3 RDAM 20201204 OPR PortParkPernis.pdf

84 pagina's · DoclingDocument 1.10.0 · document_id: OPR

[afbeelding]

Beschikking

P/a DCMR Milieudienst Rijnmond Bezoekadres: Parallelweg 1 3112 NA Schiedam Postadres: Postbus 843 3100 AV Schiedam

Website:

www.dcmr.nl

Afdeling:

Reguleren en Advies

Dudok Projectontwikkeling B.V. Houttuinen 36 3311 CE DORDRECHT

Contact

: info@dcmr.nl

Uw kenmerk: -

Ons kenmerk:

9999174593_9999901179

OMV.20.04.00292-03

Bijlagen: -

Betreft:

Beschikking

Datum: 4 december 2020

BESLUIT van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Onderwerp

Op 16 april 2020 hebben wij van Dudok Projectontwikkeling B.V., namens Port Park Pernis, een aanvraag ontvangen om een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag gaat over de locatie Seattleweg 11, Pernis Rotterdam. De aanvraag is geregistreerd onder OLO-nummer 5005849.

De aanvraag bevat de volgende onderdelen:

De aanvraag betreft het oprichten van warehouse voor de opslag van (gekoelde) koopmansgoederen en verpakte gevaarlijke stoffen, alsmede een expeditieruimte met 42 docks. In een deel van de op te richten bedrijfshal (ruimten 0.03 en 0.04) worden twee geschakelde opslagvoorzieningen voor de opslag van verpakte (gevaarlijke) stoffen gerealiseerd.

Besluit

Wij besluiten,

Aan deze vergunning zijn voorschriften verbonden.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, namens dezen, concerndirecteur Stadsontwikkeling, voor dezen,

C.A.M. Schreuder, afdelingshoofd Bouw- en Woningtoezicht

Omdat we dit document digitaal vaststellen, staat er geen handtekening in

[afbeelding]

Beroepclausule

Dit besluit treedt in werking nadat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken.

Binnen zes weken, ingaande de dag na de eerste dag van de terinzagelegging van de beschikking, kan beroep worden ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam door een belanghebbende die:

De omgevingsvergunning met de bijbehorende bijlagen ligt gedurende deze periode ter inzage bij het gebiedskantoor Centrum, Stadhuis Coolsingel 40 (zijde Doelwater, tegenover hoofdbureau politie).

Het beroepschrift moet worden gericht aan:

Rechtbank Rotterdam, sector Bestuursrecht, Postbus 50951, 3007 BM Rotterdam. Voor het in behandeling nemen van het beroep is griffierecht verschuldigd.

Het beroepschrift heeft geen schorsende werking. U kunt, indien u beroep heeft ingesteld tevens een verzoek om voorlopige voorziening (o.a. schorsing) indienen bij voornoemde rechtbank. Wordt dat verzoek gedurende de beroepstermijn ingediend dan treedt het besluit niet in werking voordat op dat verzoek is beslist. Voor het in behandeling nemen van het verzoek is griffierecht verschuldigd.

U kunt ook digitaal een verzoek om een voorlopige voorziening en/of beroepschrift indienen bij bovengenoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de voorwaarden.

Wij verzoeken u een kopie van het beroepschrift en/of verzoek om een voorlopige voorziening te sturen aan de DCMR Milieudienst Rijnmond, Postbus 843, 3100 AV Schiedam.

[afbeelding]

Ons kenmerk:

9999174593_9999901179

[afbeelding]

Als u vragen heeft over de omgevingsvergunning met betrekking tot het onderdeel bouwenkunt u contact opnemen met:

de heer D. van Kinderen, 06-51384234, jdlm.vankinderen@rotterdam.nl

Start en gereedmelding werkzaamheden

Voordat u start met de werkzaamheden moet zijn voldaan aan de verderop genoemde voorschriften in deze vergunning. U moet de start van de werkzaamheden uiterlijk twee dagen voordat u begint aan ons melden. Hiervoor kunt u gebruik maken van het formulier 'Aanvang Bouwwerkzaamheden'. Voor de gereedmelding van de werkzaamheden kunt u gebruik maken van het formulier 'Gereedmelding Bouwwerkzaamheden'. De formulieren worden ingediend via www.omgevingsloket.nl onder vermelding van 'Aanvang bouwwerkzaamheden' en 'Gereedmelding Bouwwerkzaamheden'. Alle later aan te leveren stukken dienen eveneens via het omgevingsloket te worden aangeboden.

Verzonden op: 8 december 2020

[afbeelding]
INHOUDSOPGAVE
1.0ALGEMENE VOORSCHRIFTEN.......................................................................................6
2.0AFVALWATER................................................................................................................ 11
3.0AFVALSTOFFEN............................................................................................................ 12
4.0BODEM........................................................................................................................... 13
5.0BRANDVEILIGHEID ....................................................................................................... 16
6.0(EXTERNE) VEILIGHEID................................................................................................ 24
7.0ENERGIE........................................................................................................................ 30
8.0GELUID........................................................................................................................... 33
9.0VOORSCHRIFTEN BOUWEN........................................................................................ 34
ALGEMENE OVERWEGINGEN.................................................................................................
OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN MILIEU ..........................................................................
OVERWEGINGEN OVERIGE ASPECTEN................................................................................
OVERWEGINGEN OVERIGE ACTIVITEITEN...........................................................................
BIJLAGE I: BEGRIPPENLIJST EN LIJST VAN AFKORTINGEN...............................................
BIJLAGE II: BIJGEVOEGDE GEGEVENS EN BESCHEIDEN...................................................

1.0 ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

1.1 Algemeen

1.1.1

De inrichting mag alleen in werking zijn overeenkomstig de beschrijving in de aanvraag zoals opgenomen in onderdeel A van bijlage A en de hierna volgende voorschriften. Daar waar de beschrijving in de aanvraag en de voorschriften met elkaar in strijd zijn, zijn de voorschriften bepalend.

1.1.2

Alle werkzaamheden die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, mogen uitsluitend worden verricht door daartoe opgeleid en ter zake kundig personeel volgens daartoe door de verantwoordelijke bedrijfsleiding verstrekte werkinstructies, procedures en voorschriften (onder andere laad- en losprocedures).

1.1.3

De brandstoftoevoer naar een stookinstallatie moet bij een incident, zoals een brand, vanaf een veilige locatie kunnen worden afgesloten.

1.1.4

De verlichting moet zodanig zijn dat een behoorlijke oriëntatie mogelijk is en bij duisternis werkzaamheden kunnen worden verricht. Voor de verlichting, noodzakelijk voor de veiligheid, moet steeds een reserve energiebron, onafhankelijk van de normale stroomvoorziening, beschikbaar zijn.

1.2 Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

1.2.1

Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is.

1.2.2

De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren.

1.2.3

Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

1.2.4

Het aantrekken van insecten, knaagdieren en ander ongedierte moet zo veel mogelijk worden voorkomen. Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, moet bestrijding van insecten, knaagdieren en ander ongedierte plaatsvinden. Hiertoe moet een ongediertebestrijdingsplan binnen de inrichting aanwezig zijn.

[afbeelding]

1.2.5

Herstelwerkzaamheden aan en tijdelijke blokkeringen van het wegennet moeten zo kort mogelijk duren. De plaatsen waar tijdelijke blokkering optreedt, bijvoorbeeld ten gevolge van herstelwerkzaamheden, moeten bij een centraal punt binnen de inrichting (bij voorkeur bij de portier) of bij de voor de begeleiding van de hulpdiensten verantwoordelijke bekend zijn.

1.2.6

Apparatuur, tanks, leidingen en leidingondersteuningen die aan een weg zijn gelegen, moeten, indien bij aanrijding een voor de omgeving gevaarlijke situatie kan ontstaan, zijn beschermd door deugdelijke vangrails of een gelijkwaardige constructie.

1.3 Instructies

1.3.1

Indien in deze vergunning de verplichting geldt met betrekking tot het opstellen van procedures of instructies, dan:

1.3.2

De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties, die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen.

1.3.3

De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften.

1.4 Melding contactpersoon en wijziging vergunninghouder

1.4.1

De vergunninghouder moet direct nadat de vergunning in werking is getreden aan het bevoegd gezag schriftelijk de naam en het telefoonnummer opgeven van degene (en van diens plaatsvervanger) met wie in spoedeisende gevallen, ook buiten normale werktijden, contact kan worden opgenomen. Als deze gegevens wijzigen, moet dit vooraf, onder vermelding van de wijzigingsdatum, schriftelijk worden gemeld aan het bevoegd gezag.

[afbeelding]

1.5 Registratie en bewaren van documenten

1.5.1

Binnen de inrichting moeten de volgende documenten aanwezig zijn:

1.5.2

Indien bij deze vergunning verplichtingen gelden met betrekking tot:

1.6.1

Van elk ongewoon voorval dat zich voordoet of heeft voorgedaan binnen de inrichting en dat (mogelijk) een gevaarlijke situatie buiten de inrichting, grotere overlast buiten de inrichting of grotere milieugevolgen kan veroorzaken, moet zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vijftien minuten, melding worden gedaan bij het Gemeenschappelijke Meldkamer (GMK) via het CINnummer.

Toelichting:

Het gaat hier om bijvoorbeeld (de dreiging van) brand, explosie, gasontsnapping, aanzienlijke emissie van stankverwekkende stoffen, aanzienlijke geluidsoverlast (bijvoorbeeld door afblazen van stoom), sterk verhoogde fakkel, starten van het bedrijfsnoodplan.

[afbeelding]

1.6.2

Van elk ongewoon voorval dat zich voordoet of heeft voorgedaan binnen de inrichting met (mogelijk) kleinere/beperkte overlast buiten de inrichting of kleinere/beperkte milieugevolgen moet zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen vijftien minuten, doch uiterlijk binnen één uur, melding worden gedaan aan de Meldkamer DCMR.

Toelichting:

Het gaat hier om bijvoorbeeld kleine bedrijfsstoring, matig verhoogde fakkel, beperkte emissie van stankverwekkende stoffen, bodemverontreiniging t.g.v. vloeistoflekkages/morsingen, aanmerkelijke overschrijding van de toegestane emissie ten gevolge van processtoringen.

1.6.3

De buurbedrijven waarvoor de gevolgen genoemd in de voorschriften 1.6.1 en 1.6.2 van belang zouden kunnen zijn, moeten zo spoedig mogelijk worden gewaarschuwd. Indien brandbare, explosieve en/of giftige stoffen vrijkomen, die aannemelijke gevaar buiten de inrichting kunnen veroorzaken, moeten concentratiemetingen worden verricht om vast te stellen of er gevaar voor de buurbedrijven bestaat. Er moeten onmiddellijk maatregelen worden getroffen die het gevaar opheffen of, voor zover dit niet mogelijk is, het gevaar zoveel mogelijk beperken. Met de buurbedrijven die gevaar lopen, alsmede met de Meldkamer DCMR, moet gedurende het voorval regelmatig contact worden gehouden zolang het gevaar bestaat.

1.6.4

Van elke voorzienbare bedrijfsactiviteit die (mogelijk) overlast buiten de inrichting of nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, moet vooraf melding worden gedaan bij de Meldkamer DCMR.

Toelichting

Het gaat hier bijvoorbeeld om brandweeroefening, onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden, in- en uitbedrijfname van installaties en/of voorgeschreven reinigings- of registratie-apparatuur, testen van akoestische alarmsystemen, doorgraven van tankdijken.

1.6.5

De vergunninghouder moet de bepalingen van de voorgaande meldingsvoorschriften verwerken in interne bedrijfsinstructies. Deze bedrijfsinstructies moeten binnen twee maanden na in werking treden van de vergunning ter beoordeling worden overgelegd aan het bevoegd gezag. Omtrent de typen te melden voorvallen kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen. Wijzigingen in de bedrijfsinstructies moeten binnen een maand aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

1.6.6

Onverminderd het gestelde in andere voorschriften moet iedere brand onmiddellijk worden gemeld aan de brandweer via het alarmnummer. Voor bedrijven in het Rijnmondgebied is dit de brandweer via het CIN-nummer.

[afbeelding]

1.7 Bedrijfsbeëindiging

1.7.1

Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de (te beëindigen) activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

1.7.2

Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (één van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd, tenzij (delen van) de installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden.

[afbeelding]

2.0 AFVALWATER

2.1.1

Afvalwater mag slechts in een vuilwaterriool worden gebracht, indien door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheid ervan:

2.1.2

Het is verboden op het vuilwaterriool afvalwater of afvalstoffen te lozen:

2.1.3

In de lozingsleidingen van de inrichting moeten afsluiters aanwezig zijn om het lozen van afvalwater uit de inrichting op de gemeentelijke riolering (tijdelijk) te kunnen stoppen.

[afbeelding]

3.0 AFVALSTOFFEN

3.1 Afvalscheiding

3.1.1

Vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren:

3.2 Opslag van afvalstoffen

3.2.1

De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen.

3.2.2

De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat:

3.2.3

Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken.

3.2.4

De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

[afbeelding]

4.0 BODEM

4.1 Doelvoorschriften

4.1.1

Het bodemrisico van beschreven bodembedreigende activiteiten moet door het treffen van een combinatie van maatregelen en voorzieningen voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico zoals gedefinieerd in de NRB.

4.2 Vloeistofkerende voorzieningen

4.2.1

De controle, het onderhoud en het beheer van bodembeschermende voorzieningen moet in eenduidige bedrijfsinterne procedures en werkinstructies ter bescherming van de bodem zijn vastgelegd.

4.2.2

In de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies als bedoeld in voorschrift 4.2.1 is ten minste aangegeven op welke wijze:

4.2.3

Degene die de inrichting drijft moet ervoor zorgdragen dat de medewerkers die binnen de inrichting bodembedreigende activiteiten verrichten, op de hoogte zijn van de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies als bedoeld in voorschrift 4.2.1, dat deze worden nageleefd en binnen de inrichting zodanig aanwezig zijn dat een ieder daarvan op eenvoudige wijze kennis kan nemen.

4.2.4

De controle, het onderhoud en het beheer van bodembeschermende voorzieningen vinden zodanig plaats dat vrijgekomen stoffen zijn verwijderd voordat deze in de bodem kunnen geraken.

4.2.5

Morsingen en lekkages worden overeenkomstig de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies als bedoeld in voorschrift 4.2.1, verholpen en opgeruimd.

4.2.6

Degene die de inrichting drijft moet ervoor zorgdragen dat de in het kader van de bedrijfsinterne procedures en werkinstructies noodzakelijke absorptiemiddelen en andere materialen en middelen ter bescherming van de bodem binnen de inrichting in voldoende mate aanwezig zijn en dat er voldoende, in het gebruik van deze middelen, geïnstrueerd personeel aanwezig is.

[afbeelding]

4.2.7

Bevindingen van controles van of onderhoud aan bodembeschermende voorzieningen, alsmede acties genomen na incidenten met bodembedreigende stoffen, die mogelijk hebben geleid tot een bodemverontreiniging, worden opgenomen in een logboek dat te allen tijde beschikbaar is voor het bevoegd gezag.

4.3 Bedrijfsrioleringen

4.3.1

Aan te leggen rioolsystemen voor het afvoeren van bodembedreigende vloeistoffen moeten vloeistofdicht zijn ontworpen en aangelegd volgens de criteria genoemd in de BRL SIKB 7700.

4.3.2

Rioolsystemen moeten aantoonbaar vloeistofdicht zijn volgens de criteria genoemd in AS SIKB 6700 en bestand tegen de daardoor afgevoerde (vloei)stoffen. Uitgezonderd hierop zijn rioolsystemen voor de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater van huishoudelijke aard.

4.3.3

Een vloeistofdicht rioolsysteem wordt ten minste eens per zes jaar beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig voorschrift 4.3.2.

4.4 Bodemonderzoek

4.4.1

Ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem als referentiesituatie moet binnen drie maanden nadat dit voorschrift in werking is getreden een nulsituatieonderzoek worden uitgevoerd ter plaatse van de bodembedreigende activiteiten. Het onderzoek en rapport moeten overeenkomstig NEN 5740 worden uitgevoerd onderscheidenlijk opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Het onderzoek richt zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaats zullen vinden.

De resultaten moeten uiterlijk vier maanden nadat dit voorschrift in werking is getreden ter goedkeuring aan het bevoegd gezag zijn overgelegd.

4.4.2

Binnen zes maanden na beëindiging van een bodembedreigende activiteit moet ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie zijn uitgevoerd. De resultaten moeten uiterlijk één maand nadat dit onderzoek is uitgevoerd aan het bevoegd gezag zijn overgelegd. Ter plaatse van de tijdens het nulsituatieonderzoek onderzochte locaties moet het eindonderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het nulsituatieonderzoek, mits dat onderzoek correct is uitgevoerd. Als het nulsituatie onderzoek niet correct is uitgevoerd dan moet het eindonderzoek betrekking hebben op alle plaatsen binnen de inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden.

[afbeelding]

4.4.3

Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 'Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting' en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen.

4.5 Herstelplicht (bodemsanering)

4.5.1

Indien uit het onderzoek, bedoeld in voorschrift 4.4.2, blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat zo spoedig mogelijk na toezending van dat rapport danwel binnen een met het bevoegd gezag nader overeengekomen termijn, de bodemkwaliteit is hersteld tot de nulsituatie.

4.5.2

Het herstel van de bodemkwaliteit geschiedt door een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

[afbeelding]

5.0 BRANDVEILIGHEID

5.1 Brandveiligheid algemeen

5.1.1

De activiteit(en) vinden op een zodanige wijze plaats dat brand en/of het vrijkomen van gevaarlijke stoffen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Tevens zijn er zodanige maatregelen genomen en voorzieningen aangebracht, dat een brand en/of het vrijkomen van gevaarlijke stoffen in de inrichting geen of zo weinig mogelijk gevolgen heeft voor de omgeving.

5.1.2

Voor zover voor de activiteit in deze beschikking voorschriften zijn opgenomen, wordt voor die activiteit in het kader van brandveiligheid aan voorschrift 5.1.1 voldaan door toepassing of naleving van die voorschriften.

Toelichting:

Het voorschrift heeft betrekking op brand in de breedste zin van het woord en het vrijkomen van gevaarlijke stoffen. Voorzieningen en maatregelen zijn bouwkundig, installatietechnisch en organisatorisch van aard en moeten als gezamenlijk (beheers)systeem zorgen voor een (brand)veilig gebruik van de inrichting. De voorschriften in dit hoofdstuk zijn op dit gebied dus niet limitatief, maar aanvullend op eventuele andere regelgeving, die van toepassing is op de inrichting.

5.1.3

Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandbeveiligingssystemen moeten steeds:

Toelichting:

Hiermee wordt in ieder geval het volgende bedoeld:

[afbeelding]

5.1.4

Binnen de inrichting moet in ruimte 0.03 en 0.04 op de op tekening 2017012_GM02b_P bij de aanvraag aangeven plaatsen een op de waterleiding aangesloten brandslanghaspel conform NEN-EN 671-1 aanwezig zijn met een lengte van minimaal 20 meter.

5.1.5

In de inrichting mag, behoudens in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing indien werkzaamheden moeten worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-)vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan.

5.1.6

Het rook- en vuurverbod moet op duidelijke wijze kenbaar zijn gemaakt door middel van opschriften in de Nederlandse en Engelse taal of door middel van een symbool overeenkomstig de NEN 3011. Deze opschriften of symbolen moeten nabij de toegang(en) van het terrein van de inrichting zijn aangebracht. Zij moeten goed leesbaar dan wel zichtbaar zijn.

5.1.7

Het terrein van de inrichting moet via twee zoveel mogelijk uit elkaar gelegen ingangen zo mogelijk met tegengestelde windrichtingen, te allen tijde toegankelijk zijn voor hulpverlenende diensten. De minimale breedte van de toegangswegen moet 3,5 meter zijn, echter de breedte van rijpaden voor obstakels, zoals muren, dichte verticale constructies, containers en/of gebouwen, moet daar tenminste 4,5 meter breed zijn.

Toelichting:

Het aanrijden naar een incident hangt van veel factoren af bijvoorbeeld dat de brandweer voor de veiligheid zoveel mogelijk bovenwinds aanrijdt. Bij het uitstappen uit het brandweervoertuig moet er voldoende ruimte zijn voor manschappen om onder andere gelijktijdig aan beide zijden snel de portieren te openen, gereedschappen en armaturen uit het voertuig te halen, blusslangen aan te sluiten en elkaar veilig te passeren met die gereedschappen en armaturen. Bij het ontwerp van de rijpaden en keerlussen moet rekening gehouden worden met draaicirkels van de voetuigen van de brandweer.

5.1.8

Doodlopende rijpaden langer dan een voertuig moeten zoveel mogelijk in het ontwerp worden gemeden. Indien er toch gebruik gemaakt wordt van een doodlopend rijpad dat langer is, dan dient de breedte van dat pad tenminste 5,5 meter te bedragen en moet er aan het eind een keerlus aanwezig zijn.

Toelichting:

Over het algemeen rijden meer hulpverleningsvoertuigen naar een incident. Deze moeten zonodig los van elkaar het terrein kunnen verlaten en elkaar kunnen passeren (2 x 2,5 meter normale maximum voertuigbreedte).

[afbeelding]

5.1.9

Bij rijpaden en opstelplaatsen moet rekening gehouden worden met een vrije doorrijdhoogte van tenminste 4,2 meter.

5.1.10

Het terrein en het wegenstelsel moeten te allen tijde conform de door het bevoegd gezag goedgekeurde tekening zijn ingericht en zodanig zijn geborgd, dat de hulpverleningsdiensten met hun materieel te allen tijde het incident en de brandveiligheidsvoorzieningen onbelemmerd en veilig kunnen bereiken.

Toelichting:

Aangewezen rijpaden, poorten en opstelplaatsen moeten aanwezig zijn en worden vrijgehouden over de voorgeschreven breedte en hoogte.

5.1.11

Bij de (brandweer)ingangen moet een sleutelkluis zijn aangebracht die kan worden geopend met de generale hoofdsleutel die in gebruik is bij de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.

5.1.12

Binnen de inrichting moeten windvanen of gelijkwaardige technische voorzieningen zijn aangebracht. De windvanen moeten zodanig gepositioneerd zijn dat direct zichtbaar is wat de heersende windrichting is. De uitvoering van een windvaan en/of gelijkwaardige voorziening moet voorzien zijn van tenminste een indicatie van de windsnelheid.

Toelichting:

In dit kader gaat het om een hulpmiddel voor de interne organisatie en externe hulpverleners om een incident op een veilige en effectieve wijze te voorkomen, te beperken en/of te bestrijden om effecten buiten de inrichting zoveel mogelijk te voorkomen en/of de omgeving te waarschuwingen. De plaatsen moeten in overleg met de veiligheidsregio worden vastgesteld en kunnen mogelijk gecombineerd worden met de voorgeschreven voorzieningen in het kader van de Arbowet.

5.1.13

Inspecties, testen en onderhoud van de brandbeveiligingssystemen moeten bij oplevering en vervolgens ten minste eenmaal per kalenderjaar of zoveel vaker als de leverancier voorschrijft aan de hand van NFPA 25 of gelijkwaardig, door een ter zake deskundige worden uitgevoerd. Voor brandkranen geldt een frequentie van eenmaal per drie jaar.

5.1.14

Binnen drie maanden na inwerkingtreding van dit voorschrift, maar tenminste twee maanden voordat de inrichting in werking is, moet aan het bevoegd gezag en de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond, afdeling Industriële Veiligheid, ter goedkeuring een (revisie)tekening van de gehele inrichting worden gezonden.

[afbeelding]

5.1.15

Op de in voorschrift 5.1.14 genoemde tekening dienen alle bouwkundige en installatietechnische preventieve en repressieve (brand)veiligheidsvoorzieningen en de bereikbaarheid duidelijk te zijn aangegeven. Hierbij kan de lay-out van het bedrijf worden verdeeld over meerdere tekeningen. Voor het overzicht kan een tekening worden bijgevoegd waarop de gehele inrichting globaal wordt weergegeven en naar de deeltekeningen wordt verwezen.

Toelichting:

Onder brandpreventieve en repressieve middelen wordt indien van toepassing verstaan: een blusleiding, inclusief de hydranten en blokafsluiters, brandslanghaspels, draagbare blusmiddelen, plaats brandmeldpaneel, brandwerende muren, plaats fireproofing, brandweeringangen etc. Draagbare blusmiddelen in gebouwen kunnen vaak ook voor buitensituaties gebruikt worden, omdat deze daar beschermd zijn tegen bijvoorbeeld weersinvloeden en diefstal.

Onder bereikbaarheid wordt verstaan: poorten, paden, plaats sleutelkluis, vrijgehouden terrein etc.

5.1.16

De inrichting moet conform de in voorschriften 5.1.14 en 5.1.15 vereiste en goedgekeurde tekening(en) in werking zijn.

5.2 Procedures en instructies

5.2.1

Binnen de inrichting moet een actuele beschrijving van de denkbare incidenten en de mogelijke effecten daarvan op het milieu onder maatgevende meteorologische omstandigheden aanwezig zijn. In de beschrijving moet aandacht geschonken zijn aan de organisatorische en uitvoeringstechnische maatregelen die zijn vastgelegd voor het geval dat er incidenten plaatsvinden met stoffen waarbij mogelijk nadelige milieugevolgen te verwachten zijn. Ten minste eenmaal per jaar moet het bovenstaande op doelmatigheid en bruikbaarheid worden getest. Bij relevante wijzigingen van de inrichting dient, direct na de wijziging, de beschrijving te worden aangepast.

5.2.2

In de inrichting moet te allen tijde ten minste één bevoegd persoon aanwezig zijn, die ter zake kundig is om in geval van een onveilige situatie direct de vereiste maatregelen te treffen. Bij niet 24-uur bezette inrichtingen geldt dat binnen een half uur na ontdekken van een brand en/of incident met gevaarlijke stoffen een beslissingsbevoegd personeelslid van de bedrijfsleiding, met kennis van de gebezigde processen, op het terrein aanwezig moet zijn.

[afbeelding]

5.2.3

Op een centraal punt binnen de inrichting moeten de volgende actuele gegevens beschikbaar zijn:

In geval van een noodsituatie moet de brandweer bij aankomst onmiddellijk in bezit gesteld worden van bovenstaande gegevens.

5.2.4

Bij aankomst van de brandweer moet een begeleider of andere gelijkwaardige voorziening beschikbaar zijn om de brandweer de plaats van het incident op een snelle en veilige wijze te laten bereiken.

5.2.5

Bij onderhoud of buiten bedrijfsstelling van (delen van) de brandbeveiligingsinstallatie moet vergunninghouder vervangende en gelijkwaardige maatregelen nemen dan wel aantoonbaar de procesvoering aanpassen aan het gewijzigde veiligheidsniveau. Tevens moet deze buiten bedrijfstelling, voorzien van een beschrijving van de gebeurtenis alsmede de te nemen maatregelen, schriftelijk gemeld worden bij het bevoegd gezag alsmede de VRR. Bij geplande buiten bedrijfstelling moet minimaal vijf werkdagen voorafgaande hieraan schriftelijk het bevoegd gezag en de VRR worden geïnformeerd. In andere gevallen moet deze melding onverwijld plaats vinden.

5.3 Bluswater

5.3.1

De inrichting moet ter plaatse van het gebied rond de ADR opstelplaats en de PGS 15 opslagvoorzieningen voorzien zijn van een dekkend bluswaternet met bovengrondse brandkranen op eigen terrein, zodat brand in die delen van de inrichting effectief door de brandweer kan worden bestreden.

5.3.2

De voordruk van het bluswaternet mag niet meer bedragen dan 500 kPa en op een deksel van een ondergrondse brandkraan mogen geen voertuigen zwaarder dan 3.500 kg asdruk kunnen rijden.

Toelichting:

Indien de statische voordruk op het bluswaternet meer dan 500 kPa bedraagt mogen er geen ondergrondse brandkranen worden toegepast in verband met de veiligheid van het brandweerpersoneel. Deksels van ondergrondse brandkranen liggen los boven de aansluiting zelf en kunnen breken of scheef zakken met de terreinverharding als er zwaar verkeer overheen rijdt en zijn dan niet te allen tijde bruikbaar zoals voorgeschreven.

[afbeelding]

5.3.3

Op het bluswaternet moeten op onderlinge afstand van maximaal 80 meter bovengrondse brandkranen aanwezig zijn. Deze moeten tot 15 meter via rijpaden (asbelasting 100 kN, breedte 4 meter) met brandweervoertuigen kunnen worden bereikt. Binnen een straal van 0,9 meter rondom brandkranen mogen zich geen obstakels bevinden.

5.3.4

Een bovengrondse brandkraan moet:

5.3.5

De bluswatercapaciteit moet ter plaatse van het gebied rond de ADR opstelplaats en de PGS 15 opslagvoorzieningen 180 m 3 per uur zijn, zodat bij gelijktijdig gebruik van twee brandkranen een waterlevering per brandkraan van 90 m 3 per uur bij een dynamische druk van 100 kPa constant verzekerd is. Deze capaciteit moet, ongeacht reparatie, storing of onderhoud, te allen tijden gedurende een periode van minimaal 4 uur bij gelijktijdig gebruik van hydranten en de sprinklerinstallatie gegarandeerd zijn.

5.3.6

Brandkranen moeten elke drie jaar, evenals bij grote wijzigingen in het bluswatersysteem door een daartoe door het bevoegd gezag aanvaarde deskundige met een aantoonbaar geijkte water- en drukmeter worden gecontroleerd op de geëiste waterdruk en wateropbrengst. De meetmethode moet voordat de meting wordt uitgevoerd in overleg met het bevoegd gezag worden vastgesteld. De testresultaten moeten worden bijgehouden in een logboek.

5.3.7

Teneinde zand, stenen en aangroei van verontreinigingen te venwijderen moet het gehele bluswatersysteem regelmatig maar tenminste twee maal per jaar (tussen twee achtereenvolgende spoelingen moet tenminste vier maanden zijn verstreken), met een spoelwatersnelheid van ten minste 3 m/s of de maximale capaciteit van de bluspompen worden gespoeld. Indien kan worden aangetoond dat (voor een gedeelte van de installatie) met een lagere frequentie kan worden volstaan, dan kan in overleg met het bevoegd gezag van genoemde frequentie worden afgeweken. Van de reiniging moet een registratie worden bijgehouden.

5.3.8

Indien er op de in voorschrift 5.3.5 genoemde bluswaterleiding ook stationaire blusmiddelen of systemen zijn aangesloten, dient de voordruk aangepast te worden, aan de benodigde voordruk van deze stationaire middelen.

[afbeelding]

5.4 'Operationele Informatie bij Incidenten met Gevaarlijke Stoffen' (OIGS)

5.4.1

De gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen die binnen de inrichting worden opgeslagen (met uitzondering van de werkvoorraad) evenals de vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen die binnen de inrichting worden gestald, dienen geregistreerd te worden in het OIGS.

5.4.2

In het OIGS dienen de volgende gegevens actueel beschikbaar te zijn:

5.4.3

Op eerste aanvraag van de toezichthouder moet een actueel overzicht van de gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen worden getoond. Dit overzicht dient de in voorschrift 5.4.2, sub a, genoemde gegevens te bevatten. Van de opgeslagen gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen moet de datum van inslag kunnen worden getoond. Van de gestalde vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen moet de aankomstdatum kunnen worden getoond.

5.4.4

Mutaties van aan- en afgevoerde partijen gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen dienen aan het einde van elke dag (uiterlijk 24:00 uur) in het OIGS te zijn verwerkt.

5.4.5

De voorschriften 5.4.1 t/m 5.4.4 treden in werking twaalf maanden na inwerkingtreding van dit voorschrift. Tot die tijd moet de registratie van de verpakte gevaarlijke stoffen als bedoeld in 5.4.2 worden bijgehouden in een digitaal-/ papieren-journaal.

[afbeelding]

5.4.6

In afwijking van voorschrift 5.4.5 treden de voorschriften 5.4.1 t/m 5.4.4 met betrekking tot de registratie van de CMR-stoffen, niet zijnde ADR-geclassificeerde stoffen, in werking zes maanden nadat de registratie van CMR-stoffen mogelijk is in het OIGS. Tot die tijd moet de registratie van de verpakte gevaarlijke stoffen als bedoeld in 5.4.2 worden bijgehouden in een digitaal-/ papieren-journaal.

5.4.7

Bij een gezamenlijke opslag van gevaarlijke stoffen en niet-gevaarlijke stoffen in dezelfde opslagvoorziening moeten ook de niet-gevaarlijke stoffen (aanverwante stoffen) worden geregistreerd in het OIGS. Hierbij kan volstaan worden met de aanduiding van de hoeveelheid aanverwante stoffen per opslagvoorziening. Dit voorschrift treedt in werking zes maanden nadat de registratie van koopmansgoederen en aanverwante stoffen mogelijk is in het OIGS. Tot die tijd moeten de niet-gevaarlijke stoffen, indien er sprake is van een gezamenlijke opslag met gevaarlijke stoffen in dezelfde opslagvoorziening, worden bijgehouden in een digitaal-/papierenjournaal.

Toelichting: Een opslagvoorziening is in de PGS15 gedefinieerd als een "Vaste ruimte bestemd voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen uitgevoerd als een brandcompartiment conform Bouwbesluit met een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 60 minuten'. Zodra de mogelijkheid voor registratie van niet-gevaarlijke stoffen wordt geregeld in het OIGS-systeem, worden de aangesloten bedrijven op de hoogte gesteld via het OIGS-systeem. Voorschrift 5.4.7 geldt uitsluitend voor opslagvoorzieningen waar gezamenlijke opslag plaatsvindt van gevaarlijke en niet-gevaarlijke stoffen (aanverwante stoffen).

[afbeelding]

6.0 (EXTERNE) VEILIGHEID

6.1 Maximale opslagcapaciteit van verpakte gevaarlijke stoffen

6.1.1

In de genoemde opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen in verpakking mogen de onderstaande hoeveelheden verpakte gevaarlijke stoffen aanwezig zijn zoals in tabel 7.1 is aangegeven.

Opslag- voorzieningMaximale opslag- capaciteit (ton) 1)ADR 2 2)ADR 3 VG I, II en/of IIIADR 5.1 VG I, II en/of IIIADR 6.1 VG II en/of IIIADR 8 VG II en/of IIIADR 9 VG II en/of III 6)CMR
0.03400400176 3) / 400 4)0400400400400
0.04544544544 5)0544544544544
PGS-kluis1000100000

Totaal

954

1) de opslagcapaciteit is inclusief aanverwante stoffen

2) spuitbussen in LQ

3) verdeeld over twee vakken met per vak maximaal 88 ton stoffen met ADR-klasse 3 met een vlampunt ≤ 60°C. Hierbij moet wel aan de voorschriften ten aanzien van vakken, vakscheiding, etcetera uit de PGS 15: 2016 worden voldaan, zoals voorschriften 3.7.7, 4.3.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.5.5 en 4.7.1.

4) De maximale capaciteit van 400 ton geldt voor de opslag van stoffen van ADR-klasse 3 met een vlampunt >60°C. Deze opslagcapaciteit is alleen beschikbaar als er géén stoffen van ADRklasse 3 stoffen in de opslagvoorziening aanwezig zijn met een vlampunt ≤ 60°C. De maximale opslagcapaciteit van 176 ton geldt voor de opslag van stoffen van ADR-klasse 3 stoffen met een vlampunt ≤ 60°C in de opslagvoorziening (uitgaande van twee vakken per opslagvoorziening).

5) alleen in metalen verpakking én waarbij alle andere verpakte gevaarlijke stoffen ook in metalen verpakking aanwezig zijn.

6) zijnde milieugevaarlijk (M6 en/of M7)

6.2 Opslag verpakte gevaarlijke stoffen (PGS 15)

Opslag verpakte gevaarlijke stoffen tot 10.000 kg

6.2.1

De opslag van verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen tot 10 ton die vallen binnen de werkingssfeer zoals genoemd in tabel 1.1 van de PGS 15 en waarvan de ondergrens genoemd in tabel 1.2 van de PGS 15 wordt overschreden moet, voor zover niet anders geregeld in de hiernavolgende voorschriften, voldoen aan de voorschriften van de paragrafen 3.1 t/m 3.4 (met uitzondering van voorschrift 3.2.4 en de voorschriften van paragraaf 3.4.4), 3.6, 3.7 en 3.10 t/m 3.19.1 van hoofdstuk 3 van de richtlijn PGS 15.

[afbeelding]

6.2.2

De inpandige opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen zoals aangegeven op de plattegrondtekening (plattegrondtekening GM02 begane grond PGS ruimte van 18-12-2019, laatst gewijzigd 20-02-2020) moet zijn gelegen in een brandcompartiment die is voorzien van een brandmeldinstallatie (BMI) die is aangesloten op een PAC.

6.2.3

In de vloer van een opslagvoorziening mogen zich geen openingen bevinden die in directe verbinding staan of kunnen worden gebracht met de openbare riolering of met het oppervlaktewater.

6.2.4

In de opslagvoorziening tot 10 ton mogen uitsluitend gevaarlijke stoffen van ADR klasse 5.1 worden opgeslagen. Brandbare stoffen of brandbare voorwerpen mogen in deze opslagvoorziening niet aanwezig zijn.

6.2.5

Binnen een afstand van 3,5 meter van de opslagvoorziening mogen geen brandbare stoffen of brandbare voorwerpen aanwezig zijn en/of brandgevaarlijke activiteiten worden uitgevoerd. Deze afstand moet permanent zijn aangegeven op de vloer rondom de opslagvoorziening.

Opslag verpakte gevaarlijke stoffen groter dan 10.000 kg

6.2.6

De opslag van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen in een hoeveelheid van meer dan 10 ton in een opslagvoorziening die vallen onder de ADR-categorieën zoals genoemd in de PGS 15 dienen voor zover niet anders geregeld in de hiernavolgende voorschriften, te voldoen aan het gestelde in de voorschriften 4.1.1, 4.3.1, 4.4.1, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.7.1, 4.8.1 en de voorschriften van de paragrafen 4.8 (met uitzondering van voorschrift 4.8.8, 4.8.9 en 4.8.10) en 4.9 van de richtlijn PGS 15.

6.2.7

Verpakkingen van voor derden opgeslagen gevaarlijke stoffen mogen niet worden geopend binnen de inrichting.

Toelichting: dus ook niet ten behoeve van monstername. Dit volgt uit het UPD.

6.2.8

Alvorens een UPD ter goedkeuring bij het bevoegd gezag wordt ingediend, moet deze door een NEN-EN-ISO/IEC 17020 geaccrediteerde inspectie-instelling type A, positief zijn beoordeeld. Het verzoek om goedkeuring van het UPD moet vergezeld gaan met het beoordelingsrapport dat is opgesteld door de type A inspectie-instelling. De instelling moet haar oordeel baseren op het inspectieschema UPD-PGS (Uitgangspuntendocumenten Brandveiliging Opslag Gevaarlijke Stoffen volgens PGS) uitgegeven door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).

[afbeelding]

6.2.9

Een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen met beschermingsniveau 1 en waarbij een VBB-systeem is toegepast, mag niet eerder in gebruik worden genomen dan nadat een inspectierapport door een type A inspectie-instelling is afgegeven. Uit het inspectierapport moet blijken of het VBB-systeem is aangelegd en opgeleverd conform de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitgangspunten als bedoeld in voorschrift 6.2.8. Het inspectierapport moet binnen de inrichting aanwezig zijn. De instelling moet haar oordeel baseren op de meest recente versie van het Inspectieschema Brandbeveiliging PGS (BB-PGS) uitgegeven door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).

6.2.10

Na ingebruikname van een brandbeveiligingsinstallatie zoals bedoeld in voorschrift 4.8.1 van de PGS 15 moet deze iedere twaalf maanden door een type A inspectie-instelling zoals bedoeld in voorschrift 6.2.9 worden beoordeeld. Bij deze beoordeling moet getoetst worden of het VBB-systeem en de situatie binnen de opslagvoorziening in overeenstemming zijn met het door het bevoegd gezag goedgekeurde UPD als bedoeld in 6.2.8. Het inspectierapport moet zijn gebaseerd op de meest recente versie van het Inspectieschema Brandbeveiliging PGS uitgegeven door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) en moet binnen de inrichting aanwezig zijn.

6.2.11

Om te voldoen aan de productopvangeis van voorschrift 4.7.1 van de PGS 15 mogen in opslagvoorziening 0.03 per vak maximaal 88 m 3 met vloeistoffen met een vlampunt ≤ 60 graden Celsius aanwezig zijn. De aanwezigheid van andere (niet-)gevaarlijke vloeistoffen mag er niet toe leiden dat in het betreffende vak meer dan 88 m 3 vloeistoffen aanwezig is.

6.2.12

Ten behoeve van de produktopvangcapaciteit dienen de hallen 0.03 en 0.04 te zijn voorzien van een vloeistofkering van tenminste 40 cm hoog. De minimale opvanghoogte van 40 cm vanaf het vloeroppervlak moet permanent zijn aangegeven op de wanden van de opslagvoorziening.

6.2.13

In opslagvoorzieningen 0.03 en 0.04 (zoals aangegeven op de plattegrondtekening GM02 begane grond PGS ruimte van 18-12-2019, laatst gewijzigd 20-02-2020 van de aanvraag) moeten overeenkomstig beschermingsniveau 1 van PGS 15 een automatische CO2blusgasinstallatie aanwezig zijn die bedrijfsgereed is.

6.2.14

Bij stellingen die boven de vluchtdeuren doorlopen, moet het gedeelte boven de vluchtdeur voorzien zijn van een vloeistofopvang en mogen geen gevaarlijke vloeistoffen boven de vluchtdeuren worden opgeslagen.

[afbeelding]

Voorkomen overschrijding lagedrempelwaarde

6.2.15

Toelichting

Het uitgangspunt is dat vooraf bepaald wordt of de lagedrempelwaarden worden overschreden via bijvoorbeeld een rekentool. In ieder geval moet vooraf bekend zijn, dus voordat een gevaarlijke stof binnen de inrichting komt, of dit leidt tot een overschrijding van de lagedrempelwaarden of niet. Het voorschrift spreekt van hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Dit zijn alle hoeveelheden binnen de inrichting.

Opslag van spuitbussen en gaspatronen (ADR-klasse 2)

6.2.16

De opslag van spuitbussen en gaspatronen (ADR-klasse 2) moet in 0.03 en 0.04 (zoals aangegeven op de plattegrondtekening GM02 begane grond PGS ruimte van 18-12-2019, laatst gewijzigd 20-02-2020 van de aanvraag) plaatsvinden en moet, voor zover niet anders geregeld in de hierna volgende voorschriften, voldoen aan voorschrift 7.1.1 en de voorschriften van de paragrafen 7.3 tot en met 7.5 van de richtlijn PGS 15 "Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen' (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2016 versie 1.0 (september 2016)) met uitzondering van voorschrift 7.4.1.

6.3 Parkeerplaatsen voor vervoerseenheden met verpakte gevaarlijke stoffen

6.3.1

Alleen op de daartoe aangewezen parkeerplaatsen zoals aangegeven op de plattegrondtekening met kenmerk GM01, laatst gewijzigd 20-02-2020 mogen vervoerseenheden met verpakte gevaarlijke stoffen van ADR-klassen 2 (zijnde spuitbussen), 3, 5.1, 6.1, 8 en 9 tijdelijk worden geparkeerd. De voertuigen met verpakte gevaarlijke goederen mogen alleen worden geparkeerd voor zover deze daar aanwezig zijn in verband met het aanmelden of andere formaliteiten.

[afbeelding]

6.3.2

Rond elke op de in voorschriften 6.3.1 aangewezen terreindelen van de inrichting geparkeerde vrachtwagen die met gevaarlijke stoffen is beladen, moet een ruimte van twee meter vrij zijn (horizontaal gemeten). Dit geldt niet voor vrachtwagens met een lading uit dezelfde gevarenklasse.

Toelichting:

Aan dit voorschrift kan bijv. worden voldaan door vrachtwagens beladen met gevaarlijke stoffen afwisselend op te stellen met voertuigen met een ongevaarlijke lading. Onder voertuigen worden ook verstaan trailers of opleggers zonder trekker.

6.3.3

De voertuigen met gevaarlijke stoffen moeten zodanig zijn geparkeerd dat deze uit de opstelplaats kunnen worden weggereden.

6.3.4

Geladen vrachtwagens voor verpakte gevaarlijke stoffen moeten zijn voorzien van de vereiste etiketten volgens het ADR.

6.4 Inspectie, keuringen en onderhoud

6.4.1

In de inrichting moet aanwezig zijn:

In het registratiesysteem moeten zijn opgenomen:

In het archiefsysteem moeten zijn opgenomen:

6.4.2

Voor het uitvoeren van onderhoudsof herstelwerkzaamheden, waarbij nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden, moet door of namens de bedrijfsleiding aan het uitvoerend personeel een schriftelijke instructie worden gegeven, waarin vermeld staat welke werkzaamheden uitgevoerd moeten worden en op welke plaatsen welke veiligheidsmaatregelen moeten worden getroffen en/of welke voorzieningen getroffen moeten worden om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Deze schriftelijke instructie moet door het betrokken personeel voor gezien zijn ondertekend. Indien zich tijdens de onderhouds- of herstelwerkzaamheden een ongewoon voorval, zoals bedoeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer, heeft voorgedaan moet de ondertekende instructie ten minste worden bewaard totdat het voorval door het bevoegd gezag is afgehandeld.

[afbeelding]

6.5 Opslagtank voor kooldioxide

6.5.1

Een bovengrondse stationaire opslagtank, bedoeld voor de opslag van kooldioxide, wordt gebruikt volgens de volgende onderdelen van PGS 9:

6.5.2

Een opslagtank voor de opslag tot 10 m 3 kooldioxide moet op tenminste één meter van de erfgrens zijn geplaatst.

[afbeelding]

7.0 ENERGIE

7.1 EED bedrijven

7.1.1

Degene die de inrichting drijft moet alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder uitvoeren.

7.1.2

De vergunninghouder moet uiterlijk 31 december 2024 een energie-onderzoek aan het bevoegd gezag aanbieden. Het energie onderzoek heeft tot doel om de rendabele en technisch haalbare energie-efficiënte maatregelen te identificeren. Het energie onderzoek moet ten minste de volgende gegevens bevatten:

Het energieonderzoek wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het energieonderzoek worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform dit voorschrift.

7.1.3

Vergunninghouder neemt alle energiemaatregelen die binnen vijf jaar terug te verdienen zijn. In ieder geval verbetert vergunninghouder de energie-efficiëntie van de inrichting door de rendabele maatregelen uit het energieplan zoals bedoeld in voorschriften 7.1.2 en 7.1.5 uit te voeren, binnen de termijn die per maatregel in het energieplan is aangegeven.

[afbeelding]

7.1.4

Ten minste worden de maatregelen toepast, zoals aangegeven in de bij de aanvraag gevoegde memo van 26-06-2020 met kenmerk: 2017012_memo_BPC_22062020.

7.1.5

Warmte die vrijkomt door het koelen van de koopmansgoederen, moet ergens anders in het gebouw nuttig gebruikt worden, voor ruimteverwarming of warm tapwater. Dit voorschrift is alleen van toepassing op een koelinstallatie van minimaal 100 kW.

7.1.6

Vergunninghouder mag een maatregel vervangen door een gelijkwaardig alternatief, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid richting het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de gelijkwaardige maatregelen minstens evenveel bijdragen aan energiebesparing of verbetering van de energie-efficiëntie en geen stijging geeft van de milieubelasting vergeleken met de vervangen maatregel.

7.1.7

Vergunninghouder moet eenmaal per vier jaar het energieonderzoek, als bedoeld in voorschrift 7.1.2, actualiseren en ter beoordeling zenden aan het bevoegd gezag. In geval de installaties niet zijn gewijzigd, kan volstaan worden met een actualisatie van de onderdelen c, d en e uit het onderzoek. Daarnaast moet in deze actualisatie over de voorgaande vier jaar worden opgenomen:

Het geactualiseerde energieonderzoek wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag dit nodig acht, moet het energieonderzoek worden aangevuld en opnieuw worden aangeboden conform dit voorschrift.

7.1.8

Bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen moet vergunninghouder energiezuinigere alternatieven onderzoeken, tenzij deze beslissing betrekking heeft op maatregelen die al in het energieplan zijn opgenomen. Indien een energiezuiniger alternatief in vijf jaar of minder terug te verdienen is, moet voor dat alternatief gekozen worden. De gemaakte keuzes moeten worden gemeld en onderbouwd in de vierjaarlijkse rapportage, zoals beschreven in voorschrift 7.1.7. Investeringen in verband met de aangevraagde verandering van de inrichting worden in elk geval als energierelevant gezien.

7.1.9

In het geval dat de auditplicht op basis van de nationale implementatie van de Europese Richtlijn energie-efficiëntie niet langer geldt voor vergunninghouder, stelt de vergunninghouder het bevoegd gezag hiervan onverwijld in kennis.

[afbeelding]

32/84

Ons kenmerk:

9999174593_9999901179

7.1.10

Vergunninghouder implementeert een energiezorgsysteem dat voorziet in maandelijkse registratie van alle ingekochte energiedragers en jaarlijkse analyse hiervan. De resultaten van deze analyse worden teruggekoppeld aan het management. Zo nodig worden voor relevante bedrijfsonderdelen separate energieverbruiksmeters geïnstalleerd.

[afbeelding]

8.0 GELUID

8.1.1

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de tot de inrichting behorende toestellen en installaties en door de tot de inrichting behorende verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, waarvoor vergunning is aangevraagd, mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in de onderstaande tabel niet meer bedragen dan:

Vergunningsimmissiepunt (VIP)Dag 07:00-19:00 [dB(A)]Avond 19:00-23:00 [dB(A)]Nacht 23:00-07:00 [dB(A)]
OmschrijvingWaarneem- hoogte [m]
Woning Poortugaalseweg 841,540----
5,0--3939
Woning Seattleweg 401,532----
4,5--3333

8.1.2

Het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door de tot de inrichting behorende toestellen en installaties en door de tot de inrichting behorende verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, waarvoor de vergunning is aangevraagd, mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in de onderstaande tabel niet meer bedragen dan:

Vergunningsimmissiepunt (VIP)Dag 07:00-19:00 [dB(A)]Avond 19:00-23:00 [dB(A)]Nacht 23:00-07:00 [dB(A)]
OmschrijvingWaarneem- hoogte [m]
Woning Poortugaalseweg 841,553----
5,0--5252
Woning Seattleweg 401,545----
4,5--4545

8.1.3

Het meten en berekenen van de geluidniveaus, en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (1999).

[afbeelding]

9.0 VOORSCHRIFTEN BOUWEN

9.1 Algemeen

9.1.1

Aanvullende gegevens moeten uiterlijk drie weken voor de start van de werkzaamheden aan ons ter goedkeuring worden aangeboden via www.omgevingsloket.nl. U kunt pas beginnen met de werkzaamheden als u heeft voldaan aan alle voorschriften en de aanvullende gegevens door ons zijn goedgekeurd.

U moet nog de volgende gegevens indienen.

Voor wat betreft de bouwplaats:

Voor wat betreft de constructie:

Voor wat betreft de brandveiligheid (inclusief de verleende gelijkwaardigheden):

[afbeelding]

9.1.2

Het aan te leveren uitgangspuntendocument (UPD) moet als uitzondering op de hierboven gestelde termijn minimaal 8 weken van tevoren aan ons worden aangeboden via www.omgevingsloket.nl

9.1.3

U moet op eigen terrein een bluswatervoorziening (bovengrondse/ondergrondse brandkranen) laten aanbrengen. De voorziening moet op het drinkwaterleidingnet (als ringleiding) zijn aangesloten (of gelijkwaardig). U mag het gebouw pas in gebruik nemen als de voorziening in staat is om per bovengrondse brandkraan 90 m 3 /uur water, bij het gelijktijdig gebruik van twee kranen, met een (aangetoonde) dynamische overdruk van 100kPa te leveren. De voorziening moet voldoen aan hoofdstuk 5 van het handboek 'Brandbeveiligingsinstallaties' van Brandweer Nederland (voormalige Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding). (Zie hoofdstuk 12 van het brandveiligheidsrapport doc.nr: 10777-1/BBC revisie: C d.d. 14 juli 2020).

9.1.4

BHS, NBL en BKR komen in de aparte secties vanaf de pompen i.p.v. fysiek aparte bronnen. Op deze manier is er meer betrouwbaarheid en reduceert de faalkansen van het systeem. (Ook als de brandweer eventueel te veel inzet.)

9.1.5

Het gebouw moet worden voorzien van een brandmeldinstallatie. De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie moet voldoen aan:

Voordat u het gebouw in gebruik neemt moet de brandmeldinstallatie zijn voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV inspectieschema Brandbeveiliging.

9.1.6

Indien bij het gebruik blijkt dat er sprake is van doodlopende einde(n) dan moeten volgens artikel 6.20 lid 5 van het Bouwbesluit de betreffende ruimten worden voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie en een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking.

9.1.7

De ontruimingsalarminstallatie moet zijn van het type B - LUID.

Voordat u het gebouw in gebruik neemt moet de installatie door de Veiligheidsregio RotterdamRijnmond/ Regionale Brandweer met positief resultaat zijn getest.

9.1.8

Voordat u het gebouw in gebruik neemt moet de sprinklerinstallatie zijn voorzien van een geldig inspectiecertificaat dat is afgegeven op grond van het CCV inspectieschema Brandbeveiliging.

[afbeelding]

9.1.9

De op tekening met 'V', 'P' en/ of 'E' aangegeven deuren moeten over de minimaal vereiste breedte kunnen worden geopend zonder dat gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of ander los voorwerp. (V= vluchtdeur; P= paniekdeur voorzien van panieksluiting; E= deur voorzien van automatische bediening).

De deuren moeten in de aangegeven richting draaien.

9.1.10

De op de tekening aangegeven voedingspunten van de natte leidingen moeten worden vastgesteld in overleg met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond/ Regionale Brandweer. Voordat u het gebouw in gebruik neemt moeten de leidingen, inclusief de eventueel daarbij behorende pompinstallaties, met positief resultaat zijn getest. De resultaten van deze test moeten volgens bijlage A van NEN 1594 worden verwerkt in een keuringsrapport, volgens bijlage B van deze norm. U moet een kopie van het rapport aan ons aanbieden zodat wij kunnen beoordelen of de test is uitgevoerd door een deskundige.

9.1.11

De brandweerliften, inclusief de verkeersruimte als bedoeld in afdeling 2.16 van het Bouwbesluit, moeten voldoen aan NEN-EN 81-72 en hoofdstuk 17 van het boek 'Brandbeveiligingsinstallaties' van de Nederlandse Vereniging voor Brandweerzorg en Rampenbestrijding.

Voordat u het gebouw in gebruik neemt moeten de brandweerliften door het Liftinstituut zijn goedgekeurd. Daarnaast moeten de voeding en de ventilatie moet door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond/ Regionale Brandweer met positief resultaat zijn getest.

9.1.12

De verlichting van de op tekening met ANV aangegeven ruimten moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom. Voordat u het gebouw in gebruik neemt moet de noodverlichtingsinstallatie zijn getest middels een lichtsterktemeting. Van deze meting moet een rapportage worden opgesteld. Deze rapportage moet aan ons worden aangeboden via www.omgevingsloket.nl.

9.1.13

De op tekening aangegeven vluchtwegaanduiding geeft de minimaal vereiste vluchtwegaanduidingen weer op basis van de bouwkundige aspecten van het gebouw. Het gebruik van het gebouw en de daarbij behorende nadere inrichting kan leiden tot nader vereiste aan te brengen vluchtwegaanduidingen.

Vluchtwegaanduidingen in de met ANV aangegeven ruimten moeten zijn aangesloten op een voorziening voor noodstroom.

9.1.14

De op tekening aangegeven brandslanghaspels in de kantoor- en bijeenkomstfunctie mogen een maximale lengte hebben van 30 meter en moeten een inwendige diameter hebben van 19 mm. De brandslanghaspels moeten op het drinkwaterleidingnet worden aangesloten en tegen vorst zijn beschermd.

Voor brandslanghaspels binnen de industriefunctie is een gelijkwaardige oplossing ingediend. In plaats van de normaal brandslanghaspels wordt hier gebruik gemaakt van brandslanghaspelkarren (zie gelijkwaardigheid).

[afbeelding]

Blad:

37/84

Ons kenmerk:

9999174593_9999901179

9.1.15

Het pand moet worden voorzien van draagbare handblusmiddelen conform de NEN 4001. 9.1.16 Indien er verschillen zijn tussen de tekeningen en/of rapporten dan zijn de zwaarste eisen

maatgevend.

[afbeelding]

ALGEMENE OVERWEGINGEN

Projectbeschrijving

Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: bedrijf voor de open overslag van gevaarlijke stoffen en (gekoelde)koopmansgoederen in een bedrijfshal met meerdere compartimenten.

Bevoegd gezag

De inrichting valt onder meer onder categorie 1 onder A. van bijlage 1 onderdeel B en de categorieën 4.4 lid, onderdelen h. en J. van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Categorie 1 onder A. van bijlage 1 onderdeel B:

Categorie 4.4 lid, onderdeel j. van bijlage 1 onderdeel C:

Wij zijn bevoegd gezag om te beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit volgt uit artikel 2.4, eerste lid van de Wabo.

Procedure

De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.3 van de Wabo, de uitgebreide voorbereidingsprocedure.

Wij hebben geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen met zes weken zoals bedoeld in artikel 3.12, achtste lid, van de Wabo.

Volledigheid en ontvankelijkheid

Volgens artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo dient de aanvrager er voor zorg te dragen dat de aanvraag betrekking heeft op alle activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen.

De aanvraag is daarnaast getoetst aan de indieningsvereisten uit de ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor) en op inhoud beoordeeld. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is zowel volledig als ontvankelijk en daarom in behandeling genomen.

De aanvraag is getoetst aan de indieningsvereisten uit de ministeriële Regeling omgevingsrecht

(Mor) en op inhoud beoordeeld. Daarbij is gebleken dat een aantal gegevens ontbrak. Wij hebben de aanvrager per brief van 19 juni 2020 in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens te leveren.

[afbeelding]
[afbeelding]

Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 15 mei 2020, 1 juli 2020, 10 juli 2020, 21 juli 2020, 22 juli 2020, 27 juli 2020 en 11 augustus 2020. De termijn voor het nemen van het besluit is opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag samen met de aanvullingen volledig is en voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is zowel volledig als ontvankelijk en daarom in behandeling genomen.

In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur.

Gelet op het bepaalde in artikel 2.26, eerste en derde lid, van de Wabo, alsmede de artikelen in § 6.1 van het Bor, hebben wij Waterschap Hollandse Delta de gelegenheid geboden om te adviseren op de aanvraag.

Naar aanleiding hiervan hebben wij op 20 juli 2020 een reactie ontvangen. Hierin is aangegeven dat het Waterschap geen aanleiding ziet voor het geven van een advies.

Gelet op het bepaalde in artikel 2.26, vierde lid, van de Wabo, alsmede de artikelen in § 6.1 van het Bor, hebben wij inhoudelijk advies gevraagd aan de gemeente Rotterdam. Naar aanleiding hiervan hebben wij advies voor het onderdeel bouwen en afwijken van het bestemmingsplan ontvangen en verwerkt in dit besluit.

Adviezen en zienswijzen naar aanleiding van de aanvraag en de ontwerpbeschikking

Wij hebben geen adviezen en/of zienswijzen ontvangen naar aanleiding van de terinzagelegging van de aanvraag en de ontwerpbeschikking.

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r. beoordeling)

De voorgenomen activiteit valt onder categorie D25.1 (de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie behorend tot de chemische industrie bestemd voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten), van de D-lijst, van het Besluit milieu-effectrapportage. Ondanks dat de drempelwaarde niet wordt overschreden is hiervoor een vormvrije merbeoordeling uitgevoerd. Op 9 april 2020 hebben wij het besluit met kenmerk 9999166512_9999750216 genomen dat voor deze voorgenomen activiteit in dit specifieke geval vanwege de nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben geen milieueffectrapport (hierna: MER) opgesteld moet worden. Dit besluit is bij de aanvraag gevoegd.

Wet natuurbescherming

Ten behoeve van de vormvrije mer-beoordeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd en op 6 januari 2020 voorgelegd bij de Omgevingsdienst Haaglanden die namens Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland ons op 25 februari een beoordeling heeft toegezonden. In deze beoordeling wordt geconcludeerd dat een vergunning voor de beoogde activiteit op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb niet nodig is.

Activiteitenbesluit milieubeheer

In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voor bepaalde activiteiten die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, algemene regels opgenomen.

Op vergunningplichtige (type C) inrichtingen kunnen bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen. In de omgevingsvergunning kan van het Activiteitenbesluit worden afgeweken voor zover dat in het Activiteitenbesluit is aangegeven.

[afbeelding]

De voorschriften die in deze vergunning zijn opgenomen, zijn voorschriften voor aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling.

De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, wordt aangemerkt als een type C inrichting. In de aanvraag zijn de volgende activiteiten opgenomen zoals genoemd in hoofdstuk 3 en/of hoofdstuk 5 van het Activiteitenbesluit en daarin uitputtend geregeld zijn:

OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN MILIEU

Toetsingskader

Inleiding

De aanvraag heeft betrekking op het oprichten en het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden.

Toetsing

Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij:

Beste beschikbare technieken BBT

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt er van uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.

Als op een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBT-conclusies of informatiedocumenten over BBT van toepassing zijn, of als de van toepassing zijnde BBT-conclusies of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, moet het bevoegd gezag de BBT zelf vaststellen. Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met:

[afbeelding]
[afbeelding]

De op één van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies.

Concrete bepaling BBT

Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, als aangewezen in de bijlage van de Regeling omgevingsrecht (Mor):

Naast bovengenoemde richtlijnen hebben wij de PGS 14 1 betrokken bij onze beoordeling van de aanvraag.

Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan de BBT ter voorkoming van emissies naar de lucht, de bodem en het water, geluidemissies, afvalpreventie, externe veiligheid en energiebesparing. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

Afvalstoffen

Preventie

Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogamma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie. Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.

In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.

1 Publicatiereeks gevaarlijke stoffen 14 (Vastopgestelde brandbeheersings- en brandblussystemen - Handreiking bij de toepassing van opslag van gevaarlijke stoffen volgens PGS 15).

[afbeelding]

Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt. Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen:

Gezien de aard en hoeveelheid van de ontstane afvalstoffen concluderen wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.

Afvalscheiding

In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B 3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.

Voor een aantal afvalstoffen, die diffuus of in kleine hoeveelheden ontstaan, is in het LAP (paragraaf B.3.5.2) een tabel opgenomen waarin een indicatie wordt gegeven wanneer het redelijk is afvalscheiding te vergen.

Daarnaast zijn in bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Voor de overwegingen met betrekking tot het gescheiden houden/niet mengen van deze categorieën van afvalstoffen wordt verwezen naar de paragraaf 'mengen'.

In voorschrift 3.1.1 is de verplichting opgenomen dat om de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren:

Afvalwater

Toetsingskader

Binnen de inrichting is er sprake van lozingen waarvoor de 'Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer' van toepassing is. In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringstechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringstechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd.

[afbeelding]

Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.

Binnen de inrichting is er sprake van een lozing waarvoor afdeling 2.1 over de zorgplichtbepaling en afdeling 2.2 over lozingen van het Activiteitenbesluit rechtsreeks gelden. Het betreft het lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening (§ 3.1.3 AB). Dergelijke lozingen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit en hierover mogen geen voorschriften worden opgenomen in de omgevingsvergunning.

Voor het lozen van huishoudelijk afvalwater of daarmee vergelijkbaar bedrijfsafvalwater is de 'Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer' van toepassing.

In het kader van deze regeling moeten voorschriften opgenomen worden die gericht zijn op de bescherming van het openbaar riool, een zuiveringtechnisch werk of de bij een zodanig openbaar riool of zuiveringtechnisch werk behorende apparatuur. Verder moeten voorschriften opgenomen worden die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de kwaliteit van het rioolslib er niet door wordt aangetast zodat de verwerking van dit slib niet wordt belemmerd. Daarnaast dienen voorschriften te worden opgenomen die bepalen dat het afvalwater van dien aard moet zijn dat de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. De genoemde voorschriften zijn in deze vergunning opgenomen.

Om te voorkomen dat dat vervuild bluswater in de riolering terecht komt is aanvullend voorschrift 2.1.3 opgenomen waarmee verplicht wordt om de lozingsleiding te voorzien van een afsluiter waarmee de afvoer naar de gemeentelijke riolering in geval van calamiteiten dichtgezet kan worden.

Beoordeling en conclusie

De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen zullen leiden tot een acceptabel lozingsniveau dat in overeenstemming is met genoemde doelstellingen.

Bodem

Het kader voor de bescherming van de bodem

Het (nationale) preventieve bodembeschermingbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.

[afbeelding]

Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet.

De bodembedreigende activiteiten

Binnen de inrichting vinden de volgende bodembedreigende activiteiten plaats:

Beoordeling en conclusie

Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.

Om het verwaarloosbaar bodemrisico te borgen, zijn in de vergunning voorschriften opgenomen die voorzien in de inspectie en het onderhoud van de bodembeschermende voorzieningen. Voor de bodembeschermende maatregelen zijn voorschriften opgenomen die voorzien in een adequate instructie en training van het personeel.

Nulsituatie-onderzoek

Het preventieve bodembeschermingbeleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatie-onderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatie-onderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen. Het nulsituatie-onderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindsituatie-onderzoek te worden uitgevoerd. Het nulsituatie-onderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:

De in het nulsituatie-onderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.

Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden, als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit, moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

[afbeelding]

Voor de inrichting is een bodemonderzoek uitgevoerd, maar deze kan niet worden vastgesteld als nulsituatieonderzoek omdat niet op alle mogelijk aanwezige stoffen is geanalyseerd. Vanwege de nog uit te voeren sloopwerkzaamheden en voorbereidingen voor de bouw is ten tijde van de aanvraag nog geen nulsituatieonderozek aangeleverd. In vergunningvoorschrift 4.4.1 is opgenomen dat het nulsituatieonderzoek moet zijn uitgevoerd voordat de activiteiten worden uitgevoerd.

De voor deze onderzoeken noodzakelijke werkzaamheden, als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit, moeten worden uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee is de kwaliteit van het bodemonderzoek geborgd en zijn de resultaten betrouwbaar.

Het risico dat door de aangevraagde activiteiten in combinatie met de getroffen en te treffen voorzieningen een bodemverontreiniging ontstaat, is (in combinatie met de gestelde voorschriften) verwaarloosbaar conform het gestelde in de NRB. Het is dan ook niet noodzakelijk dat de bodemkwaliteit tussentijds wordt gecontroleerd.

Eindsituatieonderzoek en herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging

Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatie-onderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Hiertoe zijn voorschriften in de vergunning opgenomen.

Brandveiligheid

Bouwbesluit 2012

De regels ten aanzien van het brandveilig gebruik van bouwwerken, de brandveilige opslag van kleine hoeveelheden brandbare, milieugevaarlijke stoffen en de brandveilige opslag van brandbare, niet-milieugevaarlijke stoffen, zoals hout, rubber banden en kunststoffen zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Binnen de inrichting worden brandbare, milieugevaarlijke stoffen opgeslagen die niet onder de werkingssfeer van het Bouwbesluit vallen. Hiervoor zijn voorschriften opgenomen.

Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

In het kader van de advisering en afstemming is de aanvraag op 29 april 2020 voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) voorgelegd met het verzoek om advies uit te brengen.

De adviezen van 13 juli 2020 en 13 augustus 2020 zijn betrokken bij de totstandkoming van deze beschikking.

Algemeen

De processen, de aard en hoeveelheid van de gebruikte gevaarlijke stoffen, zoals vermeld in de aanvraag, kunnen effecten veroorzaken naar de omgeving.

[afbeelding]

Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu). Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Zoals in het NMP 4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer:

Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het plaatsgebonden risico is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het plaatsgevonden risico in Nederland is in beginsel 10 -6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken.

Het groepsrisico (GR) voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid groepsrisico is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het groepsrisico is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Registratiebesluit/Regeling provinciale risicokaart

Het Registratiebesluit externe veiligheid geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het besluit en de regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie. De inrichting valt onder de criteria van het Registratiebesluit en/of de Regeling; na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister geactualiseerd.

Beoordeling plaatsgebonden risico en groepsrisico

Op grond van artikel 2, eerste lid, sub f valt de inrichting onder de reikwijdte van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Op grond van artikel 4, vijfde lid betreft het een zogenaamde categoriale inrichting. Dit betekent dat door ons is getoetst aan de in de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) genoemde afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

Toetsing plaatsgebonden risico

Voor de aangevraagde activiteit geldt op grond van de Revi, bijlage 1, tabel 3 een afstand van 20 meter ten opzichte van omliggende kwetsbare objecten.

[afbeelding]

Binnen deze afstand komen geen kwetsbare objecten voor. In het bestemmingsplan zal worden geborgd dat er geen kwetsbare objecten binnen de 10 -6 contour mogelijk zijn. Daarmee wordt voldaan aan de grenswaarde van het Bevi. Binnen deze afstand komen geen beperkt kwetsbare objecten voor. Daarmee wordt voldaan aan de richtwaarde van het Bevi.

Conclusie plaatsgebonden risico

De conclusie is dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor het verlenen van de vergunning.

Toetsing groepsrisico

Om inzicht te krijgen in de groep mensen die potentieel blootgesteld wordt aan de gevolgen van een ramp is ook beoordeeld of het groepsrisico (GR) een relevant aspect is. Uit het Revi volgt dat er geen GR van toepassing is voor opslagvoorzieningen met dergelijke kleine oppervlakten.

Eindconclusie beoordeling plaatsgebonden risico en groepsrisico

Ten aanzien van de risico's als gevolg van de activiteiten zijn wij van mening dat wanneer binnen de inrichting conform de aan deze vergunning verbonden voorschriften en andere wettelijke regels gewerkt wordt, er geen sprake is van onaanvaardbare risico's voor de omgeving ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen en dat de 'rest-'risico's in voldoende mate worden beheerst.

Op- en overslag van gevaarlijke stoffen (PGS-richtlijnen)

Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS richtlijnen relevant:

PGS 9: Opslag van cryogene stoffen (CO2)

Uit de aanvraag blijkt dat de opslag voldoet aan de PGS 9 en daarmee voldoet aan BBT. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden (voorschriften in paragraaf 6.5).

PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

Voor de opslag van gevaarlijke stoffen is de PGS 15:2016 (Publicatiereeks gevaarlijke stoffen 15, versie 1.0 van december 2016) in het Mor vastgesteld als BBT-document. De opslag van deze gevaarlijke stoffen moet voldoen aan de PGS 15. Binnen de inrichting is een aantal opslagvoorzieningen te onderscheiden. Binnen de inrichting zijn de gevaarlijke stoffen overeenkomstig tabel c.1 aanwezig:

[afbeelding]

Tabel c.1: maximale opslagcapaciteit van de inrichting, per opslagvoorziening en per ADRklasse (ton)

Opslag- voorzieningMaximale opslag- capaciteit (ton) 1)ADR 2 2)ADR 3 VG I, II en/of IIIADR 5.1 VG I, II en/of IIIADR 6.1 VG II en/of IIIADR 8 VG II en/of IIIADR 9 VG II en/of III 6)CMR
0.03400400176 3) / 400 4)0400400400400
0.04544544544 5)0544544544544
PGS-kluis1000100000
Totaal954

Voor PGS-kluis met een opslagcapaciteit van minder dan 10 ton zijn voorschriften uit hoofdstuk 3 van de PGS 15 opgenomen. Voor de opslagvoorzieningen met een capaciteit van meer dan 10 ton gelden naast de voorschriften uit hoofdstuk 3 ('Algemeen') ook een aantal voorschriften van hoofdstuk 4 ('Opslagvoorzieningen groter dan 10.000 kg') van de PGS 15.

Op basis van de aard, hoeveelheden, vlampunt en de brandbaarheid van de aanwezige gevaarlijke stoffen, alsmede het materiaal van verpakkingen stellen wij op basis van paragraaf 4.5 van PGS 15 vast, dat voor de hallen 0.03 en 0.04 voorzieningen en maatregelen conform beschermingsniveau 1 zijn vereist. Om te voldoen aan beschermingsniveau 1 heeft PPP de twee hallen voorzien van een gasblussysteem met CO2-blussing. Bij dit systeem wordt de gehele ruimte na branddetectie met CO2 volgezet waardoor de brand wordt verstikt.

Uit de aanvraag blijkt dat de opslag voldoet aan de PGS 15 en daarmee voldoet aan BBT. De relevante onderdelen van deze richtlijn zijn bij voorschrift aan dit besluit verbonden.

Productopvang

Ter invulling van de productopvangeis van voorschrift 4.7.1 van de PGS 15 mogen in opslagvoorziening 0.03 per vak maximaal 88 m 3 met vloeistoffen met een vlampunt ≤ 60 graden Celsius aanwezig zijn. De aanwezigheid van andere (niet-)gevaarlijke vloeistoffen mag er niet toe leiden dat in het betreffende vak meer dan 88 m 3 vloeistoffen aanwezig is. Om te borgen dat aan deze specifieke eis wordt voldaan is dit in voorschrift 6.2.11 expliciet opgenomen.

Gelijkwaardigheid

Bij de toepassing van PGS 15 geldt het gelijkwaardigheidsbeginsel. Dit houdt in dat andere maatregelen kunnen worden getroffen dan in de eisen van de PGS 15 zijn opgenomen, mits deze zorgdragen voor een een gelijkwaardig veiligheidsniveau.

In voorschrift 3.2.4 is opgenomen dat in een inpandige opslagvoorziening maximaal 2.500 kg verpakte gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen aanwezig mogen zijn. In de aanvraag wordt gevraagd tot 10 ton inpandig te mogen opslaan.

De inpandige opslag tot 10 ton wordt voorzien van een gecertificeerde BMI met doormelding naar een 24-uurs bezette post. In de opslagvoorziening wordt maar één type stof (niet meerdere ADR klassen, alleen ADR 5.1) opgeslagen. De opslagvoorziening is geplaatst in een met een sprinkler beveiligde ruimte. De opslagvoorziening wordt geplaatst bij diverse in-/uitgangen zodat de opslagvoorziening goed bereikbaar is. In de directe omgeving (binnen 3,5 meter) zijn geen opslaglocaties aanwezig waardoor er nabij de opslag ook geen brandbare goederen aanwezig zijn. Gezien de bovengenoemde maatregelen wordt het toegestaan om de opslagcapaciteit van de inpandige opslagvoorziening te verhogen naar 10 ton.

Uitgangspuntendocument

Het UPD is de grondslag voor ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie van vast opgestelde brandbeheersings- en brandblussystemen (VBB-systemen). In een UPD moet een overzicht worden gegeven van de geldende voorschriften en moeten praktische keuzes worden gemaakt, waarbij de bouwkundige, installatietechnische en organisatorische (BIO) maatregelen zoveel mogelijk op elkaar aansluiten.

Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) heeft twee inspectieschema's Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen beschikbaar, te weten het Inspectieschema UPD-PGS en het Inspectieschema BB-PGS.

In deze inspectieschema's wordt gewerkt met het begrip brandbeveiliging, waar in de Handreiking UPD gewerkt wordt met het begrip VBB-systeem en in PGS-en met wisselende begrippen gewerkt wordt die in de basis dezelfde systemen en voorzieningen aanduiden. In de begrippenlijst hebben we begrippen met begripsomschrijvingen opgenomen om hier duidelijkheid over te geven.

Het UPD is nog niet beoordeeld door een inspectie-instelling en kan daarom nog niet worden goedgekeurd. In de voorschriften is opgenomen dat het UPD moet zijn goedgekeurd voordat de loodsen 0.03 en 0.04 ingebruik genomen kunnen worden.

[afbeelding]
[afbeelding]

Op basis van het bovenstaande komen wij tot de volgende conclusies en voorschriften:

Bluswatervoorziening

In voorschrift 4.9.1 van de PGS 15 staat beschreven dat voor een opslagvoorziening met beschermingsniveau 1 de aanwezigheid van een bluswatervoorziening is vereist. Voorschrift 4.9.1 specificeert niet hoe deze uitgevoerd moet zijn, om zodoende de mogelijkheid tot maatwerk per regio open te laten. In de aanvraag is aangegeven dat de capaciteit 2 x 90m 3 per uur bedraagt, hetgeen bij vergelijkbare bedrijven in het Rijnmondgebied ook wordt toegepast.

De in de aanvraag beschreven informatie over de bluswatervoorziening en hydranten is voldoende gedetailleerd en is akkoord.

Opstelplaatsen voor vrachtwagens met verpakte gevaarlijke stoffen

Binnen de inrichting zijn nabij een ingang een aantal opstelplaatsen gerealiseerd voor het tijdelijk opstellen van vrachtwagens met verpakte gevaarlijke stoffen. De vrachtwagens kunnen tijdens het aanmelden tijdelijk op daartoe aangewezen plaatsen worden geplaatst alvorens zij worden beladen of gelost. De vervoerseenheden kunnen verpakte gevaarlijke stoffen van ADRklassen 2 (zijnde spuitbussen), 3, 5.1, 6.1, 8 en 9 bevatten. Voor een veilige plaatsing van de vrachtwagens is in voorschrift 6.3.2 opgenomen dat rond elke geparkeerde vrachtwagen die met gevaarlijke stoffen is beladen een ruimte van twee meter vrij moet zijn (horizontaal gemeten). Vrachtwagens met een lading uit dezelfde gevarenklasse zijn hiervan uitgezonderd. Tot slot moeten de vrachtwagens in geval van een calamiteit direct weggereden kunnen worden zodat een incident niet verergerd als gevolg van de geparkeerde vrachtwagens. Met de realisatie van opstelplaatsen is rekening gehouden met de afstand naar de opslagvoorzieningen 0.03 en 0.04. De afwatering van de opstelplaatsen is voorzien van een afsluiter zodat gevaarlijke stoffen in geval van een calamiteit opgevangen kunnen worden alvorens deze in het oppervlaktewater terecht komen.

Operationele Informatie bij incidenten met Gevaarlijke Stoffen (OIGS)

Conform voorschrift 3.15.1 van de PGS 15 moet een representatief journaal worden bijgehouden van de opgeslagen gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen als een bedrijf meer dan 2.500 kg gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen opslaat. Het journaal heeft als doel hulpdiensten in geval van een calamiteit inzicht te geven in soort, hoeveelheid en locatie van de opgeslagen gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen.

Omdat de onderhavige inrichting meer dan 2.500 kg aan gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen opslaat hebben wij (ter invulling van voorschrift 3.15.1 van de PGS 15) in dit besluit opgenomen dat een overzicht van de opgeslagen gevaarlijke stoffen door de bedrijven digitaal moet worden bijgehouden in het OIGS. Met het OIGS (Operationele Informatie bij Incidenten met Gevaarlijke Stoffen) wordt het overzicht van de opgeslagen gevaarlijke stoffen online beschikbaar gesteld voor de operationele hulpverleningsdiensten en de DCMR.

Het doel van het OIGS is de operationele hulpverleningsdiensten vroegtijdig te voorzien met de juiste, actuele en gewenste informatie over de aanwezige gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen. Die informatie is nodig voor een effectieve bestrijding van incidenten met gevaarlijke stoffen.

Bij een gezamenlijke opslag van gevaarlijke en niet-gevaarlijke stoffen in dezelfde opslagvoorziening moet ook een (digitaal) journaal van de niet-gevaarlijke stoffen (aanverwante stoffen) worden bijgehouden conform voorschrift 3.15.2 van de PGS 15. Op grond hiervan hebben we in deze beschikking een voorschrift in paragraaf 5.4 opgenomen die de registratie van niet-gevaarlijke stoffen (aanverwante stoffen) in het OIGS verplicht. Hierbij kan worden volstaan met de aanduiding van de hoeveelheid aanverwante stoffen per opslagvoorziening. Het voorschrift treedt in werking zodra de registratie van niet-gevaarlijke stoffen mogelijk is in het OIGS. Tot die tijd moet de registratie van de niet-gevaarlijke stoffen worden bijgehouden in een eigen digitaal of papieren journaal.

De vergunninghouder krijgt zes maanden, na inwerkingtreding van deze beschikking, de tijd om de aansluiting op het OIGS te verwezenlijken. Tot die tijd moet de registratie van gevaarlijke stoffen plaatsvinden in een eigen digitaal of papieren journaal.

Overige normen

Bij het opstellen van de voorschriften is aangesloten bij de standaarden van de NFPA en andere normen voor brandveiligheid van installaties.

Geluid

Situatie

De inrichting wil zich vestigen op een locatie aan de Seattleweg te Pernis Rotterdam. De locatie is nu nog in gebruik als kantoorpark. Het voornemen is om de locatie te herontwikkeling naar een haven gebonden logistiekpark. Volgens het bestemmingsplan Beneluxter-Oostzijde is de locatie bestemd voor havengeboden bedrijven. De locatie is niet gelegen op een gezoneerd industrieterrein in het kader van de Wet geluidhinder.

[afbeelding]
[afbeelding]

De locatie is gelegen in de nabijheid van het gezoneerde industrieterrein Waal-/Eemhaven en van de rijksweg A15. Ten zuiden van de inrichting bevindt de dichtstbijzijnde woning zich aan de Poortugaalseweg 84 in Poortugaal op een afstand van circa 180 meter. Ten westen van de inrichting bevindt de dichtstbijzijnde woning zich aan de Seattleweg 40 in Pernis op een afstand van circa 350 meter van de inrichting. De woningen ten noorden en ten oosten van de inrichting bevinden zich op grote afstand (respectievelijk 1 en 2,5 kilometer). Deze woningen zijn daarom niet relevant voor de beoordeling van de geluiduitstraling van de inrichting.

Wettelijk kader

De aangevraagde activiteiten bestaan uit de op- en overslag van gevaarlijke stoffen en (gekoelde)koopmansgoederen in een bedrijfshal met meerdere compartimenten. De inrichting betreft daarom een type C inrichting op grond van het Besluit omgevingsrecht en is daarom vergunningplichtig. De geluiduitstraling van de inrichting moet daarom getoetst worden aan de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening 1998.

Akoestisch onderzoek

De geluiduitstraling van de inrichting is beschreven in het bij de aanvraag ingediende rapport 'Herontwikkeling Port Park Pernis aan de Seattleweg te Rotterdam, akoestisch onderzoek naar geluid in de omgeving' van 26 maart 2020 met rapportnummer O 15865-5-RA-004, opgesteld door adviesbureau Peutz. Uit dit rapport blijkt dat de geluiduitstraling van de inrichting wordt bepaald door verkeersbewegingen van vrachtwagens en personenauto's en door de technische installaties op het dak van de bedrijfshal.

Richtwaarden langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

Er is door de gemeente Rotterdam geen gemeentelijke nota Industrielawaai vastgesteld als bedoeld in de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening 1998 (hierna: de Handreiking). Voor de te stellen grenswaarden voor de langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt daarom aangesloten bij tabel 4 'Richtwaarden voor woonomgevingen' uit hoofdstuk 4 van de Handreiking. De woningen aan de Seattleweg 40 en de Poortugaalseweg 84 zijn in de nabijheid van de rijksweg en het gezoneerde industrieterrein Waal- en Eemhaven gelegen. Daarom is de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde, die geldt voor woonomgeving 'Woonwijk in stad', passend.

Beoordelingshoogten

Wij hebben bij de bepaling van de beoordelingshoogten per periode rekening gehouden met de te beschermen ruimten. Wij hebben in de dagperiode de geluidniveaus beoordeeld op 1,5 meter boven maaiveld. De woonkamers zijn dan voornamelijk de te beschermen ruimten. Wij hebben voor de woning aan de Poortugaalseweg 84 de geluidniveaus in de avond- en de nachtperiode beoordeeld op een hoogte van 5 meter boven maaiveld en voor de woning aan de Seattleweg 40 op een hoogte 4,5 meter boven maaiveld. In de avond- en de nachtperiode zijn de slaapkamers dan de te beschermen ruimten.

Beoordeling langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

De langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus op de woning aan de Poortugaalseweg 84 bedraagt 39 dB(A) in zowel de dag-, als avond-, als nachtperiode. De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus op de woning aan de Seattleweg 40 bedraagt 33 dB(A) in zowel de dag-, als avond-, als nachtperiode. Er wordt voldaan aan de richtwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.

Beoordeling maximale geluidniveaus (LAmax)

De maximale geluidniveaus op de woning aan de Poortugaalseweg 84 bedraagt 52 dB(A) in zowel de dag-, als avond-, als nachtperiode. De maximale geluidniveaus op de woning aan de Seattleweg 40 bedraagt 45 dB(A) in zowel de dag-, de avond-, als de nachtperiode. De maximale geluidniveaus zijn daarmee meer dan 10 dB(A) hoger dan de langtijdgemiddeld beoordelingsniveaus. Er wordt niet voldaan aan het streven van de Handreiking. Wij vinden deze maximale geluidniveaus wel acceptabel:

Beste Beschikbare technieken (BBT)

De geluiduitstraling van de inrichting voldoet aan het toepassen van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT):

Beoordelingslocaties, ligging van de vergunningimmissiepunten

De vergunningimmissiepunten (VIP's) bevinden zich ter plaatse van de omliggende woningen. De woningen worden daarmee direct beschermd.

Grenswaarden langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en maximale geluidniveaus

Wij baseren de grenswaarden op het bij de aanvraag ingediende akoestisch onderzoek. Deze grenswaarden stellen we op de omliggende woningen.

Indirecte hinder

De circulaire 'Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening w.m.' van 29 februari 1996 hanteert een voorkeurswaarde en een maximale grenswaarde voor de geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting. De geluidbelasting vanwege het verkeer van en naar de inrichting voldoet in de nachtperiode op de woning aan de Seattleweg 40 niet aan de voorkeursgrenswaarde. Er wordt wel voldaan aan de maximale grenswaarde. Ter plaatse van de overige woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Wij vinden de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ter plaatse van de woning aan de Seattleweg 40 wel acceptabel.

[afbeelding]
[afbeelding]

Energie

EED-inrichtingen

Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting. Volgens de aanvraag betreft het 100.000 m 3 gas/jaar, 3.000.000 kWh/jaar elektriciteit. In het landelijke beleid worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m 3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh namelijk als energierelevant bestempeld. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een zuinig energiegebruik te komen. De inrichting neemt geen deel aan het Europese Emissiehandelssysteem (ETS) en is niet aangesloten bij de MJA3. Aan de vergunning zijn daarom voorschriften verbonden waarin van de vergunninghouder wordt verlangd dat periodiek een energieonderzoek wordt opgesteld, met daarin opgenomen de te treffen energiebesparende maatregelen.

Een energiebesparende maatregel moet genomen worden als de terugverdientijd vijf jaar of minder is. Welke maatregelen dit zijn, moet blijken uit een energieonderzoek. Daarnaast moet bij het nemen van energierelevante investeringsbeslissingen die niet zijn opgenomen in het meest recente onderzoek, voorafgaand aan de investeringsbeslissing worden nagegaan of er energiezuinigere alternatieven zijn. Als dat het geval is, en een alternatief is binnen vijf jaar terug te verdienen, moet voor dat alternatief gekozen worden. Investeringen die energierelevant zijn, zijn bijvoorbeeld aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar ook het vervangen van verlichting.

Op basis van artikel 5.7 van het Besluit omgevingsrecht kan bevoegd gezag voorschriften in de vergunning opnemen met betrekking tot een doelmatig gebruik van energie en grondstoffen.

In de aanvraag zijn de hiernavolgende energiebesparende maatregelen vermeld:

[afbeelding]

Het verwarmen geschiedt door middel van warmtepompen en warmtapwater door elektrische boilers, het kantoor van Port park Pernis zal gasloos zijn.

Port Park Pernis maakt onderdeel uit van Neele-Vat, dit is een EED onderneming zonder keurmerk of certificaat dat als (gedeeltelijke) invulling kan gelden van de auditplicht.

Op 17 november 2017 is ook een Energie Efficiency Rapport ingediend. Dit betrof de rapportages van de energieaudits met de titel: EED-rapport Neele-Vat Logistics BV. Dit is beoordeeld en onvoldoende bevonden. Neele-Vat Logistics BV is hierover op 28 augustus 2019 (doc.nr: 999965351_9999649300) aangeschreven. Hiermee is nog geen invulling gegeven aan voorschrift 7.1.1 van deze vergunning. Daarnaast is het bedrijf verplicht iedere vier jaar, conform de voorschriften 7.1.1 en 7.1.7. een energie-efficiency onderzoek uit te voeren. De eerst volgende moet zijn ingediend voor 31 december 2024.

Vanuit de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiency (tijdelijke regeling) is het voor Neele-Vat Logistics BV verplicht om vierjaarlijks een energieaudit te maken. Er bestaat inhoudelijke overlap tussen deze audit en het energieonderzoek dat in deze vergunning wordt geëist. Het is aan te raden om deze verplichtingen te combineren in één rapport. Daarom is de fasering van het energieonderzoek afgestemd op de vierjaarlijkse cyclus van energieaudits.

De overlap tussen de energieaudit in het kader van de tijdelijke regeling en het energieonderzoek in het kader van deze vergunning is niet volledig. In de tijdelijke regeling staan eisen die niet in het energiedeel van deze vergunning staan, voornamelijk dat vervoer in de audit opgenomen moet worden. In de vergunning worden eisen gesteld die niet in de tijdelijke regeling staan, zoals de verplichting om de rendabele maatregelen in een energieplan te zetten, met vermelding van de fasering in de uitvoering van deze maatregelen. Bij het indienen van een gecombineerd document zal dus aan beide sets eisen moeten worden voldaan.

De tijdelijke regeling zal op termijn vervallen, waarna de EED wordt geïmplementeerd in de Omgevingswet. Aangezien te verwachten is dat deze vergunning dan nog vigerend is, wordt in de voorschriften niet naar de tijdelijke regeling verwezen maar naar de nationale implementatie van de EED.

[afbeelding]

Omdat technieken, bedrijfsprocessen en inzichten in de tijd kunnen veranderen, is de mogelijkheid opgenomen om een energiemaatregel te vervangen door een andere maatregel die (achteraf) beter blijkt te passen in de bedrijfsvoering. Een randvoorwaarde is dan wel dat de vervangende maatregel minimaal hetzelfde energiebesparende effect heeft als de maatregel die niet wordt uitgevoerd. Hiervoor dient het bevoegd gezag vooraf om toestemming te worden gevraagd.

Lucht

Toetsingskader

Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Luchtemissies voor inrichtingen worden in beginsel gereguleerd door de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Deze eisen zijn rechtsreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.

In deze vergunning wordt specifiek ingegaan op de luchtemissies van de inrichting. Naast de toetsing aan best beschikbare technieken en het Activiteitenbesluit wordt beoordeeld of de emissienormering van het Activiteitenbesluit toereikend is of dat er maatwerkvoorschriften moeten worden gesteld. Tevens wordt er getoetst aan de kwaliteitseisen uit Bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

Emissies van stookinstallaties, niet zijnde een grote stookinstallatie

Volgens de definitie van het Activiteitenbesluit is een stookinstallatie een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. Binnen de inrichting is een stookinstallaties (CV-ketel) aanwezig. De emissie-eisen van paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit zijn van toepassing op deze stookinstallaties. Voor deze installatie zijn in deze vergunning geen voorschriften opgenomen.

Luchtkwaliteit

In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grensen richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.

De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10).

Op grond van artikel 5.16, eerste lid van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:

[afbeelding]

De relevante bronnen van luchtverontreiniging zijn de voertuigen die de inrichting aandoen. Gezien de ligging van de inrichting ten opzichte van de dichtstbij gelegen woonbebouwing en de heersende luchtkwaliteit aldaar, zal de uitstoot van deze voertuigen niet leiden tot benaderen of overschrijden van enige grenswaarde voor de luchtkwaliteit. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is er geen bezwaar tegen het verlenen van deze vergunning.

OVERWEGINGEN OVERIGE ASPECTEN

REACH

REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.

Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting geen stoffen worden geproduceerd, gebruikt en/of geëmitteerd waarop REACH van toepassing is.

In het kader van deze vergunning is door ons nagegaan of er sprake is van een autorisatieplicht of restricties en of aan bepaalde specifieke stoffen die de inrichting produceert, gebruikt of emitteert, op grond van REACH in de toekomst een autorisatie of restrictie verbonden kan zijn. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met REACH. De inrichting moet voldoen aan de verplichtingen uit REACH.

CONCLUSIE

Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het aangevraagde milieuonderdeel zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.

In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.

[afbeelding]

OVERWEGINGEN OVERIGE ACTIVITEITEN

Overwegingen en toetsingen bouwen en afwijken van het bestemmingsplan

Inleiding

De omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien wat betreft bouwen de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo niet voldoet aan de in artikel 2.10 van de Wabo gestelde toetsingsaspecten. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden.

Toetsing

Bestemmingsplan

De locatie waar de aanvraag betrekking op heeft, ligt in het gebied waar het bestemmingsplan ''Beneluxster - Oostzijde' van kracht is en heeft hierin de bestemming(en) 'Bedrijf - Haven' (artikel 5), dubbelbestemming ''Waterstaat-Waterkering' (artikel 17) en ''Waarde - Archeologie C'' (artikel 16).

Uw aanvraag is in strijd met de regels van het bestemmingsplan.

Het plan is in strijd met artikel 5.1, onder b, van de bij dit bestemmingsplan behorende regels, omdat de max. toegestane 1.800 m 2 wordt overschreden met ca. 3.900 m 2 . De regels uit het bestemmingsplan laten geen ruimte voor het toestaan van een afwijking.

Vanwege de ligging op voor ''Waterstaat-Waterkering' bestemde gronden dient de aanvrager op grond van artikel 17.3.2 een schriftelijk toestemming van de dijbeheerder te overleggen.

Vanwege de ligging op voor ''Waarde - Archeologie C'' bestemde gronden dient de aanvrager op grond van artikel 16.3.5, een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen.

Parkeren

De locatie waar de aanvraag betrekking op heeft is ook gelegen in het bestemmingsplan 'Parapluherziening parkeernormering Rotterdam'.

Volgens de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018 resulteert dit plan in een parkeerbehoefte van 278 autoparkeerplaatsen.

Het plan voorziet in 346 autoparkeerplaatsen die gerealiseerd worden op eigen terrein. Hiermee wordt voldaan aan de autoparkeereis.

De fietsparkeereis bedraagt 184 fietsparkeerplaatsen. Hierin wordt voorzien in 185 stallingsplekken in een fietsenstallingsruimte.

(Grondslag: Parapluherziening parkeernormering Rotterdam en de Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2018.)

Uitgebreide voorbereidingsprocedure

Het is mogelijk om een afwijking van het bestemmingsplan toe te staan met de uitgebreide voorbereidingsprocedure wanneer het besluit wordt gemotiveerd met een goede ruimtelijke onderbouwing.

( Grondslag: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3 )

[afbeelding]
[afbeelding]

Aan het plan kan medewerking worden verleend, omdat ruimtelijk geen bezwaar bestaat. Het havengebied wordt ook onder de noemer 'regio' geschaard. De ontwikkeling van een logistiekpark op deze locatie past binnen het beleidskader van Rotterdam. Daarnaast heeft Rotterdam met de vaststelling van de Nota Kantoren van Rotterdam (ook op 12 maart jl.) de koers ingezet om de voorraad van incourante kantoren op b-locaties te verkleinen en nieuwe ontwikkelingen alleen toe te staan op a-locaties bij HOV-punten (de zogenaamde kantorenconcentratiegebieden). Het plan is vanuit ruimtelijk-economisch oogpunt voor Rotterdam en Havenbedrijf een wenselijke ontwikkeling. Om die reden wordt toepassing gegeven aan een afwijking van de regels uit het bestemmingsplan.

Advies van de commissie voor Welstand en Monumenten

Op 8 juni 2020 heeft de Commissie voor Welstand en Monumenten advies gegeven, het standpunt is overgenomen. Het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. (Grondslag Wet bepalingen omgevingsrecht, artikel 2.10, eerste lid onder d en Woningwet, artikel 12)

Bouwbesluit 2012

Uw aanvraag is getoetst aan het Bouwbesluit (nieuwbouw). Met onderstaande gelijkwaardige oplossingen en inachtneming van de voorschriften bij deze vergunning heeft u voldoende aannemelijk gemaakt dat het bouwplan voldoet aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012.

Gelijkwaardigheden Bouwbesluit 2012

Uw aanvraag voldoet niet aan de afdeling 2.10 'Beperking van uitbreiding van brand' van het Bouwbesluit (artikel 2.83 lid 1, 7 en 8), omdat de oppervlakte van het brandcompartiment de grenswaarde overschrijdt. Door het toepassen van het reken- en beslismodel uit de NEN6079 (rapport nr.: 10777-1/BGB revisie: C d.d. 14 juli 2020)) waarbij invulling is gegeven aan het maatregelenpakket door toepassen van een VBB-systeem- automatisch sprinklerinstallatie en gasinstallatie, wordt een mate van beheersbaarheid geboden die wordt gezien als gelijkwaardig aan de oorspronkelijke prestatie-eis. De technisch uitwerking van de sprinklerinstallatie wordt uitgewerkt in een UPD, waarbij de dokken ook worden voorzien van sprinkler. Aan deze gelijkwaardigheid zijn aantal voorwoorden verbonden. (Zoals een toezichtarrangement (frequentie 1x per 5 jaar) en alle ander maatregelen opgenomen in het rapport)

Tevens er wordt ook voldaan aan PGS15 voorschriften waar opslag PGS 15 van toepassing is (met CO2 gas blusinstallatie). Er kunnen hierbij nog nog aanvullende voorwaarden worden gesteld vanuit de wet milieubeheer;

(Grondslag: Bouwbesluit 2012: artikel 2.83 (prestatie-eis) en artikel 1.3 (gelijkwaardigheid))

2.102 (afdeling 2.12) van het Bouwbesluit.

Door het toepassen van het reken- en beslismodel uit de NEN6079 (ASET_RSET) (rapport vultijdmodel nr.: 10777-1/VTM revisie: C d.d. 14 juli 2020) wordt een mate van veiligheid geboden die wordt gezien als gelijkwaardig aan de oorspronkelijke prestatie-eis.

Ons kenmerk:

9999174593_9999901179

[afbeelding]

Wij geven in dit geval toepassing aan artikel 1.3 van het Bouwbesluit, omdat de sprinklerinstallatie wordt uitgevoerd met quick-response sprinklers. Hiermee is naar ons oordeel op voldoende mate (gelijkwaardigheid) invulling gegeven aan

deze eis.

Als gevolg hiervan verbinden wij aan deze vergunning alle maatregelen genoemd in dit rapport als voorwaarden.

(Grondslag: Bouwbesluit 2012: artikel 2.102 (prestatie-eis) en artikel 1.3 (gelijkwaardigheid))

Uw aanvraag voldoet voor wat betreft de brandslanghaspel niet aan de eis gesteld in artikel 6.28 van het Bouwbesluit.

Wij geven in dit geval toepassing aan artikel 1.3 van het Bouwbesluit, omdat de aanvrager hier heeft gekozen voor het gebruik van haspelkarren met een aantal maatregelen en voorwaarden. Deze zijn in het bouwplan opgenomen (zie het brandveiligheidsrapport doc.nr: 10777-1/BBC revisie: C d.d. 14 juli 2020).

De slanglengte van de haspelkar is 40 meter, vervolgens is op de haspelkar een brandslanghaspel met een slanglengte van 30 meter aanwezig. De totale slanglengte is daarmee 70 meter en heeft daarmee bij een gecorrigeerde loopafstand een maximaal bereik van 70÷1½+5=52 m. De brandslanghaspels/-wagens zijn aangesloten op de sprinklerinstallatie.

Hiermee is naar ons oordeel op voldoende mate (gelijkwaardigheid) invulling gegeven aan deze eis.

Als gevolg hiervan verbinden wij aan deze vergunning alle maatregelen genoemd in dit rapport als voorwaarden. (inclusief capaciteitsberekening en afnametest)

(Grondslag: Bouwbesluit 2012: artikel 2.102 (prestatie-eis) en artikel 1.3 (gelijkwaardigheid))

Documenten behorend bij het onderdeel bouwen bij dit besluit

De aanvraag is beoordeeld op basis van de onderstaande stukken. Enkel de documenten met correcties (X) worden als bijlage bij dit besluit toegezonden.

DatumBestandsnaamDocnum
16-4-2020036 PPP _ AO-001-S _ DL-2017012.pdf3586881
16-4-2020036 PPP _ AO-002-T _ DL-2017012.pdf3586882
16-4-2020036 PPP _ AO-100a-DP _ DL-2017012.pdf3586885
16-4-2020036 PPP _ AO-100b-DP _ DL-2017012.pdf3586886
16-4-2020036 PPP _ AO-100P _ DL-2017012.pdf3586887
16-4-2020036 PPP _ AO-101-P _ DL-2017012.pdf3586888
16-4-2020036 PPP _ AO-102-P _ DL-2017012.pdf3586889
16-4-2020036 PPP _ AO-110_1e verd _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586891
16-4-2020036 PPP _ AO-120_2e verd _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586893
16-4-2020036 PPP _ AO-150-P _ DL-2017012.pdf3586894
16-4-2020036 PPP _ AO-200-G _ DL-2017012.pdf3586896
16-4-2020036 PPP _ AO-300-D _ DL-2017012.pdf3586897
16-4-2020036 PPP _ AO-315_drsn _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586898
16-4-2020036 PPP _ AO-350_gevelfr _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586899
16-4-2020036 PPP _ AO-351_gevelfr _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586902
16-4-2020036 PPP _ AO-352_gevelfr _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586903
16-4-2020036 PPP _ AO-400-DE _ DL-2017012.pdf3586905
16-4-2020036 PPP _ AO-450_details _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586906
[afbeelding]
16-4-2020036 PPP _ AO-451_details _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586907
16-4-2020036 PPP _ AO-452_details _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586908
16-4-2020036 PPP _ AO-515-BB-GO _ DL-2017012.pdf3586909
16-4-2020036 PPP _ AO-550-BB-Brandcomp. _ DL - 2017012.pdf3586910
16-4-2020036 PPP _ AO-650-NOT-017 _ DL-2017012.pdf3586911
16-4-2020036 PPP _ AO-900_3D _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586912
16-4-2020036 PPP _ AO-910_3D _ RR-4068_2020-02-28.pdf3586916
16-4-2020036 PPP _ AO-930_Fotos bestaand _ RR-4068_2020-02-28.pdf 036 PPP _ AMB _ DO-18048 Gewichts-stabiliteitsberekening -3586917
16-4-2020versie 2-191218.pdf3586918
16-4-2020036 PPP _ VS _ Ventilatiestaat Dudok - 20191211.pdf3586919
16-4-2020036 PPP _ VS _ 48054 EPG kantoor - 2019-10-22.pdf3586920
16-4-2020036 PPP _ VS _ 48054 EPG Logistiek kantoor 2019-12-12.pdf3586921
16-4-2020036 PPP _ DL _ 2017012_DLB_001.pdf3586930
16-4-2020036 PPP _ DGMR _ B2019079802R001v3.pdf3586935
16-4-2020036 PPP _ Fugro _ ppp_2019-05-29 geo 18048.pdf 036 Port park Pernis-WSHD-Vergunning VTH192394 d.d. 09-04-3586938
1-7-20202020.pdf3635031
10-7-2020036 Port Park Pernis-Ruimtelijke onderbouwing-Mees-200710.pdf3641794
22-7-2020036 Port Park Pernis-DL-AO550b BB-200715.pdf3649944
22-7-2020036 Port Park Pernis-DL-AO550 BB-200715.pdf3649945
22-7-2020036 Port Park Pernis-BBC Rapport-DLVD advies-200714.pdf3649947
22-7-2020036 Port Park Pernis-BGB Rapport-DLVD advies-200714.pdf3649948
22-7-2020036 Port Park Pernis-DL-AO100-200715.pdf3649949
22-7-2020036 Port Park Pernis-DL-AO101-200715.pdf3649950
22-7-2020036 Port Park Pernis-VTW-DLVD advies-200714.pdf3649954
27-7-2020036 Port Park Pernis-memo fietsparkeren-DL-200726.pdf3652823
27-7-2020036 Port Park Pernis-AO-002-T -DL-200727.pdf3652824
27-7-2020036 Port Park Pernis-RR-120 2e verdieping kantoor-200716.pdf3652825
27-7-2020036 Port Park Pernis-RR-110 1e verdieping kantoor-200716.pdf3652826
22-7-2020036 Port Park Pernis - BBC Rapport-DLVD advies-200714 + BPC3685555 X

Opmerkingen

Voor het tijdelijk plaatsen van een container, steiger of ander voorwerp op, boven of langs de openbare weg heeft u een vergunning nodig van de afdeling stadsbeheer. Hiervoor verwijzen wij u naar de website https://www.rotterdam.nl/loket/vergunning-gebruik-weg.

Het voornemen tot slopen (sloopmelding) waarbij naar redelijke inschatting de hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m³ zal bedragen of asbest wordt verwijderd, moet u ten minste 4 weken voor de voorgenomen aanvang van de sloopwerkzaamheden indienen via www.omgevingsloket.nl.

Voor het in gebruik nemen van het bouwwerk moet u op basis van artikel 1.18 van het Bouwbesluit 2012 minimaal vier weken voor de voorgenomen aanvang van het gebruik een melding brandveilig gebruik indienen via www.omgevingsloket.nl.

Indien er bij de sloop- en/of bouwwerkzaamheden beschermde soorten als bedoeld in de Wet natuurbescherming worden aangetroffen moet u dit melden bij het bevoegd gezag.

Ons kenmerk:

9999174593_9999901179

BIJLAGE I: BEGRIPPENLIJST EN LIJST VAN AFKORTINGEN

Voor zover in een voorschrift verwezen wordt naar een DIN-, DIN-ISO, NEN-, NEN-EN-, NENISO-, NVN-norm, AI-blad, BRL, CPR, PGS of NPR, wordt de uitgave bedoeld die voor de datum waarop de vergunning is verleend het laatst is uitgegeven met tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen. Indien er sprake is van reeds bestaande constructies, toestellen, werktuigen en installaties is de norm, BRL, CPR, PGS, NPR of het AI-blad van toepassing die bij de aanleg of installatie van die constructies, toestellen, werktuigen en installaties is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald.

Alle onderstaande verklaringen en definities zijn van toepassing op de in de voorschriften gebruikte benamingen en termen, aangevuld met, dan wel in afwijking van de in NEN 5880 (Afval en afvalverwijdering, Algemene termen en definities) en de NEN 5884 (Afval en afvalverwerking, termen en definities voor bouw- en sloopafval) gegeven verklaringen en definities.

Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, etc.

Besteladressen, Publicaties zijn in ieder geval verkrijgbaar bij de onderstaande instanties:

AI-bladen:

SDU Service, afdeling Verkoop Postbus 20025

2500 EA DEN HAAG

Telefoon : 070 - 378 98 80

Fax

: 070 - 378 97 83

Internet

: www.sdu.nl.

PGS-richtlijnen zijn digitaal verkrijgbaar via: www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl.

DIN, DIN-ISO, NEN, NEN-EN, NEN-ISO, NVN-normen en NPR-richtlijnen :

Nederlands Normalisatie-instituut (NEN), Afdeling verkoop

Postbus 5059

2600 GB DELFT

Telefoon : 015 - 269 04 35

Internet

: www.nen.nl.

BRL-richtlijnen :

KIWA Certificatie en Keuringen Postbus 70 2280 EA RIJSWIJK

Telefoon : 070 - 414 44 00

Fax

: 070 - 414 44 20

Internet

: www.kiwa.nl.

InfoMil is het informatiecentrum in Nederland over milieuwet- en regelgeving. Internet : www.infomil.nl.

[afbeelding]

Accreditatie-instantie

Nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU L 218).

ADR

Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route. Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.

ADR-klasse

Classificatie als bedoeld in de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.

Afvalstoffen

Alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Afvalwater

Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen.

AKI

Aangewezen keuringsinstelling.

ARIE

Aanvullende Risico-inventarisatie en -evaluatie.

BAT

Best Available Techniques/BBT.

BBT

Beste Beschikbare Technieken.

BBT-conclusies

Document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies.

BB-PGS

CCV-inspectieschema Brandbeveiliging Opslag Gevaarlijke Stoffen PGS Inspectieschema BB-PGS is bedoeld voor inspectie van de brandbeveiligingsinstallaties. Het schema beschrijft de inspectie van brandbeveiligingsinstallaties en de voor hun functioneren noodzakelijke organisatorische en bouwkundige randvoorwaarden. De inspectie is gericht op het vaststellen of de brandbeveiliging van de activiteit met gevaarlijke stoffen voldoet aan de eisen en specificaties in het uitgangspuntendocument.

[afbeelding]

Bedrijfsafvalwater

Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater.

Bedrijfsduurcorrectie (met betrekking tot geluid)

Correctie als bedoeld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, zijnde de logaritmische verhouding tussen de tijdsduur dat de geluidsbron gedurende de beoordelingstijd in werking is, en de duur van die beoordelingsperiode.

Bedrijfsriolering

Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen, zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten, en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheiders en controleputten, voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater.

Beperkt kwetsbaar object (met betrekking tot externe veiligheid)

Beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Beste beschikbare technieken

Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn. Daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld.

Bevoegd gezag

Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning, p/a DCMR Milieudienst Rijnmond Postbus 843, 3100 AV Schiedam.

Bevi

Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Bibob

Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

Bodem

Het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen.

Bodembedreigende activiteit

Bedrijfsmatige activiteit die gepaard gaat met het gebruik, de productie of de emissie van een bodembedreigende stof overeenkomstig de definitie van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Bodembedreigende stof

Stof die blijkens het stoffenschema, bedoeld in bijlage 2, bij deel 3, van de NRB, de bodem kan verontreinigen.

[afbeelding]

Bodembeschermende maatregel

Op de gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening toegesneden beheermaatregel gericht op reparatie, schoonmaak, onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie of toezicht, ter voorkoming van immissies in de bodem of herstel van de effecten van zulke immissies op de bodemkwaliteit, waarvan de uitvoering is gewaarborgd.

Bodembeschermende voorziening

Een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening ter voorkoming van immissies in de bodem.

Bodemrisicodocument

Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de NRB bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico.

Bor

Besluit omgevingsrecht.

Brandbare (vloei)stof (ADR)

Een vloeistof die zelf brandbaar is of waaruit onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbaar gas, brandbare damp of brandbare nevel kan ontstaan (EN-IEC 60079-10). Een vaste stof vallend onder klasse 4.1 van het ADR. Een vloeistof die, in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt.

Brandgevaarlijke stof

Vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is, of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen 2 t/m 5.

Brandonderhoudend

Brandbare vloeistof met een dusdanig hoge vloeistoftemperatuur dat door de brandbare vloeistof voldoende damp wordt afgegeven zodat bij ontsteking van het dampmengsel de brand onderhouden wordt.

Brandonderhoudendheid PGS-klasse 3 producten

PGS-Klasse 3 producten zijn niet brandonderhoudend bij:

Indien niet wordt voldaan aan punt 1 en 2 dan mag door onderzoek worden aangetoond dat het product niet brandonderhoudend is bij 15 °C boven het vlampunt aan de hand van NEN-ENISO 9038.

[afbeelding]

Brandveiligheidsplan

Het brandveiligheidsplan beschrijft in feite het geheel aan maatregelen omtrent het brandveiligheidsbeleid van de inrichting en de getroffen organisatorische en technische maatregelen. Voor bedrijven die beschikken over een veiligheidsbeheerssysteem geldt dat zij in een brandveiligheidsplan kunnen verwijzen naar de van toepassing zijnde onderdelen / procedures van dit veiligheidsbeheerssysteem. Indien punten uit bovenstaand voorschrift zijn beschreven in de aanvraag voor een omgevingsvergunning, kan in het brandveiligheidsplan specifiek hiernaar worden verwezen.

De brandweer kan aanvullende eisen stellen aan de inhoud van het brandveiligheidsplan.

(Brand)veiligheidsvoorzieningen/ (Brand)beveiligingsvoorzieningen en vergelijkbare aanduidingen met brand-, -installaties en -systemen.

Onder brandveiligheids- en brandbeveiligingsvoorzieningen wordt verstaan de samenhang van bouwkundige, installatietechnische en/of organisatorische maatregelen die de gevolgen van een scenario (bijvoorbeeld brand of ongewenst vrijkomen van gevaarlijke stoffen) beperken en beheersen. Dit zijn de zogenaamde BIO-maatregelen.

Bouwkundige maatregelen zijn zaken als brandscheidingen / compartimentering, passieve voorzieningen zoals fire-proofing en ook onbrandbare vloeren onder afschot en opvangvoorzieningen.

Installatietechnische maatregelen zijn onder meer brand-/gasdetectiesystemen, bluswatersysteem en blus-/beheers- en koelinstallaties en -middelen. Deze installaties zijn gebaseerd op richtlijnen (zoals PGS'en) en/of normen (zoals NEN, NFPA e.d.). Afvoer en verwerking van bluswater en gevaarlijke stoffen valt hier ook onder net als installaties voor bijvoorbeeld inertisering van een brandbare atmosfeer of het verlagen van het zuurstofniveau in een object.

Organisatorische maatregelen zijn zaken zoals een verbod op roken en open vuur, de noodorganisatie, een noodplan en beheer en inspectie, testen en onderhoud van alle brandveiligheidsvoorzieningen.

Brandweer

Overheidsbrandweer; Repressieve dienst van de brandweer (in geval van brandbestrijding).

BREF

BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit.

BRL

Beoordelingsrichtlijn. Door het Centraal College van Deskundigen van de Stichting Kwaliteitsborging Installatiesector vastgestelde Nationale Beoordelingsrichtlijn.

BRL SIKB 7700

Beoordelingsrichtlijn Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening, versie 1.3, oktober 2014.

Carcinogene stoffen

Stoffen en mengsels die kanker veroorzaken of de incidentie van kanker doen toenemen.

CIN-nummer

Centraal Incidenten telefoonnummer. CIN: 010 - 411 88 88.

[afbeelding]

CLP

De CLP-verordening is de Europese verordening over de indeling (Classification), etikettering (Labelling) en verpakking (Packaging) van chemische stoffen en mengsels.

CMR-stof

Stof of preparaat die volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd is als Kankerverwekkend categorie 1 of 2 of als Mutageen categorie 1 of 2 of als «Voor de voortplanting giftig» categorie 1 of 2. [CMR: carcinogeen, mutageen, reprotoxisch].

CPR

Een door de Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen uitgegeven richtlijn.

Cryogene gassen

Tot vloeistof gecondenseerde gassen met zeer lage temperaturen.

Cryohouder

Een verplaatsbare drukhouder met warmte-isolerende bescherming voor het vervoer van sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen met een inhoud van ten hoogste 1.000 liter.

CUR/PBV

Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving/Plan Bodembeschermende Voorzieningen.

CUR/PBV-aanbeveling 44

Beoordeling vloeistofdichtheid van vloeistofdichte voorzieningen.

CUR/PBV-aanbeveling 51

Milieutechnische ontwerpcriteria voor bedrijfsrioleringen.

CUR/PBV-aanbeveling 65

Ontwerp, aanleg en herstel van bodembeschermende voorzieningen, september 2005.

CUR-rapport 196

Ontwerp en detaillering van bodembeschermende voorzieningen, juli 2000.

CUR-rapport 2001-3

Beheer bedrijfsriolering bodembescherming.

Cvm

Combinatie van voorzieningen en maatregelen.

DCMR

DCMR Milieudienst Rijnmond Parallelweg 1, 3112 NA Schiedam

Postbus 843, 3100 AV Schiedam

Telefoon : 010 - 246 80 00

Fax

: 010 - 246 82 83

E-mail

: info@dcmr.nl.

[afbeelding]

Drukapparatuur of drukapparaten

Drukvaten, installatieleidingen, veiligheidsappendages en (onder druk staande) appendages, alsmede, voor zover van toepassing, de elementen die bevestigd zijn aan onder druk staande delen.

Drukhouder

Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryohouders en flessenbatterijen omvat.

EBP

Energiebesparingsplan.

EED

Energie-efficiëntie richtlijn.

EEP

Energie-efficiencyplan.

Emballage

Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en Intermediate Bulk Containers (IBC's).

Emissie

De uitstoot van één of meer verontreinigende stoffen naar de lucht.

Energie-audit

Een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen over het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten.

Energiekosten

Alle kosten zoals vermeld op de eindafrekening van het energiebedrijf die samenhangen met het verkrijgen van aardgas, elektriciteit, warmte (uit een distributienet) en andere brandstoffen (stookolie, gasolie, diesel) voor de gebouwen, faciliteiten en processen in de inrichting, maar exclusief de kosten gemaakt voor brandstoffen voor motorvoertuigen.

Voor aardgas moeten met name worden meegenomen basisprijs, brandstofheffing, calorische toeslag, energieheffing (regulerende energiebelasting), vastrecht en BTW.

Voor elektriciteit moeten met name worden meegenomen de kosten voor normaaluren en laagtariefuren (is afhankelijk van kWh-verbruik), kW-tarief continu en piekuren (is afhankelijk van het opgestelde vermogen), brandstofkosten, transformatorverliezen, energieheffing, vastrecht en BTW.

Energieplan

Het plan van aanpak waarin de drijver van de inrichting de termijn aangeeft waarin zij de rendabele maatregelen toe zal passen binnen de inrichting. Wanneer er sprake is van voorwaardelijke maatregelen, is in dit plan onderbouwd waarom deze maatregelen als voorwaardelijk zijn gekenmerkt.

[afbeelding]

Equivalent geluidsniveau (LAEQ)

Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode, optredende geluid, vastgesteld overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai", uitgegeven door het Ministerie van VROM.

ERP's

Emissierelevante parameters.

Meetbare of berekenbare grootheden die in directe of indirecte relatie staan met de te beoordelen emissies. ERP's bestaan uit de categorieën A en B.

Een categorie A ERP geeft, zo nodig na kalibratie, een kwantitatief beeld van de emissie. Een

EU-GHS/CLP

Zie CLP.

Eural

Europese afvalstoffenlijst.

EU-richtlijn industriële emissies

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334).

Exploitant

Degene die de inrichting drijft of degene die aansprakelijk is voor het drijven van de inrichting. Meestal is dit de houder van de Wabo-vergunning.

Gas

Een stof die bij 50°C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar) of bij 20°C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is.

Gasfles (gascilinder)

Een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van niet meer dan 150 liter.

Geluidsgevoelige bestemmingen

Gebouwen of objecten, aangewezen in het Besluit geluidhinder krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465).

Geluidsgevoelige ruimte van een woning

Een verblijfsruimte als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. [In een verblijfsgebied gelegen ruimte voor het verblijven van personen].

Geluidsniveau in dB(A)

Het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) terzake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie no. 651, uitgave 1989.

Gevaarlijke afvalstoffen

Afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen.

[afbeelding]

Gevaarlijke stoffen

Stoffen en voorwerpen waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de International Maritime Dangerous Goods Code.

Giftige stoffen

Daar waar in deze vergunning wordt gesproken van giftige stoffen geldt:

Groepsrisico

Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Hemelwater

Alle neerslag, zoals regen, sneeuw en hagel.

Hergebruik

Elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld.

Huishoudelijk afvalwater

Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens.

IBC

Intermediate Bulk Container. Een stijve of flexibele verpakking die in paragraaf 6.5 van het ADR is genoemd.

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport.

IMDG-code

International Maritime Dangerous Goods Code. Internationale Handleiding voor het vervoer van gevaarlijke goederen in verpakte vorm.

Immissierelevante bronsterkte (LWR)

Het geluidsvermogen niveau van een rondom afstralende puntbron die op een plaats van de echte geluidsbron, dan wel het broncentrum van een stelsel geluidsbronnen staat, en op het immissiepunt hetzelfde geluidsniveau geeft als deze geluidsbron(nen).

Installaties

Die onderdelen van de inrichting, die als een zelfstandige eenheid kunnen worden beschouwd. Installaties kunnen met elkaar verbonden zijn, bijvoorbeeld via pijpleidingen.

Invloedsgebied (met betrekking tot externe veiligheid)

Gebied waarin bij ministeriële regeling op grond van artikel 15, eerste lid, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen te stellen regels personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico.

[afbeelding]

IPPC

Integrated Pollution Prevention and Control.

IPPC-installatie

Installatie voor industriële activiteiten als bedoeld in bijlage I van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334).

ISO

Een door de International Organization for Standardization opgestelde norm.

ISO 14001

Milieumanagementsystemen - Eisen met richtlijnen voor gebruik, 2015.

ISO 14051

Milieumanagementsystemen - Kostentoerekening van materiaalstromen - Algemeen raamwerk, 2011.

ISO 17020

Conformiteitsbeoordeling - Algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren, 2012.

Keuring voor Ingebruikneming drukapparatuur

Een (eerste of hernieuwde) keuring voor ingebruikneming, uitgevoerd voorafgaand aan een eerste ingebruikneming van nieuwe drukapparatuur en indien van toepassing voorafgaand aan een hernieuwde ingebruikneming van bestaande drukapparatuur. (Verplichting op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur).

Kosteneffectiviteit

Maatregelen zijn kosteneffectief wanneer een maatregel een redelijke verhouding heeft in de mate van doelbereik tot de mate van de kosten.

KVG

Onafhankelijke Keuringsdienst binnen een Gebruikersorganisatie met bevoegdheid tot gespecificeerde taken in de Gebruiksfase die geaccrediteerd is door- en onder toezicht staat van de Raad voor Accreditatie en (voor gespecificeerde taken) een AKI.

KVI

Keuring Ingebruikneming drukapparatuur.

KWALIBO

Kwaliteitsborging in het bodembeheer als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT)

Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999.

[afbeelding]

LAP

Landelijk afvalbeheersplan.

Maatgevend bedrijfsbrandweerscenario

Is het scenario dat in de aanwijsbeschikking bedrijfsbrandweer, ingevolge artikel 31 van de Wet veiligheidsregio's, wordt omschreven.

Maximaal brandrisico en/of maximaal (brand) scenario en/of maximale warmtestralingsbelasting

Maximaal brandrisico of (brand)scenario wordt in de voorschriften verbijzonderd. Hiervoor gelden de volgende scenario's:

Naast de bovengenoemde brandscenario's geldt voor producten met een toxisch karakter een uitdampend oppervlak van de gehele tankput.

Maximaal geluidsniveau (LAMAX)

Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm, vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms.

Maximaal toelaatbaar risico

Een op basis van wetenschappelijke gegevens afgeleide norm voor een stof die aangeeft bij welke concentratie in lucht:

Meldkamer DCMR

De meldkamer van de DCMR Milieudienst Rijnmond.

Telefoonnummers:

Milieuklachten

: 0888 - 333 555

Bedrijfsmeldingen : 010 - 246 86 86

CIN

: 010 - 411 88 88.

MER

Milieu-effectrapport.

Minimalisatieverplichting

De minimalisatieverplichting houdt in dat het bedrijf blijvend naar een nulemissie streeft.

MJA

Meerjarenafspraak Energie-efficiëntie.

[afbeelding]

Mor

Ministeriele Regeling omgevingsrecht.

MSDS

Material safety data sheet. MSDS is Amerikaans. In Europa wordt op grond van REACH het veiligheidsinformatieblad (SDS) gebruikt.

MTG-waarde

Maximaal Toelaatbare Geluidsbelasting.

MTR

Maximaal toelaatbaar risico.

Mutageen

Mutagene stoffen veroorzaken een permanente verandering in de hoeveelheid of de structuur van het genetisch materiaal in een cel.

NEN

Een door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse norm.

NEN 3011

Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte, maart 2015.

NEN 3398

Buitenriolering - Onderzoek en toestandsbeoordeling.

NEN 3399

Buitenriolering - Classificatiesysteem bij visuele inspectie van objecten.

NEN 5740

Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, uitgever NENICS 13.080.05, januari 2009.

NEN-EN

Door de Europese Commissie voor Normalisatie geharmoniseerde norm.

NEN-EN 858-1

Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole.

NEN-EN 858-2

Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) - Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud.

NFPA

National Fire Protection Association. Is een Amerikaanse organisatie die het doel heeft om de last van brand en andere gevaren te verminderen door middel van wetenschappelijk onderzoek en educatie.

[afbeelding]

NFPA 25

Standard for the Inspection, Testing and Maintenance of Water-Based Fire Protection System.

NIBM

Niet in betekenende mate.

Noodplan

Beschrijving van maatregelen en voorzieningen die een inrichting heeft voorbereid om effecten van calamiteuze (ongewenste) gebeurtenissen te minimaliseren en te bestrijden.

NRB

Door Agentschap NL uitgegeven Nederlandse Richtlijn Bodembescherming.

NSL

Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit.

NVN

Door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven voornorm.

Ongewoon voorval

Elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten - met inbegrip van storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen (mits daaruit nadelige gevolgen voor het milieu voortkomen) van de inrichtingen alsook ongelukken en calamiteiten - en waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan.

PGS

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen.

PGS 9:2014

Cryogene gassen, april 2014.

PGS 14:2017

Vastopgestelde Brandbeheersings- en brandblussystemen brandbestrijdingssystemen, oktober 2017

PGS 15:2016

Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, september 2016.

Plaatsgebonden risico

Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

[afbeelding]

Preventie (met betrekking tot afval)

Maatregelen die worden genomen voordat een stof, materiaal of product afvalstof is geworden, ter vermindering van:

PR

Plaatsgebonden risico.

QRA

Quantitative Risk Assessment oftewel kwantitatieve risico-analyse.

REACH-verordening

REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van CHemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006.

Referentieniveau

De hoogste waarde van de hieronder genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit bepaling referentieniveau-periode (Stcrt. 1982, 162):

Rendabele maatregelen

Naar keuze van de inrichtinghouder ofwel: 1. maatregelen die een terugverdientijd hebben van vijf jaar of minder, of 2. maatregelen die een positieve netto contante waarde hebben bij een interne rentevoet van 15%.

Reprotoxisch

Reprotoxische stoffen zijn stoffen met een mogelijk effect op de voortplanting en op de ontwikkeling van een ongeboren vrucht. De effecten kunnen zijn bij mensen, maar ook bij dieren of planten.

Richtlijn nr. 2000/54/EG

Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 (Pb EG L 262) betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van richtlijn nr. 89/391/EEG).

RIE

Richtlijn Industriële Emissies.

[afbeelding]

Riolering

Bedrijfsriolering of openbare riolering.

Risicobeoordeling

Beoordeling van risico's voor de gezondheid van de mens of het milieu welke ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen met zich mee kan brengen.

RIVM

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu.

Stoffen die bij een brand betrokken kunnen worden

Dit zijn de stoffen als bedoeld in de Handleiding Risicoberekeningen Bevi (HBR), versie 3.3, juli 2015, module C, bijlage 14 'Verantwoording', paragraaf 14.4, blz. 178 en 179 zijnde ADR-klasse 3 stoffen, brandbare stoffen en stoffen die bij een brand kunnen ontleden of verdampen, respectievelijk de categorieën 1, 2 en 3 uit de tabel 114.

Terugverdientijd

De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel na aftrek van eventuele subsidies en de jaarlijkse opbrengsten van de maatregel ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing en andere besparingen.

In geval van een investering in een installatie voorzien van afzonderlijke energiebesparende componenten moet in plaats van het totaalinvesteringsbedrag worden gerekend met de meer investering ten opzichte van een installatie zonder de energiebesparende componenten. Voor de berekening van de financiële opbrengsten ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing moet worden gerekend met de op het moment van het energiebesparingsonderzoek geldende kosten (tarieven) voor de betrokken inrichting. Er wordt geen rekening gehouden met de eventuele kosten van het (vervroegd) uit bedrijf nemen van een installatie en niet met rentekosten.

Toxisch

Toxische stoffen zijn in meer of mindere mate schadelijk voor organismen. Effecten kunnen optreden bij inademing, inslikken, contact met de huid, ogen of slijmvliezen. Een ander woord voor toxisch is giftig.

Transportverpakking (ADR)

Verpakking die voldoet aan de algemene voorschriften uit ADR hoofdstuk 4.1 en de specifieke ADR verpakkingsinstructies.

Uitgangspuntendocument (met betrekking tot brandrisico)

Een document waarin voor een specifiek bouwwerk beschreven is welk integrale bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen genomen worden ter afdekking van de brandrisico's.

UN-nummer

Het stofidentificatienummer: getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens het transport, volgens de 'Recommendations on the Transport of Dangerous Goods' van de Verenigde Naties.

[afbeelding]

Uitgangspuntendocument (met betrekking tot brandrisico)

Een document waarin voor een specifiek bouwwerk beschreven is welk integrale bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen genomen worden ter afdekking van de brandrisico's.

UPD

Uitgangspuntendocument. Het UPD is de grondslag voor ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie van de (brand)veiligheidsvoorzieningen het en omvat de uitgangspunten daarvoor. Het UPD de heeft de volgende functies:

De inspectieschema's worden beheerd door het CCV (www.hetccv.nl)

De werkwijze en inhoudseisen voor UPD's bij PGS gerelateerde activiteiten zijn beschreven op de PGS-website in de Handreiking UPD voor VBB-systemen.

De inhoudseisen voor een UPD die in de Handreiking UPD voor VBB-systemen opgenomen zijn komen vrijwel overeen met de inhoudseisen van een brandveiligheidsplan. Brandveiligheidsplan en UPD hebben in deze hetzelfde doel: het vastleggen van de situatie, de scenario's en de uitgangspunten waaraan de (brand)veiligheidsvoorzieningen moeten voldoen.

UPD-PGS

CCV-inspectieschema Uitgangspuntendocumenten Brandbeveiliging Opslag Gevaarlijke Stoffen PGS

Inspectieschema UPD-PGS is bedoeld voor de inspectie van het uitgangspuntendocument voor de brandbeveiliging. Het schema beschrijft de beoordeling van een uitgangspuntendocument op doeltreffendheid en de uitvoering van een 5-jaarlijkse toets van de actualiteit van de in het uitgangspuntendocument gebruikte normatieve verwijzingen. Beoordeling is gericht op vaststelling of met de specificaties in het uitgangspuntendocument doeltreffende brandbeveiliging van de activiteit met gevaarlijke stoffen kan worden gerealiseerd.

VBB

Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussysteem

Verzamelbegrip voor aanduiding van (brand)veiligheidsvoorzieningen in de Handreiking UPD en de inspectieschema's brandbeveiliging op basis van afgeleide doelstellingen uit het Bouwbesluit.

Verklaring vloeistofdichte voorziening

Een bewijs van inspectie waarmee aangetoond wordt dat een voorziening als vloeistofdicht wordt aangemerkt.

Verkeersbeweging

Het aan- of afrijden met een personen-, bestel- of vrachtwagen.

[afbeelding]

Verklaring vloeistofdichte voorziening

Een bewijs van inspectie waarmee aangetoond wordt dat een voorziening als vloeistofdicht wordt aangemerkt.

Verpakkingsgroep

Verpakkingsgroep als bedoeld in de ADR.

Verontreinigende stoffen

Stoffen die hinder of nadeel voor de gezondheid van de mens kunnen opleveren. Hieronder vallen ook stoffen die schade kunnen toebrengen aan dieren, planten of goederen. Dit kan gaan over op zichzelf staande stoffen, gezamenlijke stoffen of stoffen die in verbinding met elkaar staan.

Vervoermanagement

De zorg voor de beperking van de nadelige gevolgen van het verkeer van en naar de inrichting. Dit kan worden bereikt door een efficiënte organisatie van het verkeer en vervoer van bedrijven, waarbij de gevolgen van het verkeer en vervoer van en naar de inrichting (van werknemers, bezoekers, zakelijke klanten en goederen) zodanig worden beïnvloed dat de milieubelasting wordt teruggedrongen.

Verwaarloosbaar bodemrisico

Een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van voorzieningen en maatregelen het ontstaan of de toename van verontreiniging van de bodem gemeten tussen het nul- en eindsituatieonderzoek zo veel mogelijk wordt voorkomen en waarbij herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk is.

Vlampunt

De laagste temperatuur waarbij de stof nog genoeg damp afgeeft om tot ontbranding te kunnen komen wanneer deze in contact komt met een ontstekingsbron.

Vloeistofdichte vloer of voorziening

Vloer of voorziening direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer of voorziening kan komen.

Vloeistofkerende voorziening

Fysieke barrière die in staat is stoffen tijdelijk te keren.

Wabo

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Waterbesparing

De zorg voor een doelmatig beheer van afvalwater. Dit kan worden bereikt door een zuinig gebruik van water en het voorkomen dan wel beperken van het ontstaan van afvalwater binnen de inrichting. Ook intern hergebruik valt onder waterbesparing.

WBDBO

Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag in minuten volgens NEN 6068. [Kortste tijd die een brand nodig heeft om zich uit te breiden van een ruimte naar een andere ruimte].

[afbeelding]

Ons kenmerk:

Wnb

Wet natuurbescherming

Wm

Wet milieubeheer.

Woning

Gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening, bedoeld in artikel 3.38 van de Wet ruimtelijke ordening, of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van laatstgenoemde wet.

Woonruimte

Een ruimte binnen een woning voor zover die als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd.

ZZS

Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) zijn stoffen die zeer gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Dit kan zijn omdat ze bijvoorbeeld kankerverwekkend zijn, de voortplanting belemmeren of zich in de voedselketen ophopen. Voor ZZS geldt een minimalisatieverplichting.

[afbeelding]

BIJLAGE II: BIJGEVOEGDE GEGEVENS EN BESCHEIDEN

Bij de aanvraag zijn de onderstaande stukken ingediend. Onder A. hebben wij die stukken vermeld die onderdeel uitmaken van deze

omgevingsvergunning.

Onder B. hebben wij die stukken vermeld die geen onderdeel uitmaken van deze omgevingsvergunning.

A.

Milieu

B.

Bouw

[afbeelding]

Milieu

Aanvulling 15 mei 2020

Bouwen

Aanvulling 1 juli 2020

Bouwen

[afbeelding]

Milieu

Aanvulling 21 juli 2020

Bouwen

Aanvulling 27 juli 2020

Bouwen

Aanvulling 11 augustus 2020

Milieu

[afbeelding]