingebracht in de fysisch chemische zuivering.
Dit betreft ca. 10 m 3 /jaar afvalwater dat afgevoerd dient te worden bij een eventuele calamiteit . Het water wordt ingebracht in de fysisch chemische zuivering.
Dit betreft ca. 2.000 m 3 /jaar afvalwater dat wordt verkregen door actieve lokale bemaling van het grondwater (grondwatersanering). Het water wordt ingebracht in de fysisch chemische zuivering. Hier is een debietmeter aanwezig welke dagelijks wordt geregistreerd.
In de afdeling Cleaning bevinden zich 5 wasstraten voor het reinigen van spoorwagons,
wegtransportmiddelen, onderdelen en apparaten uit de procesindustrie. Eén wasstraat is bestemd voor reinigen van emballage en industriële apparatuur.
De wasstraten voor reinigen van transportmiddelen zijn overdekt en aan de in- en uitrij zijden afsluitbaar.
De vloeren zijn vloeistofdicht en voorzien van afvoergoten en putten. De waswaters worden afzonderlijk naar de buffertanks gepompt welke zijn gekoppeld met de verdere verwerkingsroutes. Eventueel vrijkomende vluchtige of geurgevoelige stoffen worden afgezogen en behandeld in de aanwezige natte gaswasser. In de wasstraten worden incidenteel ook afvalstoffen of andere (rest)producten overgeslagen en/of omgepakt.
De beoordeling, uitvoering en registratie van producten en reinigingen is volledig geautomatiseerd. In geval van een nog niet geregistreerd product wordt vóór aanvang van iedere reiniging op basis van de door de transporteur overlegde productgegevens, aan de hand van een algemene beoordelingsmatrix (ATCNstoffenbestand) het wasprogramma, keuze wasstraat en route van opslag en verwerking van waswaters vastgesteld, en geregistreerd.
In een viertal wasstraten vindt zowel inwendige als beperkt uitwendige reiniging plaats van tankwagens en emballages. Daarnaast heeft IGA twee aparte wasstraten voor de reiniging van tankwagons, wagens, verpakkingen en equipment.
Voorafgaand aan de reiniging wordt de restlading intern afgevoerd en geregistreerd overeenkomstig het A&V beleid voor afvalstoffen.
Voordat tankwagens, overige transportmiddelen en tankwagons gereinigd kunnen worden, wordt een wasprogramma geselecteerd. Het gekozen wasprogramma is afhankelijk van welk product er in het transportmiddel heeft gezeten en deze combinatie ligt vast in een database. Met het wasprogramma wordt tevens de afvoerroute van het spoelwater opgegeven. Een wasprogramma bestaat uit de volgende stappen:
De voorwas duurt circa 2 - 5 minuten. Het spoelwater wordt via het gotenstelsel of directe aansluiting en de verzamelput naar de bestemmingstank gepompt;
De hoofdwas duurt circa 10 - 90 minuten. Het spoelwater wordt via het gotenstelsel of directe aansluiting en de verzamelput naar de bestemmingstank gepompt. Aan het einde van het wasprogramma wordt de spoelwater opvangput leeggepompt, zodat de wasstraat gereed is voor de volgende reiniging. Het verbruik van het spoelwater is per wasprogramma anders en varieert van 200 tot 3.000 liter.
De vrijkomende spoelwaters en reststoffen worden verwerkt in de aanwezige afvalwaterzuiveringsinstallatie en/of afgevoerd naar de afdeling Depot.
In de afdeling AWZI worden waterige afvalstoffen waaronder slibs en sludges verwerkt met als doel afvalwater optimaal te scheiden van overige restfracties (vast en vloeibaar), en de waterfractie vervolgens fysisch-chemisch en biologisch zodanig te zuiveren dat het uitgaande water geschikt is voor lozing en/of hergebruik.
Het biologisch gereinigd water wordt na behandeld in membraanfilter waar eventueel aanwezige vaste bestanddelen worden verwijderd. Indien gewenst kan het biologisch gezuiverde water ook na-behandeld worden in een drietrapsvacuümverdamper.
De AWZI omvat:
Over de hoofdroute van de zuiveringsinstallatie worden alle stromen (evt. na voorbehandeling) behandeld voordat ze worden geloosd. De hoofdroute bestaat achtereenvolgens uit een fysischchemische(FC)-voorbehandeling via een FFU(Flocculation Floatation Unit) en een behandeling met een membraan bioreactor (MBR).
In de fysisch-chemische zuivering van afvalwater uit de fysisch chemische buffertank worden door toevoeging van hulpchemicaliën alle zwevende bestanddelen en een deel van het opgelost anorganisch en organisch materiaal verwijderd door middel van een coagulatie- en een flocculatieproces.
De biologische zuiveringsinstallatie van IGA is gebaseerd op de belucht-slibmethode ook wel de actiefslib-methode genoemd. Het principe van deze zuivering berust op het beluchten van afvalwater waaraan slib-vlokken zijn toegevoegd. De biologische zuivering berust op het principe van aerobe afbraak of oxidatie van biodegradeerbare organische belasting en nitrificatie van het aanwezig ammonium.
Er is een aantoonbare relatie tussen de te gebruiken hulpstoffen / reinigingsmiddelen die nietionogene detergenten bevatten en de hoeveelheid schuim die gevormd kan worden op de zuiveringstechnische voorziening, in deze de rwzi Terneuzen, waardoor de doelmatige werking van deze voorziening in het geding komt. Om die reden is voorschrift 4.6.1 opgenomen.
Het slibgehalte in de biologische zuiveringsinstallatie wordt gestuurd door de MBR-installatie die via membranen het slib afscheidt en gezuiverd effluent produceert, welke richting het waterschap geloosd wordt via T-2330.
Als alternatief voor de membraanfilters kan de 3-traps effluentverdamper ingezet worden waarin het effluent onder vacuüm in drie achtereenvolgende stappen wordt ingedampt en het condensaat wordt geloosd.
Criteria voor het gebruik van de MBR/verdamper is: primair wordt gebruik gemaakt van de MBR. Gebruik van de primaire route is afhankelijk van de mogelijkheid afvalwater te kunnen verwerken in de rioolwaterzuiveringsinstallatie Terneuzen. Indien de primaire route niet (volledig) doorlopen kan worden kan gebruik worden gemaakt van de verdamper.
Het aldus gereinigde water wordt via de lozingskelder geloosd op de rioolwaterzuiveringsinstallatie Terneuzen van waterschap Scheldestromen.
De acceptatie en verwerking heeft direct effect op de lozing van het afvalwater.
De te verwerken afvalwaterstromen en de toetsing of deze afvalwaterstromen verwerkt kunnen worden in de zuiveringsinstallatie liggen vast in het 'Acceptatie en verwerkingsbeleid Indaver Gevaarlijk Afval'. Het uitgangspunt is een doelmatige verwerking.
Diverse situaties kunnen aanleiding zijn voor calamiteiten en/of onvoorziene gebeurtenissen binnen de inrichting waarbij verontreinigd afvalwater vrij kan komen en separaat van 'regulier' afvalwater dient te worden opgevangen ter verwerking. Voor de beheersing van voorkomende situaties zijn de onderstaande voorzieningen aanwezig:
De rioolwaterzuiveringsinstallatie Terneuzen is in beheer bij waterschap Scheldestromen. Ter bescherming van de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater worden door het waterschap eisen gesteld aan de kwaliteit van het door IGA te lozen effluent.
Bij de uitwerking van de effluenteisen zijn de normstelling, handhaafbaarheid en relevante genormeerde parameters als uitgangspunt gehanteerd. Er is gekeken welke parameters relevant zijn in combinatie met de zuiveringtechnische voorzieningen (overeenkomstig BBT). Bij het vaststellen van de hoogte van de lozingseisen is rekening gehouden met wat in de praktijk haalbaar is.
Verder is er vanwege de milieubezwaarlijkheid van een aantal van de stoffen die in het afvalwater voorkomen is er gebruik gemaakt van de Algemene Beoordelingssystematiek. Uit de resultaten hiervan is gebleken dat de reinigingsmiddelen een saneringsinspanningsverplichting categorie B hebben. Dit betekent dat de gemeten niet-ionogene detergenten zo ver mogelijk gereduceerd dienen te worden.
Sinds de aansluiting van IGA op de riolering met verwerking op de rwzi Terneuzen in januari 2012 zijn er op de rwzi problemen met schuimvorming. Deze schuimvorming belemmerd de doelmatige werking van de rwzi alsmede van de MBR-installatie van Evides.
Na uitgebreid onderzoek is gebleken dat de schuimvorming wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van detergenten in het afvalwater van IGA.
De oorsprong van detergenten in het effluent van tankreinigingsbedrijven is tweeërlei.
Enerzijds zijn detergenten aanwezig in de reinigingsmiddelen die ten behoeve van de tankreiniging aan het spoelwater worden toegevoegd. Anderzijds worden wagens gereinigd die detergenten als laatste lading gehad hebben. Vooral bij deze laatste categorie worden regelmatig zeer hoge detergentconcentraties in het effluent gemeten.
In een fysisch-chemische + biologische zuivering worden detergenten slechts beperkt afgebroken. Vooral de fractie niet-ionogene detergenten is moeilijk te verwijderen.
Een verwijderingspercentage geschat op 50-75 % voor de fractie niet-ionogene detergenten wordt haalbaar geacht. Dit is voldoende om een norm van 150 mg/l haalbaar te maken.
Ter bescherming van de doelmatige werking van het rioolstelstel en de rwzi is een norm gesteld aan onopgeloste bestanddelen.
Vaste bestanddelen zetten zich af en sedimenteren in het rioolstelsel met gevaar van dichtslibben van het riool. Op de rwzi worden vaste bestanddelen afgescheiden van het afvalwater door middel van voorbezinking, waarna een sliblaag overblijft die na ontwatering en indikken afgevoerd wordt naar een eindafwerker.
Bovendien hechten verontreinigende en schadelijke stoffen zich aan onopgeloste bestanddelen. De concentratie aan onopgeloste bestanddelen hangt samen met andere normen voor verontreinigende stoffen (die zich vaak aan onopgeloste bestanddelen binden).
Op basis van de uitgangspunten en toetsing in het A&V beleid wordt de effluentlozing van IGA via een persleiding op de rioolwaterzuiveringsinstallatie Terneuzen door het waterschap geaccepteerd onder het stellen van voorschriften 4.1.1 t/m 4.6.1 in deze vergunning.
De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen leiden tot een acceptabel lozingsniveau. Wij achten deze situatie daarom vergunbaar. Aan deze vergunning zijn de voorschriften 4.1.1 t/m 4.6.1 opgenomen.
Voor wat betreft het aspect bodembescherming valt IGA volledig onder het Activiteitenbesluit. In het kader van deze vergunning hoeft daarom geen nadere beoordeling plaats te vinden. Op grond van het Activiteitenbesluit moeten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico.
Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.
Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke cvm noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteiten vijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld .
Binnen de inrichting vinden de volgende bodembedreigende activiteiten plaats:
Afdeling 2.4 van het Activitieitenbesluit is van toepassing op inrichtingen type A, B of type C waartoe een IPPC-installatie behoort of een type C inrichting voor zover deze activiteiten verricht binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is. IGA is een type C inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. De bescherming van de bodem valt onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit en dient in overeenstemming te zijn met afdeling 2.4 van het besluit. Om deze reden zijn geen voorschriften opgenomen in deze vergunning ten aanzien van de bescherming van de bodem.
Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat nog niet voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.
Om het verwaarloosbaar bodemrisico te borgen, moet worden voldaan aan de artikelen uit het Activiteitenbesluit (Afdeling 2.4) en de Activiteitenregeling (Afdeling 2.4). In deze artikelen zijn onder andere voorschriften opgenomen die voorzien in de inspectie en het onderhoud van de bodembeschermende voorzieningen en in een adequate instructie en training van het personeel.
Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.
Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en) en een vergelijkbaar eindsituatieonderzoek na het beëindigen van de betreffende activiteit.
Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:
De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.
Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.
Voor IGA is in eerdere vergunningprocedure een indicatief bodemonderzoek van april 1990 met rapportnummer 3131165 uitgevoerd. Deze bodemonderzoeken geven ons overigens geen aanleiding tot het stellen van nadere maatregelen of eisen en beschouwen wij daarom als nulsituatie onderzoek. De activiteiten in de nu aangevraagde revisievergunning veranderen niet ten opzichte van de activiteiten bij het oprichten van IGA. De bodembedreigende stoffen waarmee gewerkt wordt blijven hetzelfde. Om deze redenen en het feit dat de inrichting al meer dan 20 jaar op dezelfde locatie haar activiteiten uitvoert achten wij het niet opportuun nu door middel van maatwerkvoorschriften een onderzoek naar de bodemkwaliteit voor te schrijven.
Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Dit is geregeld in artikel 2.11, afdeling 2.4 van het Activiteitenbesluit.
Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting. In het landelijke beleid zoals vastgelegd in de circulaire 'Energie in de milieuvergunning' worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m 3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit namelijk als energierelevant bestempeld. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een verantwoord zuinig energiegebruik te komen.
De aanvraag bevat echter geen energiebesparingsonderzoek. Ook kan niet met behulp van algemeen beschikbare maatregellijsten / informatiebladen / databanken voldoende worden vastgesteld welke rendabele energiebesparende maatregelen voor de inrichting gelden.
Aan de vergunning zijn daarom voorschriften verbonden waarin van de inrichting wordt verlangd dat het een energieplan opstelt met daarin opgenomen de te treffen energiebesparende maatregelen.
Bij IGA zijn als gevolg van de bedrijfsactiviteiten diverse gevaarlijke stoffen aanwezig. De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving.
Deze risico's worden voldoende afgedekt door het voldoen aan de van toepassing zijnde richtlijnen met betrekking tot de opslag van gevaarlijke stoffen, te weten de PGS 8, PGS 9, PGS 15, PGS 28, PGS30.
Met het in werking treden van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015) is de Europese Seveso II-richtlijn uit 1997 geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Het Brzo 2015 richt zich op het beheersen van zware ongevallen en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Dat gebeurt enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (proactie, preventie en preparatie) en anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval voor mens en milieu te beperken (repressie).
De aanvraag betreft een algehele revisievergunning voor de activiteiten binnen de inrichting IGA is actief in de milieudienstverlening voor particulieren, industrie, scheepvaart en overheden. De hoofdactiviteiten van IGA bestaan uit het opslaan, sorteren, ompakken en bewerken (scheiden, mengen en opbulken) van bij derden ingezamelde en intern vrijkomende gevaarlijke en nietgevaarlijke afvalstoffen en producten.
Daarnaast worden bij IGA wegtransportmiddelen, spoorwagons, (tank)-containers, emballage en installaties of onderdelen gereinigd. Waterige afvalstoffen afkomstig van derden en uit de eigen processen worden verwerkt in de interne afvalwaterzuiveringsinstallatie.
Als gevolg van de bedrijfsactiviteiten zijn binnen de inrichting van IGA gevaarlijke (afval)stoffen aanwezig. Bij de aanvraag is een kennisgeving in het kader van het Brzo 2015 gevoegd. Op grond van de aangevraagde hoeveelheid gevaarlijke (afval)stoffen die de lage drempelwaarde uit Bijlage 1 van het Brzo 2015 overschrijdt, is IGA PBZO-plichtig onder het Brzo 2015.
Met behulp van het instrument domino-effecten hebben wij onderzocht bij welke inrichtingen een verhoogde kans op een zwaar ongeval aanwezig is ten gevolge van de aanwezigheid van risicobepalende factoren bij de in de onmiddellijke nabijheid gelegen inrichtingen die ook onder het Brzo 1999 vallen. Deze bedrijven worden aangemerkt als een domino-bedrijf en moeten ingevolge artikel 7 van het Brzo 1999 worden aangewezen.
Op 12 december 2013 is IGA aangewezen als een domino-inrichting. In dat kader dient IGA rekening te houden met de aard en omvang van de risico's van een zwaar ongeval bij DOW Benelux B.V. Als gevolg van de aanwijzing dient IGA in haar beleid ter voorkoming van zware ongevallen (het PBZO-document) en het noodplan rekening te houden met de mogelijkheid van een domino-effect door of voor Dow Benelux B.V.
Onderwerpen die in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit zijn geregeld, mogen niet meer in de omgevingsvergunning worden geregeld. De regels uit hoofdstuk 3 zijn rechtstreeks van toepassing op de vergunningplichtige inrichting voor die activiteiten die in hoofdstuk 3 geregeld zijn. (zie voor overzicht van deze activiteiten/voorschriften elders in de considerans).
Het opslaan in ondergrondse opslagtanks van diesel en andere brandbare vloeistoffen wordt geregeld in paragraaf 3.4.2 van het Activiteitenbesluit. Voor de opslag van vloeibare brandstoffen in ondergrondse tanks zijn daarom geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.
De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen zoals vermeld in de aanvraag kunnen een risico vormen voor de omgeving. Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen.
Zoals in het NMP4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:
Het plaatsgebonden risico is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden.
De gehanteerde norm voor het plaatsgevonden risico in Nederland is in beginsel
10-6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken.
Het groepsrisico voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.
Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) in werking getreden. Hiermee zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Het besluit heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken.
Om dit doel te bereiken verplicht het besluit het bevoegd gezag afstand te houden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicovolle bedrijven. In het besluit wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico en groepsrisico.
Zoals eerder aangehaald, geeft het plaatsgebonden risico (PR) het risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Het groepsrisico (GR) betreft cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Op grond van artikel 2 lid 1, sub a van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, valt de inrichting onder de werkingssfeer van het besluit. Op de inrichting is namelijk het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing. De inrichting betreft een 'niet-categoriale inrichting'. Door het bedrijf is een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) uitgevoerd. De resultaten uit de QRA zijn door ons getoetst aan het Bevi.
Uit de bij de aanvraag gevoegde QRA blijkt dat er bij geen van de bedrijfsonderdelen/installaties valt te verwachten dat er letale effecten buiten de inrichting kunnen optreden.
In de QRA zijn de volgende installaties belicht:
In het rapport (hierna: de QRA) wordt beschreven dat het depot is ingericht als twee opslageenheden die ieder bestaan uit twee rijen naast elkaar gelegen opstelvakken van 10 x 10 meter, die via brandwerende tussenmuren en een centrale 'gang' van elkaar gescheiden zijn. De opslag voldoet volgens de aanvraag/QRA aan PGS 15.
Het KCA/CA depot wordt in de QRA gezien als buitenopslag. Er wordt gesteld dat bij grotendeels open opslagen, verbrandingsgassen nauwelijks zullen afkoelen en de (rook/warmte)pluim hierdoor verticaal gericht zal zijn. Door deze pluimstijging worden de toxische concentraties op leefniveau aanzienlijk verdund. Om die reden is het depot niet meegenomen in de QRA.
In de QRA wordt gesteld dat de in het tankenpark opgeslagen/aanwezige gevaarlijke stoffen in het geval van een calamiteit, geen letale effecten tot gevolg zullen hebben buiten de inrichtingsgrens. Als reden worden gegeven dat in een QRA alleen acuut toxische en brandbare stoffen worden meegenomen. De opgeslagen API's (Actieve Pharmaceutische Ingrediënten) zijn geen acuut toxische stoffen. Letale effecten als gevolg van het vrijkomen van deze stoffen kunnen daardoor (met een QRA) niet worden berekend. De overige in het tankenpark opgeslagen/aanwezige stoffen zijn beperkt brandbaar. Er worden om die reden geen letale effecten buiten de inrichting verwacht. Om die reden is het tankenpark niet opgenomen in de QRA.
In de QRA wordt beschreven dat de opslag van K1/K2 vloeistoffen plaatsvindt in twee ingeterpte tanks, met een inhoud van elk 60 m 3 . De maximale 1% letale afstand ontstaat bij een plasbrand. Deze afstand is volgens de QRA berekend op 50 meter afstand vanaf de tanks en ligt volledig binnen de inrichtingsgrens. Om die reden is de tankopslag K1/K2 vloeistoffen niet meegenomen in de QRA.
In de QRA wordt beschreven dat de wasstraten niet zijn meegenomen in de QRA aangezien de te reinigen objecten slechts verontreinigingen bevatten en in geval van een incident letale effecten niet tot buiten de inrichting zullen reiken.
In de QRA wordt beschreven dat in de destillatiekolommen per batch slechts kleine hoeveelheden gevaarlijke stoffen (enkele kilo's) aanwezig zijn. De verontreinigingen bestaan uit polyglycolen (brandbaarheidsklasse < K3) en API's. Er worden volgens de QRA geen letale effecten buiten de inrichting verwacht. Om die reden zijn de verdampers niet in de QRA opgenomen.
De opslag van grond- en hulpstoffen in opslagvoorzieningen (PGS 15) met een opslagcapaciteit < 10 ton per opslagvoorziening worden vanwege de beperkte omvang niet meegenomen in de QRA. Daarnaast is de opslag van grond- en hulpstoffen in (bovengrondse) tanks (zuurstof) in het rapport beoordeeld. In de QRA is aangegeven dat letale effecten door het (instantaan) falen van de 40 m3 zuurstoftank niet tot buiten de inrichtingsgrens zullen reiken.
Om bovenstaande redenen zijn er door IGA geen scenario's geselecteerd voor het uitvoeren van een QRA.
In het Bevi (Art. 4, lid 3 en lid 4) wordt gesteld dat, indien de aangevraagde situatie nadelige gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico, de grenswaarden bij de besluitvorming in acht moeten worden genomen en er rekening dient te worden gehouden met de richtwaarde.
Aangezien uit de QRA blijkt dat kan worden verondersteld dat er geen letale effecten buiten de inrichting kunnen optreden, is er ook geen sprake van een (iso)contour voor het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar die buiten de inrichting komt. Derhalve zijn er ook geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten binnen de (iso)contour gelegen. Daarmee wordt aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico voldaan.
Artikel 12 van het Bevi verplicht het bevoegd gezag om de situatie omtrent het groepsrisico rond de betreffende inrichting te verantwoorden indien er sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 4, derde lid van het Bevi. Omdat uit de bij de aanvraag gevoegde QRA blijkt dat er geen letale effecten buiten de inrichting zijn te verwachten als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen binnen de inrichting, is er ook geen sprake van groepsrisico. Verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet nodig.
Op 30 maart 2007 is het Registratiebesluit externe veiligheid in werking getreden. Dit besluit geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het besluit en de regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie. IGA valt onder de criteria van het Registratiebesluit en/of de Regeling; na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister geactualiseerd.
Bij IGA is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals die verwoord zijn in het Warenwetbesluit drukapparatuur. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Inspectie SZW is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.
In de arbowetgeving is het hebben van een noodplan geregeld. Op basis van artikel 2.5 c van het Arbobesluit is een bedrijf verplicht een noodplan te hebben. Op basis van dit artikel is het bedrijf ook verplicht o.a. hulpverleningsinstanties in te lichten over het noodplan indien gewenst door deze instanties (er moet dus zelf om gevraagd worden). In artikel 2.0 c van de arboregeling is geregeld wat er tenminste in het noodplan moet zijn opgenomen (verwezen wordt naar bijlage II van de regeling). Gezien het voorgaande worden ten aanzien van een (intern) bedrijfsnoodplan geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.
Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Een deel van deze PGS richtlijnen (onder andere PGS 15 (2011) en 30 (2011)) zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor (voorheen in de Regeling aanwijzing bbt-documenten). Uit de aanvraag blijkt dat de opslag /overslag voldoet aan deze PGS en daarmee voldoet aan BBT. In deze vergunning is vastgelegd dat aan de relevante onderdelen van de desbetreffende PGS moet worden voldaan.
Voor de opslag van organische peroxiden is de PGS 8 opgesteld. De opslag van organische peroxiden vindt plaats in een aparte kast overeenkomstig de PGS 8. Aangezien IGA ook de mogelijkheid wil hebben om organische peroxides op te slaan die gekoeld dienen te worden, is de opslagkast voorzien van een koeling. Uit de aanvraag blijkt dat de opslag voldoet aan deze PGS en daarmee voldoet aan BBT. In deze vergunning is vastgelegd aan welke relevante onderdelen van de PGS 8 moet worden voldaan.
In de ontwerpbeschikking is bij het opstellen van de voorschriften voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen de PGS 15: 2011 gehanteerd. In september 2016 daarentegen is de nieuwe PGS 15 gepubliceerd. Met deze nieuwe versie is een aantal jaren ervaring opgedaan en op basis van deze ervaring en de nieuwe stand der techniek, is de nieuwe PGS 15 gepubliceerd. De PGS 15:2016 is nog niet in bijlage 1 van het Mor aangewezen als BBT, terwijl deze versie actueler is en rekening houdt met de nieuwe inzichten. Om deze reden beschouwen we de PGS 15: 2016 als BBT en zullen we de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen van IGA hieraan toetsen.
Voor IGA heeft de PGS 15: 2016 geen gevolgen voor de aangevraagde opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Wel komen de nummering van de paragrafen van de hoofdstukken 3, 6, 8, 9 en 10, waar het bij IGA om gaat, niet meer overeen met elkaar. In deze vergunning is derhalve de verwijzing naar de desbetreffende voorschriften en paragrafen in de voorschriften 7.1.1 tot en met 7.2.1 aangepast aan de nieuwe PGS 15: 2016.
De aangepaste aspecten hebben hetzelfde doel waardoor een nieuwe ontwerpbeschikking niet nodig wordt geacht. In deze vergunning is vastgelegd aan welke relevante onderdelen van de PGS 15 (2016) moet worden voldaan.
Uit de aanvraag blijkt dat de opslag van K1/K2-vloeistoffen in de twee ingeterpte opslagtanks T6110 en T6120 plaatsvindt. In deze vergunning worden geen voorschriften opgenomen vanwege de directe werking van het Activiteitenbesluit in deze. De voorschriften van paragraaf 3.4.2 van het Activiteitenbesluit en bijbehorende Activiteitenregeling zijn hierop van toepassing.
Voor de opslag van corrosieve / bijtende gevaarlijke stoffen (ADR 8) is aansluiting gezocht bij het gestelde in hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit. In hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit wordt voor de opslag van onder andere stoffen van ADR klasse 8, verpakkingsgroepen II en III, zonder bijkomend gevaar, verwezen naar de PGS 30. In het kader van rechtsgelijkheid is in deze vergunning eveneens aangesloten bij de PGS 30 en is vastgelegd aan welke relevante onderdelen van de PGS 30 moet worden voldaan.
Voor de opslag van cryogene gassen, waaronder zuurstof en stikstof, is de PGS 9 opgesteld. Bij het opstellen van deze beschikking is aansluiting gezocht bij het gestelde in hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit. In hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit wordt voor de opslag van zuurstof in een bovengrondse opslagtank verwezen naar de PGS 9 en zijn tevens enkele aanvullende voorschriften gesteld. In deze vergunning is vastgelegd aan welke relevante onderdelen van de PGS 9 moet worden voldaan.
In de inrichting wordt maximaal 1000 liter petroleum opgeslagen in een enkelwandige bovengrondse tank. Deze tank is geplaatst boven een opvangbak. Voor de opslag van petroleum in bovengrondse tank van 1000 liter is PGS 30 van toepassing. In de voorschriften is opgenomen dat de opslag van petroleum moet voldoen aan de PGS 30.
Bij IGA worden waterige afvalstoffen in verticale bovengrondse tanks onverwarmd opgeslagen. Hieronder vallen afvalwaters die licht verontreinigd zijn met o.a. zuur, loog, slib, metaal, sludge, e.d.. Het zijn wel vloeistoffen die bijtend of giftig zijn. Doordat het niet om brandbare vloeistoffen gaat, is het moeilijk om aansluiting te zoeken bij de PGS 29. Alhoewel deze afvalwaters niet brandbaar zijn, zijn deze wel gevaarlijk van aard volgens de criteria van het ADR.
In het belang van de bescherming van het milieu zijn wij van mening dat voor deze tankinstallatie en bij behorende leidingen en appendages wel voorschriften in de vergunning moeten worden opgenomen. Het gaat hierbij om voorschriften voor o.a. de tankinstallatie, de reparatie, de keuringen en vervangen van de tanks. Wij hebben daarom aansluiting gezocht bij BRL-K903/08. Deze Beoordelingsrichtlijn is vastgesteld door het College van Deskundigen Tanks, tankinstallaties en Appendages, waarin belanghebbende partijen op het gebied van de Regeling Erkening Installateurs Tankinstallaties (REIT) zijn vertegenwoordigd. Hiermee wordt bereikt dat de risico's ten gevolge van de opslag van gevaarlijke stoffen in opslagtanks tot een aanvaardbaar niveau worden afgedekt. Dit stelt niet alleen eisen aan de installatie zelf, maar ook eisen aan het gebruik en het onderhoud. Het uitgangspunt is dat de veiligheid van de tankinstallatie te allen tijde moet zijn geborgd. In deze vergunning is vastgelegd aan welke relevante onderdelen van de BRL 903/08 moet worden voldaan.
Het Bouwbesluit 2012 regelt onder andere het brandveilig gebruik van bouwwerken, het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, het brandveilig opslaan van kleine hoeveelheden brand- en milieugevaarlijke stoffen en de aanwezigheid, controle en onderhoud van brandbestrijdingssystemen voor de hiervoor bedoelde situaties. Voor voornoemde situaties zijn daarom geen voorschriften in deze vergunning opgenomen.
Ten aanzien van de risico's als gevolg van de activiteiten zijn wij van mening dat wanneer binnen de inrichting conform de aan deze vergunning verbonden voorschriften en andere wettelijke regels gewerkt wordt, er geen sprake is van onaanvaardbare risico's voor de omgeving ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen en dat de 'rest' risico's in voldoende mate worden beheerst.
De inrichting wordt omsloten door een gezoneerd industrieterrein waarop zware industrie is gevestigd. Zelf ligt de inrichting op een niet-gezoneerd industrieterrein. Derhalve dient het equivalente geluidsniveau van de inrichting getoetst te worden aan de richtwaarden uit de 'Handreiking industrielawaai en vergunningverlening'. De handreiking onderscheidt richtwaarden voor 'landelijke woonomgeving', 'rustige woonwijk met weinig verkeer' en 'woonwijk in de stad'. De richtwaarden staan vermeld in tabel 1.
| Aard van de omgeving | Aanbevolen richtwaarden in de woonomgeving in dB(A) | ||
|---|---|---|---|
| Dag | Avond | Nacht | |
| Landelijke omgeving | 40 | 35 | 30 |
| Rustige woonwijk, weinig verkeer | 45 | 40 | 35 |
| Woonwijk in stad | 50 | 45 | 40 |
Overschrijding van de richtwaarden kan toelaatbaar zijn op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij het bestaande 'referentieniveau van het omgevingsgeluid' een belangrijke rol speelt. Dit referentieniveau is de hoogste waarde van de volgende twee geluidsniveaus:
Verder beveelt de handreiking richtwaarden aan voor kortstondig optredende geluidniveaus. Deze zgn. maximale geluidniveaus mogen bij geluidsgevoelige bestemmingen bij voorkeur niet hoger zijn dan de gestelde grenswaarde voor het equivalente geluidsniveau in een bepaalde periode + 10 dB. Als grenswaarde voor het maximale geluidsniveau hanteert de handreiking een waarde van 70, 65 en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De handreiking geeft ook een ondergrens aan voor maximale geluidniveaus. Deze bedragen in de dag-, avond- en nachtperiode respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A). Zijn de maximale geluidniveaus lager, dan worden deze niet als hinderlijk beschouwd en is het weinig zinvol hieraan grenswaarden te stellen in de vergunning.
Het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport geeft de geluidssituatie weer waarvoor op 8 augustus 2012 reeds vergunning is verleend. De geluidsuitstraling van de inrichting is sindsdien niet gewijzigd. De dichtstbijzijnde woning ligt op 450 meter ten zuiden van de inrichting. Dit betreft een bedrijfswoning aan Boerengat 11 in Hoek. De daaropvolgende dichtstbijzijnde woningen liggen honderden meters verderop. De woning Boerengat 11 ligt vlakbij het industrieterrein voor zware industrie. Het geluidsniveau vanwege dit industrieterrein bedraagt 49 dB(A) in alle periodes. De richtwaarden uit de handreiking die hierbij het best aansluiten zijn die van 'woonwijk in stad'.
Wij hebben het geluidmodel van de inriching gecontroleerd met het geluidmodel voor het gezoneerde industrieterrein. Omdat de hoogtes van bepaalde gebouwen en de demping van de bodem in de loop der jaren is veranderd, zijn de met het zonemodel berekende niveaus op de woning 1 dB hoger of lager dan vermeld in het akoestisch rapport. Verder zijn in het rapport de geluidniveaus berekend ter plaatse van twee voormalige woningen, te weten: Nieuw Neuzenweg 1 en Willemskerkeweg 1. Hier bedraagt het verschil maximaal 2 dB ten opzichte van de in het rapport berekende waarden.
Uit het zonemodel blijkt dat het geluidsniveau op de woning Boerengat 11 39, 38 en 34 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de richtwaarden.
De maximale geluidsniveaus op de woning bedragen in alle periodes 36 dB(A). Zoals eerder genoemd worden deze niet als hinderlijk beschouwd en is besloten om hieraan geen grenswaarden te stellen.
De grenswaarden voor het equivalente geluidsniveau bij de voormalige woningen zijn gehandhaafd om de geluidsuitstraling in de richting van de verderop gelegen woonkern Terneuzen te borgen.
Ten aanzien van de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus en maximale geluidsniveaus is de situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar.
Het landelijk beleid is opgenomen in de Herziene Nota Stankbeleid (1994). Deze nota is aangepast en nader toegelicht in een brief van de minister van VROM (d.d. 30 juni 1995). Deze brief is als bijlage 7.2 in de Handleiding geur opgenomen.
In genoemde brief stelt de minister dat de doelstelling van het stankbeleid zoals in 1989 geformuleerd in het Nationaal Milieubeleidsplan onveranderd blijft: in het jaar 2000 maximaal 12% gehinderden door stank in Nederland en voor het jaar 2010 geen ernstige hinder.
Als algemene doelstelling wordt in deze brief genoemd het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Het is aan het bevoegd gezag om in vergunningprocedures invulling aan deze doelstelling te geven en te bepalen welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt is de hindersystematiek Geur ontwikkeld. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. Dat deze hindersystematiek bij vergunningverlening moet worden toegepast is vastgelegd in paragraaf 3.6 van de NeR. De NeR is in de Regeling omgevingsrecht (bijlage 1) opgenomen als BBT document. Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (beste beschikbare techniek). Voor een aantal branches is in de NeR een bijzondere regeling opgenomen. Het bevoegd gezag stelt op basis van een afweging van alle relevante factoren het aanvaardbaar hinderniveau vast.
Het landelijk beleid is verder uitgewerkt in het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018 (OP). Hierin is met name aangegeven wanneer er sprake is van een acceptabel hinderniveau:
| Gevoelige bestemmingen | Minder gevoelige bestemmingen | |
|---|---|---|
| Bestaande situatie | voldoen aan BBT Maximale geurconcentratie overeenkomend met H=-1 * (uurgemiddeld, 98-percentiel) | voldoen aan BBT Maximale geurconcentratie overeenkomend met H=-1 (uurgemiddeld 95-percentiel) |
| Nieuwe situatie | Maximale geurconcentratie overeenkomend met H= -1 (uurgemiddeld, 99,5- percentiel) | Maximale geurconcentratie overeenkomend met H= -1 (uurgemiddeld 95 percentiel) en H= -2 (uurgemiddelde, 98- percentiel) |
* de hedonische waarde is minder dan -1; buiten deze contour zou sprake zijn van een acceptabel hinderniveau
Dit beleid is verder uitgewerkt in de notitie "Alle neuzen dezelfde kant op", waarbij het stappenschema uit de NeR is uitgewerkt om te kunnen beoordelen of wordt voldaan aan het acceptabel hinderniveau zoals dat in het OP is verwoord.
Bij IGA vinden de volgende activiteiten/processen plaats waarbij eventueel geurhinder zou kunnen optreden:
De volgende geurbestrijdingsmaatregelen worden binnen IGA toegepast:
Bij het tankenpark vinden de hieronder genoemde maatregelen plaats:
Verder zijn er bij ons geen geurklachten bekend in relatie tot de bedrijfsactiviteiten van IGA.
Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat voldaan wordt aan het acceptabel hinderniveau, zoals dat in het OP is vastgelegd. De aangevraagde activiteiten voldoen aan het toetsingskader en de voorzieningen aan BBT. Om geurhinder als gevolg van de aangevraagde activiteiten binnen de inrichting te voorkomen, is voorschrift 9.1 t/m 9.3 opgenomen.
Wij beoordelen de emissies naar de lucht volgens, het Activiteitenbesluit, (waarin de systematiek van de Nederlandse emissie Richtlijn Lucht (NeR) is opgenomen) en de Wet Luchtkwaliteit. Het algemene beleid is gericht op het terugdringen van emissies naar de lucht door het toepassen van beste beschikbare technieken (BBT) en op het halen van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer (Wm). Als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting vinden er emissies naar de lucht plaats.
De volgende puntbronnen kunnen worden onderscheiden:
Alle drie de emissiepunten zijn voorzien van emissiebeperkende voorzieningen welke de emissie van schadelijke stoffen verminderd. IGA maakt gebruik van twee typen emissiebeperkende voorzieningen: oxidatieve basische gaswassing en biologische gaswassing. Bij de oxidatieve basische gaswassing wordt door de lucht door een alkalische oplossing (pH = 8,5) met daarin natriumhypochloriet geleid. Hierdoor worden de in de lucht aanwezige stoffen chemisch geoxideerd en vervolgens afgevangen in het alkalische water. De goede werking van de oxidatieve basische gaswassers wordt gecontroleerd door meting van de redoxpotentiaal, dat is een maat voor de oxiderende kracht van de wasser. Indien deze waarde niet juist is wordt automatisch natriumhypochloriet toegevoegd. De gaswasser is opgenomen in het O&I programma van de Technische Dienst. De controle hiervan vindt jaarlijks plaats.
In de biologische wasser wordt de lucht fijnverdeeld door water, met daarin biologisch materiaal, geleid. Het biologisch materiaal zet hierin de koolwaterstoffen om in CO2 en water. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat een groot gedeelte van deze stoffen niet in de omgevingslucht terecht komt. De goede werking van de biologische gaswasser is gebaseerd op de aanwezigheid van voldoende actief bioslib. Daarom wordt het bioslib in de biologische gaswasser wekelijks vervangen door spuislib vanuit de bioloog, dit slib is voldoende actief om een goede werking te garanderen. Net als de oxidatieve basische gaswassing is de biologische gaswasser opgenomen in het O&I programma van de Technische Dienst. Controle vindt jaarlijks plaats.
Indien er storing ontstaat bij emissiepunt 2 of 3, dan worden de emissies via het afzuigsysteem naar de gaswasser geleid. Als de handelingen stoppen, dan stopt ook de emissie. Bij emissiepunt 1 is dit niet het geval omdat de waterzuivering continu draait en er dus ook continue emissie plaatsvindt. In de machinehal is een noodaggregaat geplaatst welke de gaswasser van stroom voorziet tijdens een stroomstoring. Indien er een technische storing ontstaat aan één van de twee gaswassers van emissiepunt 1 is de service zo geregeld dat deze binnen 24 uur is gerepareerd.
Bij alle drie de emissiepunten kunnen bepaalde stoffen vrijkomen die bij omgevingstemperatuur vluchtig zijn. Voor alle vluchtige anorganische stoffen (VOS) geldt dat deze allen goed oplosbaar zijn in water en voor het overgrote deel in de aanwezige oxidatieve basische gaswasser afgevangen worden. Anorganische stoffen die mogelijk kunnen vrijkomen op de emissiepunten zijn ammoniak en chloride verbindingen. Ook kunnen op alle emissiepunten NMVOS (vluchtige organische stoffen) vrijkomen. Het betreft hier de stoffen die vallen in de klasse gO1, gO2 en gO3. Op het emissiepunt 1 kan ook benzeen vrijkomen, dit betreft een MVP2 stof. Tabel 1 geeft de waarden van de geëmitteerde stoffen per emissiepunt weer.
| Parameter | Emissiepunt 1 | Emissiepunt 2 | Emissiepunt 3 |
|---|---|---|---|
| Naam emissiebron | Afzuiging machinehal AWZI | Afzuiging wasstraten 5, 6 en 7 | Afzuiging opslagdepot WTT |
| Emissiepatroon | Continue fluctuerend | Discontinu fluctuerend | Discontinu fluctuerend |
| Emissieduur (uur/dag) | 24 | 16 | 8 |
| Debiet (m 3 /uur) | 2000 | 4600 | 4000 |
| Hoogte emissiepunt (meter) | 10 | 10 | 10 |
| Emissiebeperkende voorziening | Bioscrubber en oxidatieve scrubber | Oxidatieve scrubber | Oxidatieve scrubber |
| Afstand tot terreingrens (meter) | 55 | 10 | 55 |
| Geëmitteerde stof: gO3 ( NMVOS) | |||
| a. Vracht (kg/uur) b. Concentratie (mg/m 3 ) | a. 0,2 b. 150 mg C/m 3 | a. 0,05 b. 10 mg C/m 3 | a. 0,05 b. 10 mg C/m 3 |
| Geëmitteerde stof: MPV-stoffen ( Benzeen) a. Vracht (kg/uur) 3 ) | a. 0,0025 b. 5 mg/m 3 | ||
| b. Concentratie (mg/m Geëmitteerde stof: NH 3 a. Vracht (kg/uur) | a. 0,004 b. 2 mg/m 3 | ||
| (mg/m 3 ) | kg/uur | a. 0,009 kg/uur b. 2 mg/m 3 | a. 0,008 kg/uur b. 2 mg/m 3 |
| b. Concentratie Geëmitteerde stof: Chlorideverbindingen | |||
| a. Vracht (kg/uur) | |||
| b. Concentratie (mg/m 3 ) | a. 0,004 kg HCl/uur b. 2 mg HCl/m 3 | a. 0,009 kg HCl/uur b. 2 mg HCl/m 3 | a. 0,008 kg HCl/uur b. 2 mg HCl/m 3 |
Voor Benzeen wordt aangesloten bij tabel 2.5 van afdeling 2.3 uit het Activiteitenbesluit. Gezien de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit, worden er in deze vergunning geen voorschriften hierover opgenomen.
Sommige stoffen zijn dermate (milieu)gevaarlijk dat hun emissies bij voorkeur nul zouden moeten zijn. De minimalisatieverplichting geldt voor alle stoffen die kunnen vrijkomen naar de lucht en zijn ingedeeld in de stofcategorie zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Met andere woorden stoffen die vallen onder de stofklasse ERS, MVP 1 en MVP 2 geldt een minimalisatieverplichting conform artikel 2.4 van afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit.
De aangevraagde activiteiten bij IGA leiden tot een emissie van benzeen (een MVP 2) waarvoor een minimalisatieverplichting geldt. Dit houdt in dat IGA ook aan artikel 2.4 van afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit moet voldoen.
Chemische procesinstallaties bestaan uit een groot aantal samengestelde delen (leidingen, pompen, reactievaten, afsluiters, monsternamepunten etc.). Ter plaatse van verbindingen tussen deze delen vindt er ook bij normale bedrijfsvoering een relatief beperkte lekkage van Vluchtige Organische Stoffen (VOS) plaats.
Tevens vinden er bij de op- en overslag van chemicaliën emissies plaats als gevolg van ademen vulverliezen. In Nederland zijn hiervoor de documenten "Diffuse emissies en emissies bij open overslag" uit de rapportagereeks MilieuMonitor (nr. 14, maart 2004) van RIVM/MNP opgesteld.
In de BBT-conclusie BREF Emissions from storage wordt het monitoren van VOS als BBT aangemerkt. In de oplegnotitie van deze BREF wordt geadviseerd het beleid uit het "handboek emissiefactoren" en het "Meetprotocol voor lekverliezen", zoals hierboven genoemd, te volgen. In deze vergunning hebben wij daarom voorschriften opgenomen ten aanzien van het monitoren en beheersen van diffuse emissies.
In de Bref's 'op en overslag bulkgoederen' en 'Afgas- en afvalwaterbehandeling' worden gaswasser maatregelen voor de emissie naar lucht genoemd. Bij IGA worden als maatregelen voor het behandelen van luchtemissie natte scrubbers en biologische scrubbers toegepast. Gelet op het feit dat deze technieken ook toegepast worden om de emissie naar lucht te reduceren, is er hier sprake van het toepassen van BBT. Daarmee voldoet IGA aan BBT.
Binnen IGA worden diverse stoffen op- en overgeslagen die op basis van artikel 3.39 van de activiteitenregeling en/of de indicatieve lijst van Infomil beschouwd als (niet-)inert.
Voor stuifgevoelige inerte stoffen stelt paragraaf 3.4.3 uit het Activiteitenbesluit de regels voor waaraan voldaan moet worden. Deze regels zijn direct werkend. Daarom worden voor de opslag van deze inerte goederen geen voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden maar dient de installatie te voldoen aan de voorschriften in paragraaf 3.4.3 (en de daarbij behorende regeling) van het Activiteitenbesluit.
In paragraaf 11.3 is voor de emissie uit puntbronnen van niet inerte stoffen, al het e.e.a. beschreven. Voor het overige op- en overslag van niet-inerte stoffen, geldt het Activiteitenbesluit niet. Deze zijn uitgezonderd in het Activiteitenbesluit. Dit houdt in dat voor de activiteiten bij open overslag van niet-inerte stoffen de NeR nog steeds het toetsingskader is. In deze vergunning is voor de activiteiten bij op- en overslag van niet inerte stoffen voorschriften opgenomen.
De grenswaarden voor de luchtkwaliteit uit Bijlage 2 van de Wm, betreffende de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in de lucht worden door ons als toetsingscriterium gehanteerd. Tevens is in deze bijlage een richt-waarde voor ozon gedefinieerd en zijn richtwaarden gegeven voor het totale gehalte in de PM10 fractie voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen.
De Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL2007) bevat grenswaarden voor de luchtkwaliteit die door het bevoegd gezag als toetsingscriterium in de vergunningverlening moeten wor-den gehanteerd. Deze grenswaarden geven een niveau aan van de kwaliteit van de buitenlucht dat niet mag worden overschreden. Het RBL is niet van toepassing op de werkplek. Dit betekent dus dat toetsing van de normen geschiedt buiten het terrein van de inrichting.
In beginsel dient ter beperking van de emissies BBT te zijn toegepast. Worden desondanks overschrijdingen van de grenswaarden verwacht en er is sprake van een in betekende mate bijdrage van de inrichting, dan moet worden gezocht naar aanvullende eisen of alternatieven, waardoor de bijdrage van de inrichting per saldo niet groter wordt dan voor het te nemen besluit voor de vergunningverlening.
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kan de vergunning worden verleend, indien de concentratie in de buitenlucht van de in bijlage 2 van de Wm genoemde luchtverontreinigende stoffen (inclusief eventuele lokale bronnen in de omgeving van de inrichting) vermeerderd met de immissie ten gevolge van de activiteiten binnen de inrichting (inclusief voertuigbewegingen van en naar de inrichting) lager is dan de grenswaarden, zoals vermeld in Bijlage 2 van de Wm.
Bij de aanvraag zijn de resultaten gevoegd van verspreidingsberekeningen conform het Nieuw Nationaal Model voor de stoffen.
De Wm bijlage 2 bevat grenswaarden voor luchtverontreiniging door zwaveldioxide, lood, stikstofdioxide, zwevende deeltjes, koolmonoxide en benzeen. Voor deze aanvraag zijn de luchtkwaliteitsgrenswaarden voor de volgende stof van belang:
benzeen
In Wm bijlage 2 zijn de volgende normen voor benzeen opgenomen:
Uit de verspreidingsberekeningen blijkt dat de concentratie van benzeen op de terreingrens overeenkomt met 0,012 g/m 3 . Er worden derhalve geen grenswaarden voor benzeen overschreden als gevolg van de activiteiten van IGA.
Op basis van verspreidingsberekeningen concluderen wij dat voldaan wordt aan de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit voor benzeen. De andere stoffen zijn meegenomen in de beoordeling, maar de bijdrage daarvan is verwaarloosbaar.
Een belangrijk onderdeel van de Wabo is de 'verruimde reikwijdte'. Dit betekent onder meer dat de aspecten watergebruik en vervoer in de omgevingsvergunning moeten worden meegenomen. Daarvoor zijn in de Handreiking 'Wegen naar preventie voor bedrijven' en de beleidsnotitie 'Vervoermanagement/ Mobiliteitsmanagement van en naar een inrichting' van het ministerie van I&M handvatten gegeven. Op basis daarvan zijn in deze vergunning voornoemde aspecten beoordeeld, met inachtneming van de per aspect vastgestelde relevantiecriteria.
In de vergunningaanvraag wordt ingegaan op de verwachte transportbewegingen c.q. het goederenvervoer. Er is tevens inzicht in het aantal transportkilometers. In de vergunningaanvraag wordt vermeld dat de aanvrager gebruik maakt van transport over het spoor en over de weg. Het aantal transportkilometers is fors maar niet zodanig dat het in deze situatie nodig is om voorschriften met betrekking tot vervoersmanagement in de vergunning op te nemen.
Wij achten echter het aspect vervoer door medewerkers pas relevant bij meer dan 500 werknemers, als tegelijk niet aannemelijk is dat de inrichting alle maatregelen heeft getroffen om de nadelige gevolgen van vervoer voor het milieu tegen te gaan.
Gebleken is dat de relevantiecriteria niet worden overschreden. Daarom wordt in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan dit aspect.
De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Het gebruik van drinkwater als koelwater bijvoorbeeld moet zoveel mogelijk worden voorkomen.
De Wabo verplicht ons echter wel te toetsen of grondstoffen doelmatig worden gebruikt. We moeten voorkomen dat afvalwater ontstaat en als dat niet mogelijk is moeten we het doelmatig beheer van afvalwater bevorderen.
Binnen IGA wordt een deel van het stoomcondensaat hergebruik voor het opvullen van tankcontainers t.b.v. het uitvoeren van drukproeven. Verder is het relatief schone hemelwater vanwege de samenstelling en kwaliteit niet geschikt voor reinigingsdoeleinden (kans op verstoppingen van apparatuur zoals spuitlansen en spoeltollen). Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie door IGA voldoende inspanningen worden verricht om het gebruik van (drink)water terug te dringen.
Voor het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden (artikel 5.7 lid 1 Bor) is voorschrift 1.3.2 in deze vergunning opgenomen.
Voor het treffen van maatregelen om bij definitieve bedrijfsbeëindiging de nadelige gevolgen die de inrichting heeft veroorzaakt voor het terrein waarop zij was gevestigd, ongedaan te maken of te beperken voor zover dat nodig is om dat terrein weer geschikt te maken voor een volgende functie (artikel 5.7 lid 1 Bor) zijn in paragraaf 1.5 van deze vergunning en uit het Activiteitenbesluit (Afdeling 2.4) voorschriften opgenomen. De voorschriften hebben betrekking op het uitvoeren van een bodembelastingonderzoek en eventueel herstelplicht. Deze voorschriften blijven gedurende 3 jaar nadat de omgevingsvergunning haar geldigheid heeft verloren, in werking.
De nieuwe Europese REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 vervangt stapsgewijs de huidige Europese richtlijnen en verordeningen over stoffen. Per 1 juli 2007 is REACH in werking getreden en is het grootste deel van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) vervallen.
REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.
Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting hulpstoffen worden opgeslagen ten behoeve van de bedrijfsvoering, maar dat deze stoffen niet voorkomen in de lijst van voornoemde REACH Verordening. Daarnaast worden er binnen de inrichting geen stoffen geproduceerd en gebruikt waarop REACH van toepassing is.
Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu.
Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden). Doorlooptijd en/of hoeveelheid moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.
In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en moeten proefnemingen ruim voor aanvang
(minimaal zes weken) bij ons voor toestemming worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en men wil de resultaten daarvan implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre daartoe een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen. Doorlooptijd en/of hoeveelheid afvalstoffen moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.
In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieuhygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Wabo zal moeten worden doorlopen.
In artikel 17.2 lid 1 van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons dienen te worden gemeld. In artikel 17.2 is vermeld dat het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42 voor een ongewoon voorval, waarvoor de nadelige gevolgen niet significant zijn kan bepalen dat in afwijking van artikel 17.2 lid 1 het voorval wordt geregistreerd en kan voorschrijven binnen welke termijn en op welke wijze het voorval moet worden gemeld. Deze termijn kan afwijken van de verplichting, genoemd in artikel 17.2 lid 1, om het voorval zo spoedig mogelijk te melden.
IGA heeft om toepassing verzocht van artikel 17.2 lid 2. IGA is te kenmerken als een inrichting waarbij regelmatig ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu plaats kunnen vinden. De ervaring leert dat regelmatig meldingen worden ingediend, terwijl er geen sprake is van enige significante gevolgen voor het milieu. Daarmee vormt het altijd zo spoedig mogelijk moeten melden van ongewone voorvallen zonder significante gevolgen een onnodige administratieve belasting voor het bedrijf.
IGA heeft een meldprocedure ontwikkeld waarmee kan worden vastgesteld welke ongewone voorvallen kunnen worden geclassificeerd als voorval zonder significante gevolgen voor het milieu. Wij zijn van mening dat met deze meldprocedure voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen ongewone voorvallen mét en zónder significante gevolgen voor het milieu.
Wij achten het echter van belang om zicht te houden op de aantallen, aard en omvang van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu. Deze kunnen een indicatie zijn of de processen (in de ruimste zin) in voldoende mate worden beheerst en de installaties deugdelijk zijn.
Daarom hebben wij, naast het toepassen van de meldprocedure, ook een aantal voorschriften opgenomen voor het verplicht registreren ervan en de wijze waarop wij periodiek moeten worden geïnformeerd over de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu die zich hebben voorgedaan.
Naast het inzichtelijk hebben van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu stellen wij echter ook eisen aan het afhandelingsproces van ongewone voorvallen binnen het bedrijf. Daarbij gaat het om zaken als signalering van de ongewone voorvallen, communicatie, onderzoek en bevoegdheden van medewerkers. IGA heeft een beschrijving ingediend waarbij op hoofdlijnen inzichtelijk is gemaakt hoe het afhandelingsproces is georganiseerd. Om te borgen dat ook in de toekomst ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu door het bedrijf worden beschouwd hebben wij voorschriften opgenomen over het in stand houden van dat afhandelingsproces.
In Nederland regelt de Natuurbeschermingswet 1998 de bescherming van natuurgebieden en de aanwijzing van gebieden die van nationaal of internationaal belang zijn: Beschermde natuurmonumenten en Natura 2000-gebieden. Internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) zijn in deze wet verankerd. Vervolgens bepaalt de wet wat erin deze gebieden wel en niet mag. Activiteiten die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, moeten getoetst worden op hun gevolgen voor de Natura 2000gebieden. Omdat Gedeputeerde Staten van Provincie Zeeland belast is met de uitvoering van de Natuurbeschermingswet 1998, is beoordeeld of een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 benodigd is.
IGA is gelegen op minder dan één kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saefthinge. Dit maakt het noodzakelijk dat de eventuele effecten van (nieuwe) activiteiten van het bedrijf op de beschermde natuurwaarden worden beoordeeld en getoetst aan de opgestelde instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied.
De instandhoudingsdoelstellingen zijn opgenomen in het definitieve Aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saefthinge welke op 23 december 2009 door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (nu EZ) is vastgesteld.
De Westerschelde is een van de weinige Europese rivieren met een grote open monding in zee (estuarium). De sterke getijdendynamiek en de overgang van zoet naar zout zorgen ervoor dat er veel soorten leefgebieden zijn: diep en ondiep water, schorren, zand- en slikplaten.
Onderdeel van het Natura 2000-gebied zijn ook enkele kustduinen en de polders die ontstonden als achter een zwakke plek in de zeewering een tweede dijk werd gelegd. De grote
afwisselingen zorgen voor een grote rijkdom aan planten- en diersoorten. De instandhoudingsdoelstellingen geven aan welke leefgebieden en populaties van wilde dier- of plantensoorten behouden, hersteld of versterkt moeten worden.
Door IGA is een revisievergunning aangevraagd waarbij diverse bestaande besluiten worden opgenomen in een nieuwe vergunning. De activiteiten worden opnieuw aangevraagd en de revisievergunning vervangt alle eerder verleende vergunningen in het kader van Wm en/of Wabo. Bij de aanvraag voor de Wm (revisie)vergunning in 2004 voor de gehele inrichting is getoetst volgens de toen geldende norm (rechtstreekse werking van de Vogel- en Habitatrichtlijn). Op grond van de aard van de aangevraagde activiteiten zijn op dat moment significante negatieve gevolgen op het beschermingsgebied uitgesloten.
Op basis van de aangeleverde informatie ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning van 17 februari is gebleken dat de activiteiten waarvoor nu een revisievergunning wordt aangevraagd niet zullen leiden tot verstoring noch tot nieuwe of extra emissies van componenten die via atmosferische depositie en chemische omzetting zullen leiden tot significante negatieve effecten in het Natura 2000 gebied Westerschelde & Saefthinge. Gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saefthinge kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen activiteiten geen dan wel verwaarloosbaar geringe effecten hebben op beschermde habitats en soorten. Deze conclusie geldt onder de voorwaarde dat de activiteiten conform de beschrijving in de vergunningaanvraag wordt uitgevoerd. Eveneens zijn significant negatieve effecten op overige, in de wijdere omgeving gelegen Natura 2000-gebieden uitgesloten. Geoordeeld wordt dat een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid,
Natuurbeschermingswet 1998 dan ook niet benodigd is.
Uit de aanvraag blijkt dat binnen IGA geen ontwikkelingen te verwachten zijn die voor de beslissing op deze aanvraag van belang kunnen zijn
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de gevraagde activiteiten van IGA zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.
In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.