op de op 1 november 2021 bij hen binnengekomen aanvraag van N.V. Slibverwerking Noord-Brabant, om een vergunning krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor de inrichting gelegen aan de Middenweg 38 4782PM Moerdijk.
zaaknummer
2021-049431
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,
Namens deze,
ons kenmerk
D2023-06-012003
plaats
Tilburg
,
Datum
Teammanager
06-05-2024
Omgevingsdienst Midden- en Wes Brabant
Op 1 november 2021 is een aanvraag voor een omgevingsvergunning ontvangen van N.V. Slibverwerking Noord-Brabant (SNB). Het betreft een aanvraag voor een inrichting gelegen aan de Middenweg 38 te Moerdijk. De aanvraag is geregistreerd onder OLO nummer 20074237 en zaaknummer 2021-049431.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met het in werking treden van de Omgevingswet zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de hierop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten- en regelingen komen te vervallen. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft echter het oude recht van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2024. Onderhavige aanvraag is dan ook conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en aanverwante wet- en regelgeving beoordeeld en afgehandeld.
Na het onherroepelijk worden van deze vergunning geldt deze als omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet voor zover het activiteiten betreft die als vergunningplichtig zijn aangewezen onder de Omgevingswet.
Wij besluiten, gezien de overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de daarop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en -regelingen:
Bent u het niet eens met dit besluit, dan kunt u een beroepschrift indienen bij de Rechtbank Oost-Brabant, sector Bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA 'sHertogenbosch. Verstuur uw beroepschrift binnen 6 weken na de dag waarop dit besluit ter inzage is gelegd.
In het beroepschrift zet u:
U kunt ook digitaal beroep instellen bij de rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht.
U heeft hiervoor een digitale handtekening (DigiD of eHerkenning) nodig.
Als u een beroepschrift indient, dan heeft dit geen schorsende werking. Dat betekent dat het besluit geldt zolang uw beroepschrift in behandeling is. Het kan zijn dat u dit niet wilt. Bijvoorbeeld omdat het besluit onherstelbare gevolgen voor u heeft. U kunt gelijktijdig met of na het indienen van een beroepschrift een verzoek om een voorlopige voorziening vragen bij de Rechtbank Oost-Brabant, sector Bestuursrecht, Postbus 90125, 5200 MA 's-Hertogenbosch.
U kunt ook digitaal verzoeken om een voorlopige voorziening via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht.
Daarvoor heeft u uw elektronische handtekening (DigiD of eHerkenning) nodig.
Er zijn kosten verbonden aan het indienen van een beroepschrift en het vragen van een voorlopige voorziening (griffierecht).
ONDERWERP............................................................................................................................................................. 2
BESLUIT..................................................................................................................................................................... 2
1
2
3
4
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN............................................................................10
1.1
Terrein van de inrichting en TOEGANKELIJKHEID............................................................10
1.2
1.3
1.4
1.5
1.6
1.7
INSTRUCTIES............................................................................................................................................10
Melding contactpersoon en wijziging VERGUNNINGHOUDER.....................................10
INSPECTIE, KEURING EN ONDERHOUD........................................................................................... 10
REGISTRATIE.............................................................................................................................................11
BEDRIJFSBEËINDIGING......................................................................................................................... 11
PROEFNEMINGEN.....................................................................................................................................11
LABORATORIUMS................................................................................................. 12
2.1
ALGEMEEN..................................................................................................................................................12
AFVALSTOFFEN......................................................................................................13
3.1
AFVALSCHEIDING....................................................................................................................................13
3.2
3.3
3.4
3.5
3.6
Opslag VAN AFVALSTOFFEN..............................................................................................................13
VERGUNDE CAPACITEIT........................................................................................................................ 13
Acceptatie Van AFVALSTOFFEN......................................................................................................14
Acceptatie- en VERWERKINGSPROCEDURES.............................................................................14
REGISTRATIE.............................................................................................................................................15
AFVALWATER......................................................................................................... 16
4.1
ALGEMEEN................................................................................................................................................ 16
4.2
Lozingssituatie................................................................................................17
Controleput LP2....................................................................................................... 17
MOGELIJK VERONTREINIGD REGENWATER VAN VERHARD TERREINOPPERVLAK WEGEN EN
PARKEERPLAATS.................................................................................................................................................... 17
4.3
ZUIVERINGSTECHNISCHE VOORZIENINGEN.................................................................................. 18
| 4.4 | Lozingsnormen lozingspunt 1 meetinrichting 2........................................ | 18 | |
| 4.5 | L OZINGSNORMEN LOZINGSPUNT 1 MEETINRICHTING 1........................................ | 19 | |
| 4.6 | Lozingsnormen lozingspunt 1 meetinrichting 1 en Meetinrichting 2....20 | ||
| 4.7 | Lozingsnormen ter plaatse van controleput 'LP 2'....................................20 | ||
| 4.8 | Voorkomen verontreiniging ( schrob-) en REGENWATER......................................... | 20 | |
| 4.9 | HULPSTOFFEN......................................................................................................................................... | 20 | |
| 4.10 STOFFENAANPAK EN continue vermindering | LOZINGSTOFFEN.............. 21 | ||
| 4.11 EN TIN . 21 | ONDERZOEKSVERPLICHTING LOZING ANTIMOON , COBALT , MANGAAN , VANADIUM | ||
| 4.12 Meet- | EN BEMONSTERINGSVOORZIENINGEN........................................................................ 22 | ||
| 4.13 Meten, bemonsteren en ANALYSEREN................................................................................ | 22 | ||
| 4.14 RAPPORTAGE....................................................................................................................................... | 23 | ||
| 4.15 L EGIONELLA........................................................................................................................................ | 24 | ||
| 4.16 OLIE - SLIB AFSCHEIDER................................................................................................................. | 25 | ||
| 4.17 ONDERZOEKSVERPLICHTING SANERING N- TOTAAL LOZINGSPUNT | 1..................25 | ||
| 4.18 ONDERZOEKSVERPLICHTING VERONTREINIGING AFVALWATER 25 | ROOKGASREINIGING | ||
| 5 | BODEM.....................................................................................................................26 | ||
| Slibbunkerhal ...........................................................................................................26 | BRANDVEILIGHEID..............................................................................................26 | ||
| 6 | 6.1 | ALGEMEEN................................................................................................................................................ | 26 |
| 6.2 | BRANDBESTRIJDING............................................................................................................................. | 26 | |
| 7 | OPSLAG GEVAARLIJKE STOFFEN (PGSRICHTLIJNEN).............................27 | ||
| 7.1 | PGS 9: Opslag van cryogene gassen (6,7 M3 CO 2 OPSLAGTANK | )...............27 | |
| 7.2 | PGS 15: Opslag van verpakteGevaarlijke STOFFEN................................................. | 27 | |
| 7.3 PGS 31: Opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen In ondergrondse EN BOVENGRONDSE TANKINSTALLATIES ( LOCATIE NUMMER 107, 108 EN 109).............28 | |||
| 7.4 GELIJKWAARDIGHEIDSBEGINSEL.................................................................................................... | 29 | ||
| 8 | GELUID....................................................................................................................29 | ||
| 8.1 | ALGEMEEN................................................................................................................................................ | 29 |
| 9 | GEUR.........................................................................................................................30 | |
| 9.1 | ALGEMEEN................................................................................................................................................ | 30 |
| 10 | LUCHT.......................................................................................................................30 | |
| 10.1 | Emissie - eisen | ...............................................................................................30 |
| 10.2 | Diffuse EMISSIES........................................................................................................................... | 31 |
| 10.3 | Bedrijven van de rookgasreinigingsinstallatie | ......................................31 |
| 10.4 | Metingen en ONDERZOEK.......................................................................................................... | 32 |
| 11 | PROCESINSTALLATIES........................................................................................33 | |
| 11.1 | L UCHT................................................................................................................................................... | 33 |
| 11.2 | Meet-, regel - en BEVEILIGINGSAPPARATUUR................................................................... | 34 |
| 11.3 | COMMUNICATIE................................................................................................................................. | 34 |
| 11.4 | VEILIGHEIDSTOESTELLEN.............................................. | 34 |
| 11.5 | Ongewone VOORVALLEN............................................................................................................. | 34 |
| 12 | ZEER ZORGWEKKENDE STOFFEN (ZZS).........................................................35 | |
| 12.1 | ALGEMEEN........................................................................................................................................... | 35 |
| 12.2 | NIEUWE ZZS STOFFEN.................................................................................................................. | 36 |
| PROCEDURELE ASPECTEN.................................................................................................37 | ||
| 1. | PROCEDURELE ASPECTEN.................................................................................37 | |
| 1.1. | GEGEVENS AANVRAGER................................................................................................................. | 37 |
| 1.2. | P ROJECTBESCHRIJVING.................................................................................................................. | 37 |
| 1.3. | Omschrijving van DE AANVRAAG.......................................................................................... | 37 |
| 1.4. | Huidige vergunningsituatie | .......................................................................38 |
| 1.5. | Bevoegd gezag | ............................................................................................40 |
| 1.6. | WET NATUURBESCHERMING........................................................................................................ | 40 |
| 1.7. | Beoordeling van DE AANVRAAG............................................................................................ | 40 |
| 1.8. | Procedure | ................................................................................................... 40 |
| 1.9. | Advies Wettelijke ADVISEURS............................................................................................... | 41 |
| 1.10. | WET BIBOB.................................................................................................. | 44 | |
| 1.11. | Zienswijzen op de ONTWERPBESCHIKKING........................................................................ | 44 | |
| 1.12. | Wijzigingen ten opzichte van de ontwerpvergunning | .............................56 | |
| INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN................................................................................... | 58 | ||
| 2. | TOETSINGSKADER MILIEU................................................................................58 | ||
| 2.1. | I NLEIDING............................................................................................................................................. | 58 | |
| 2.2. | Toetsing oprichten , Veranderen EN / OF REVISIE....................................................... | 58 | |
| 2.3. | OVERGANGSRECHT ACTIVITEITENBESLUIT.............................................................................. | 58 | |
| 3. | BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN................................................................58 | ||
| 3.1. | TOETSINGSKADER............................................................................................................................. | 59 | |
| 3.2. | Concrete Bepaling beste BeschikbareTECHNIEKEN................................................. | 59 | |
| 3.3. | CONCLUSIES BBT...........................................................................................60 | ||
| 4. | AFVALSTOFFEN.....................................................................................................60 | ||
| 4.1. | AFVALSTOFFEN ALGEMEEN............................................................................................................. | 60 | |
| 4.2. | Acceptatie en/of Verwerking Van AFVALSTOFFEN...................................................... | 61 | |
| 4.3. | Toetsing van de Aangevraagde afvalactiviteiten | ....................................62 | |
| 4.4. | AV-beleid en AO/IC.....................................................................................62 | ||
| 4.5. | CONCLUSIE.......................................................................................................................................... | 63 | |
| 5. | AFVALWATER.........................................................................................................63 | ||
| 5.1. Het Kader voor de bescherming tegen verontreiniging door de lozing Van AFVALWATER................................................................................................................................................ | 63 | ||
| 5.2. DE IN DE AANVRAAG OPGENOMEN MAATREGELEN EN VOORZIENINGEN TER BESCHERMING TEGEN VERONTREINIGING DOOR LOZING VANAFVALWATER................................ | 63 | ||
| 5.3. | Overgangsrecht Activiteitenbesluit | .........................................................64 | |
| 5.4. | AFVALWATERBEHANDELING........................................................................................................... | 65 | |
| 5.5. | BBT............................................................................................................... | 65 | |
| 5.6. | Afvalwater ROOKGASREINIGING............................................................................................. | 66 | |
| 5.7. | L OZINGSEISEN.................................................................................................................................... | 66 | |
| 5.8. | DOELMATIGHEID................................................................................................................................ | 67 | |
| 5.9. | Algemene beoordelingsmethodiek (ABM 2016)......................................67 | |
| 5.10. | L OZING TIJDENS ONDERHOUD................................................................................................... | 68 |
| 5.11. | MONITORING..................................................................................................................................... | 69 |
| 5.12. | Conclusie en BEOORDELING................................................................................................... | 69 |
| 6. | BODEM.....................................................................................................................70 | |
| 6.1. | ACTIVITEITENBESLUIT................................................................................................................... | 70 |
| 6.2. | Het kader voor de bescherming van de BODEM...................................................... | 70 |
| 6.3. | DE BODEMBEDREIGENDE ACTIVITEITEN................................................................................. | 70 |
| 6.4. | Beoordeling bodemrisicodocument | ......................................................... 71 |
| 6.5. | NULSITUATIEONDERZOEK.............................................. | 71 |
| 6.6. | EINDSITUATIEONDERZOEK EN HERSTELPLICHT BIJ GECONSTATEERDE VERONTREINIGING............................................................................................................................................. | 72 |
| 7. | ENERGIE..................................................................................................................73 | |
| 7.1. | Algemeen | .....................................................................................................73 |
| 7.2. | Energie RELEVANTE INRICHTING............................................................................................ | 73 |
| 7.3. | Hernieuwbare Energie Is geen EnergiebesparendeMAATREGEL........................ | 73 |
| 7.4. | CONCLUSIE........................................................................................................................................ | 73 |
| 8. | EXTERNE VEILIGHEID........................................................................................73 | |
| 8.1. | ALGEMEEN.......................................................................................................................................... | 73 |
| 8.2. | Besluit Bouwwerken LEEFOMGEVING................................................................................ | 74 |
| 8.3. | WARENWETBESLUIT DRUKAPPARATUUR 2016................................................. | 74 |
| 8.4. | Relatie met ATEX.......................................................................................74 | |
| 9. | PGS RICHTLIJNEN................................................................................................75 | |
| 9.1. | OP- EN OVERSLAG VAN GEVAARLIJKE STOFFEN (PGS- RICHTLIJNEN | )................75 |
| 9.2. | PGS 9: Opslag van cryogene gassen (0,125-100M3)............................ | 75 |
| 9.3. | PGS 15: Opslag van verpakte Gevaarlijke STOFFEN............................................ | 75 |
| 9.4. PGS 30: vloeibare brandstoffen - bovengrondse tankinstallaties en AFLEVERINSTALLATIES...................................................................................................................................... | 75 | |
| 10. | 9.5. PGS 31: Overige gevaarlijke vloeistoffen - OPSLAG IN ondergrondse EN BOVENGRONDSE TANKINSTALLATIES.................................................................................................... | |
| 10.1. | ALGEMEEN........................................................................................................................................... 76 | |
| 10.2. | Het kader voor de bescherming tegen GELUIDHINDER.......................................... 76 | |
| 10.3. | L ANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU....................................................................... 77 | |
| 10.4. | Maximale GELUIDNIVEAUS.......................................................................................................... 77 | |
| 10.5. | I ndirecte HINDER.......................................................................................................................... 78 | |
| 10.6. | Best Beschikbare Technieken (BBT).........................................................78 | |
| 10.7. | CONCLUSIE.......................................................................................................................................... 78 | |
| 11. | GEUR.........................................................................................................................78 | |
| 11.1. | L andelijk BELEID............................................................................................................................ 78 | |
| 11.2. | Provinciaal of Gemeentelijk BELEID................................................................................. 79 | |
| 11.3. | GEURHINDER...................................................................................................................................... 80 | |
| 11.4. | EERDER VERLEENDE VERGUNNING EN BEOOGDE VERANDERING................................... 80 | |
| 11.5. | Beoordeling geurhindersituatie ...............................................................82 | |
| 11.6. | CONCLUSIE.......................................................................................................................................... 83 | |
| 12. | LUCHT.......................................................................................................................83 | |
| 12.1. | TOETSINGSKADER......................................................................................................................... 83 | |
| 12.2. | WETTELIJK KADER............................................................................................................................ 83 | |
| 12.3. | EMISSIES VERBRANDINGSINSTALLATIES.................................................................................. 84 | |
| 12.4. | Schone L UCHT AKKOORD............................................................................................................ 85 | |
| 12.5. | Levering CO 2 (OMYA).................................................................................85 | |
| 12.6. | LUCHTEMISSIES SNB......................................................................................85 | |
| 12.7. | Verzoek Maatwerk Emissie NOx en AMMONIAK........................................................... 87 | |
| 12.8. | MONITORING EMISSIES.................................................................................................................. 88 | |
| 12.9. | LUCHTKWALITEIT........................................ 89 | |
| 12.10. | PRTR- VERSLAG........................................................................................................................... 89 | |
| 12.11. | Legionella ..................................................................................................90 | |
| 12.12. | Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS)........................................................90 | |
| 13. | ONGEWONE VOORVALLEN.................................................................................91 | |
| 14. | OVERIGE ASPECTEN.............................................................................................92 | |
| 14.1. | REACH................................................................................................................................................ 92 | |
| 14.2. | P ROEFNEMINGEN........................................................................................................................... 92 | |
| 15. | CONCLUSIE.............................................................................................................93 | |
| BIJLAGE 1............................................................................................................................... 95 BIJLAGE II TE OVERLEGGEN GEGEVENS ZOALS BEDOELD IN VOORSCHRIFT 4.9 .2 EN 4.9.3 96 | ||
De documenten genoemd onder c, d, e en f moeten ten minste vijf jaar worden bewaard.
In het voornemen tot wijziging moet het volgende aangegeven worden:
Pas na goedkeuring van bevoegd gezag mag de wijziging doorgevoerd worden.
Indien de afvalstoffen worden aangevoerd door een inzamelaar (niet zijnde de vergunninghouder) met toepassing van de inzamelaarsregeling moet de locatie van herkomst worden aangegeven, zoals deze moet worden vermeld op de begeleidingsbrief.
| Lozingspunt | Controlevoorziening | Afvalwaterstromen |
|---|---|---|
| Lozingspunt 1 | Meetinrichting 2 | Bedrijfsafvalwater, te weten gestript en biologisch gezuiverd: 1. Huishoudelijk afvalwater; 2. droogdampcondensaat van de drogers; en biologische gezuiverd: 3. condensaat van de indampinstallatie; 4. ketelspuiwater; 5. spuiwater van de wasser van het biofilter; 6. lekwater van silo's; 7. schrobwater van vloeren; 8. regeneratiewater van de onthardings- en demiwaterinstallatie; 9. hemelwater van de biodieseltankinstallatie. |
| Lozingspunt | Controlevoorziening | Afvalwaterstromen |
| l_ozingspunt 1 | Meetinrichting 1 | Bedrijfsafvalwater, te weten gestript: 1. droogdampcondensaat van de drogers; 2. condensaat van de indampinstallatie; en: |
| 1. huishoudelijk afvalwater; 2. ketelspuiwater; 3. spuiwater van de wasser van het biofilter; 4. lekwater van silo's; 5. schrobwater van vloeren; 6. regeneratiewater van de onthardings- en demiwaterinstallatie; 7. hemelwater van de biodieseltankinstallatie. |
| Lozingspunt | Controlevoorziening | Afvalwaterstromen |
| Lozingspunt 2 | Controleput Lp2 | Mogelijk verontreinigd regenwater van verhard terreinoppervlak wegen en parkeerplaats |
| Parameters/stoffen | Maximaal | Eenheid | |
|---|---|---|---|
| a. | Afvoerhoeveelheid | 990 | m3/etmaal |
| b. | Afvoerhoeveelheid | 260.000 | m3/jaar |
| c. | Vervuilingswaarde | 6.500 | i.e./etmaal |
| d. | Gemiddelde * vervuilingswaarde | 4.500 | i.e./etmaal |
| e. | N-totaal | 50.000 | kg/jaar |
| f. | Arseen (als As) | 0,52 | kg/jaar |
| g. | Kwik (als Hg) | 0,11 | kg/jaar |
| h. | Nikkel (als Ni) | 2,86 | kg/jaar |
| i. | Lood (als Pb) | 2,34 | kg/jaar |
| j. | PAK's | 0,16 | kg/jaar |
| k. | EOX | 2,58 | kg/jaar |
| Parameters/stoffen | Etmaalmonster | Steekmonster | Eenheid | |
|---|---|---|---|---|
| a. | Cadmium als Cd | Niet aantoonbaar* | Niet aantoonbaar* | pg/l |
| b. | Chroom als Cr | 25 | 50 | pg/l |
| c. | Koper als Cu | 60 | 120 | pg/l |
| d. | Lood als Pb | 25 | 50 | pg/l |
| e. | Nikkel als Ni | 35 | 70 | pg/l |
| f. | Zink als Zn | 125 | 250 | pg/l |
| g. | Zilver als Ag | 5 | 10 | pg/l |
| h. | Arseen als As | 5 | 10 | pg/l |
| i. | Kwik als Hg | 2 | 4 | pg/l |
| j. | Chloride als Cl | 5.000 | 10.000 | mg/l |
| k. | Sulfaat als SO 4 | 1.000 | 2.000 | mg/l |
| l. | Calcium als Ca | 125 | mg/l | |
| m. | Magnesium als Mg | 15 | mg/l | |
| n. | PAK | 5 | 10 | pg/l |
| o. | EOX | 30 | 60 | pg/l |
| p. | N-totaal | 300 | mg/l | |
| q. | PCDD en PCDF | Niet aantoonbaar** | Niet aantoonbaar** | ng/l |
| r. | Thallium | Niet aantoonbaar*** | Niet aantoonbaar*** | pg/l |
| s. | VOX | Niet aantoonbaar*** | pg/l |
| Parameters/stoffen | Maximaal | Eenheid | |
|---|---|---|---|
| a. | Afvoerhoeveelheid | 990 | m3/etmaal |
| b. | Afvoerhoeveelheid | 19.140 | m3/jaar |
| c. | Vervuilingswaarde | 38.500 | i.e./etmaal |
| d. | Gemiddelde vervuilingswaarde* | 24.000 | i.e./etmaal |
| Parameters/stoffen | Etmaalmonster | Steekmonster | Eenheid | |
|---|---|---|---|---|
| a. | Cadmium als Cd | 1 | 2 | pg/l |
| b. | Chroom als Cr | 105 | 210 | pg/l |
| c. | Koper als Cu | 60 | 120 | pg/l |
| d. | Lood als Pb | 25 | 50 | pg/l |
| e. | Nikkel als Ni | 105 | 210 | pg/l |
| f. | Zink als Zn | 225 | 450 | pg/l |
| g. | Zilver als Ag | 2 | 4 | pg/l |
| h. | Arseen als As | 10 | 20 | pg/l |
| i. | Kwik als Hg | 2 | 4 | pg/l |
| j. | Chloride als Cl | 5.000 | 10.000 | mg/l |
| k. | Sulfaat als SO 4 | 1.000 | 2.000 | mg/l |
| l. | Calcium als Ca | 125 | mg/l | |
| m. | Magnesium als Mg | 15 | mg/l | |
| n. | PAK | 125 | 250 | pg/l |
| o. | EOX | 420 | pg/l | |
| p. | Thallium | 10 | pg/l | |
| q. | N-totaal | 850 | mg/l | |
| r. | PCDD en PCDF | Niet aantoonbaar* | Niet aantoonbaar* | ng/l |
| s. | VOX | 20 | pg/l |
| Parameters/stoffen | Gemiddelde* | Steekmonster | Eenheid | |
|---|---|---|---|---|
| a. | Zuurgraad | 6,5 - 9,0 | pH | |
| b. | Chemisch zuurstofverbruik (CZV) | 120 | 240 | mg/l |
| c. | Biochemisch zuurstofverbruik (BZVs) | 10 | 20 | mg/l |
| d. | N-totaal | 10 | 20 | mg/l |
| e. | Som van de zware metalen chroom, koper, lood, nikkel en zink | 0,4 | mg/l | |
| f. | Minerale olie | 6 | 12 | mg/l |
| g. | Onopgeloste bestanddelen | 60 | mg/l | |
| h. | Bezinksel (na 60 minuten) | 1 | ml/l | |
| i. | Chloride | 200 | mg/l | |
| j. | PAK | 2 | 10 | wg/l |
| k. | EOX | 2 | wg/l |
Onder gemiddelde wordt verstaan het rekenkundig gemiddelde van 10 willekeurig genomen steekmonsters, waarbij tussen elke twee steekmonsters tenminste 24 uur verstreken dient te zijn. x
De ABM toets bevat ten minste het volgende:
4.14.2 Steeds binnen een maand na afloop van een kalenderkwartaal dient opgave te zijn gedaan aan het bevoegd gezag van de volgende op het betreffende kwartaal betrekking hebbende gegevens:
4.15.3 Het legionella-beheersplan, bedoeld in voorschrift 4.15.1 bevat naast een beschrijving van de maatregelen in ieder geval:
mg/l minerale oliën bevatten, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377.
Om aan deze concentratie te kunnen voldoen is het toepassen van een olieafscheider en een slibvangput niet voldoende, maar zijn verdergaande zuiveringstechnieken noodzakelijk. Deze voorzieningen zijn gebruikelijk bij een compressor ingebouwd.
| Rijksdriehoeks- coördinaten | LArrin dB(A) | |||
|---|---|---|---|---|
| Referentiepunten | (x;y) | Dag 07.00 - 19.00 u | Avond 19.00 - 23.00 u | Nacht 23.00 - 07.00 u |
| V001, Vergunningspunt 1 | 99938 ; 411609 | 30 | 30 | 29 |
| V002, Vergunningspunt 2 | 99167 ; 412200 | 32 | 31 | 31 |
| V003, Vergunningspunt 3 | 98456 ; 411500 | 35 | 34 | 34 |
| V004, Vergunningspunt 4 | 98975 ; 410738 | 29 | 28 | 28 |
De immissiepunten staan aangegeven op figuur 1 van het akoestisch rapport Slibverbrandingsinstallatie Noord-Brabant' van Peutz met rapportnummer FD 4376-2RA-001 d.d. 16 februari 2021.
| Component | (Dag)gemiddelde (mg/Nm3) | Jaargemiddelde3 (mg/Nm3) |
|---|---|---|
| (bij 11% O 2 ) | (bij 11% O 2 ) | |
| Totaal stof | 3 | 0,5 |
| Totaal organische componenten 1) | 6 | 4 |
| Zoutzuur | 6 | 3 |
| Waterstoffluoride | 0,5 |
| Zwaveldioxide | 30 | 10 |
|---|---|---|
| Stikstofoxiden * | 110 | |
| Ammoniak | 10 | 10 |
| Koolmonoxide ** | 20 | 6 |
| Kwik | 0,01 | |
| Som cadmium en thallium | 0,02 | |
| Som zware metalen 2) | 0,15 | |
| Polychloordibenzodioxinen en - dibenzofuranen (berekend als I- TEQ) | 0,03 ng/Nm3 |
rookgassen behandeld zijn voordat de rookgasreinigingsinstallatie in onderhoud gaat. Van vorenstaande onderhoudswerkzaamheden moet het bevoegd gezag twee weken vooraf schriftelijk op de hoogte te zijn gesteld.
| 10.4.1 | Na inwerkingtreding van deze beschikking moeten de emissies van stof uit de rookgasreiniging continu worden gemeten. De meting wordt uitgevoerd conform de meetnorm NEN-EN 13284-2. |
| 10.4.2 | Na inwerkingtreding van deze beschikking moeten de emissies van gasvormige en vluchtige organische stoffen, uitgedrukt in totaal organisch koolstof, uit de rookgasreiniging continu worden gemeten. De meting wordt uitgevoerd in overeenstemming met Europese meetnormen. |
| 10.4.3 | Na inwerkingtreding van deze beschikking moeten de emissies van zoutzuur uit de rookgasreiniging continu worden gemeten. De meting wordt uitgevoerd in overeenstemming met Europese meetnormen. |
| 10.4.4 | Na inwerkingtreding van deze beschikking moeten de emissies van waterstoffluoride in de rookgassen continu worden gemeten. De meting moet worden uitgevoerd in overeenstemming met Europese meetnormen. Een continue meting van waterstoffluoride kan worden vervangen door periodieke metingen elke zes maanden, als kan worden aangetoond dat de emissieniveaus van waterstoffluoride voldoende stabiel zijn. |
| 10.4.5 | Na inwerkingtreding van deze beschikking moeten de emissies van zwaveldioxiden uit de rookgasreiniging continu worden gemeten. De meting wordt uitgevoerd in overeenstemming met Europese meetnormen. |
| 10.4.6 | Na inwerkingtreding van deze beschikking moeten de emissies van stikstofoxiden uit de rookgasreiniging continu worden gemeten. De meting wordt uitgevoerd in overeenstemming met Europese meetnormen. |
| 10.4.7 | Na inwerkingtreding van deze beschikking moeten de emissies van koolmonoxide uit de rookgasreiniging continu worden gemeten. De meting wordt uitgevoerd in overeenstemming met Europese meetnormen. |
| 10.4.8 | Na inwerkingtreding van deze beschikking moeten de emissies van kwik in de rookgassen continu worden gemeten. De continue meting wordt uitgevoerd conform de meetnorm NEN-EN 14884. Een continue meting van kwik kan worden vervangen door periodieke metingen elke zes maanden, als kan worden aangetoond dat het te verbranden afval een bewezen laag en stabiel Hg-gehalte heeft. De periodieke meting wordt uitgevoerd conform de meetnorm EN 13211. |
| 10.4.9 | De emissies van metalen en metalloïden (As, Cd, Co, Cr, Cu, Mn, Ni, Pb, Sb, Tl en V) in de rookgassen, met uitzondering van kwik, moeten elke zes maanden worden gemeten. De meting wordt uitgevoerd conform de meetnorm EN 14385. |
| 10.4.10 | De emissies van polychloordibenzodioxinen en -dibenzofuranen in de rookgassen moeten eenmaal per zes maanden worden gemeten. De meting wordt uitgevoerd conform de meetnormen EN 1948-1, EN 1948-2, EN 1948 3. |
| 10.4.11 | Na inwerkingtreding van deze beschikking moeten de emissies van ammoniak in de rookgassen continu worden gemeten. De meting moet worden uitgevoerd in overeenstemming met Europese meetnormen. |
OTNOC = Other Than Normal Operation Conditions (andere dan normale operationele condities). Daarbij valt te denken aan:
andere verstoringen in het verbrandingsproces b.v. extreme sintelvorming, intrede leklucht, verstoppingen in nozzles voor primaire luchtinvoer, problemen met de zuigtrekventilator etc.
De meetresultaten maken onderdeel uit van de registraties als bedoeld in voorschrift 10.4.14.
Indien te verwachten is dat een storing van deze meetapparatuur langer zal duren dan 48 uur, of indien de storing daadwerkelijk langer duurt dan 48 uur moet hiervan melding worden gedaan aan het bevoegd gezag.
Op 1 november 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van: N.V. Slibverwerking Noord-Brabant (hierna SNB) aan de Middenweg 38 te Moerdijk. SNB richt zich op de verwerking van (communaal) zuiveringsslib van haar aandeelhouders (vijf waterschappen) en overige klanten.
Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: een revisievergunning ten behoeve van de gehele inrichting plus het doorvoeren van een aantal kleine aanpassingen binnen de inrichting. De veranderingen betreffen:
Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten:
De aanvraag bestaat uit de volgende delen:
Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen verleend dan wel meldingen geaccepteerd:
| SOORT VERGUNNING | DATUM | KENMERK | Onderwerp |
|---|---|---|---|
| Revisievergunning* | 03-02-2004 | 972174 | Gehele inrichting |
| Wijziging voorschriften* | 12-04-2005 | 1093018 | Aanpassing i.v.m. NRB |
| Veranderingsvergunning* | 16-02-2007 | 1263289 | Div. veranderingen incl. 5e verbrandingslijn |
| Melding ex. art. 8.19 Wm* | 22-02-2010 | 1650801 | Realisatie bodempassage t.b.v. reiniging en infiltratie regenwater |
| Uitbreidingsvergunning | 04-09-2012 | 3104674 | Oprichting biologische zuivering voor droogdampcondensaat |
| Ambtshalve wijziging | 30-01-2013 | 3339655 | Actualisering lozingsvoorschriften n.a.v. oprichting biologische zuivering voor droogdampcondensaat |
| Veranderingsvergunning (milieuneutraal) | 31-03-2014 | 14020208 | Plaatsen 2 HD-ketels en stoomturbine en generator ter vervanging stoommotor/generator |
| Veranderingsvergunning (milieuneutraal) | 27-05-2014 | 14010117 | Uitbreiding met een tweede meetinrichting afvalwater |
| Veranderingsvergunning (milieuneutraal) | 08-12-2014 | 14110587 | Verlenging mogelijkheid volledig strippen met 1 jaar |
| Veranderingsvergunning (milieuneutraal) | 14-04-2015 | 15030507 | Plaatsen tegendrukturbine voor verbrandingslijnen 1 en 4 |
| Veranderingsvergunning | 20-01-2016 | 15101154 | Verlenging van verwerkingsduur volledig strippen en voorbeluchten |
| afvalwater in de DEMON-buffertank | |||
|---|---|---|---|
| Veranderingsvergunning | 09-11-2016 | 16061633 | Aanpassing lozingsvoorschriften en uitstel geurmeting tot 01-01-2019 |
| Veranderingsvergunning | 13-09-2017 | 17070030 | Verlenging strippen afvalwater |
| Veranderingsvergunning (milieuneutraal) | 12-12-2017 | 17071582 | Aanleg tankinstallatie biodiesel en parkeergelegenheid vrachtwagens |
| Veranderingsvergunning (milieuneutraal) | 13-03-2018 | 18020392 | Grondgebonden zonnepark |
| Ambtshalve wijziging | 28-01-2019 | 18051712 (M15) | Actualiseren energievoorschriften |
| Veranderingsvergunning | 25-06-2019 | 19011782 | DAF unit |
| Veranderingsvergunning (milieuneutraal) | 23-07-2020 | 20051577 | Slibontwateringsgebouw en 2 tanks |
| Ambtshalve wijziging | 02-12-2020 | 20080376 | Legionella maatregelen |
| Veranderingsvergunning | 10-12-2020 | 20110256 | Wijziging van de bouw van het slibontwateringsgebouw (SOG) door het verplaatsen van de slibbuffertank. |
De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd.
Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Uit artikel 1.2 lid 1, 2 en 3 van de Invoeringswet Wabo volgt dat een vergunning of ontheffing, die is verleend op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wabo, gelijkgesteld wordt met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit.
Bij besluit van 19 februari 2004, kenmerk 04U872, is door waterschap Brabantse Delta aan SNB, een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor de (indirecte) lozing van afvalwater via de gemeentelijke riolering en de verbeterd gescheiden riolering van de gemeente Moerdijk op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) Bath, in beheer bij waterschap Brabantse Delta, alsmede voor de (directe) lozing op de sloot langs de Middenweg, in beheer bij waterschap Brabantse Delta.
De vergunning is gewijzigd bij de volgende besluiten: Besluit van 26 augustus 2005, kenmerk 05U6341; Besluit van 6 februari 2007, kenmerk 07U000825; Besluit van 3 augustus 2009, kenmerk 09U005843.
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet vervangt onder andere de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). De provincie NoordBrabant is na het in werking treden van de Waterwet voor de indirecte lozing (via de riolering op de rwzi) het bevoegd gezag. Het waterschap Brabantse Delta is wettelijk adviseur voor deze indirecte lozing. De Wvo-vergunning en de wijzigingen daarop voor indirecte lozingen worden aangemerkt als vergunningen ingevolge de Wabo. Het waterschap Brabantse Delta is voor de directe lozing op de sloot langs de Middenweg het bevoegd gezag. Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid is voor de directe lozing op het Hollands Diep het bevoegd gezag.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Uit artikel 4.13, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat een omgevingsvergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet van toepassing is en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet. Daarnaast is in artikel 4.13, lid 3 en 4 van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat als aan een omgevingsvergunning voorschriften verbonden zijn die gelden voor een activiteit die niet of niet geheel onder de vergunningplicht valt, deze voorschriften gelden als maatwerkvoorschriften voor zover het gaat over een onderwerp waarvoor op grond van de Omgevingswet maatwerkvoorschriften gesteld kunnen worden,
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel 3.3 lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C categorieën 28.4 onder a sub 2 en 28.4 onder e sub 2 van het Bor en daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort.
Uit artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet volgt dat het oude, vóór 1 januari 2024, geldende recht van toepassing is op de onderhavige aanvraag om omgevingsvergunning.
De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant gemandateerd voor het afhandelen van deze aanvraag om vergunning.
In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer:
Het aanhaken is niet van toepassing (een vergunning natuur is niet van toepassing) wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen (vergunning en/of ontheffing op basis van de Wnb is verleend) voor het tijdstip waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend. Verder is een vergunning Wnb niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is.
Ten aanzien van de stikstofemissie geldt voor deze aanvraag dat op 30 maart 2022 een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is afgegeven. De aanvraag is ingediend op 4 december 2020. SNB vraagt met deze vergunning geen nieuwe activiteiten aan waardoor actualisatie van de Wnb vergunning niet aan de orde is.
Gelet op het voorgaande is voor deze aangevraagde wijziging geen aanvullende toestemming benodigd in het kader van de Wet natuurbescherming c.q. haakt het onderdeel "natuur" niet aan in onderhavige Wabo-procedure.
Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen.
Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag op de website van de provincie Noord-Brabant.
Wij hebben op 1 november 2021 de aanvraag ontvangen. Wij hebben op 24 december 2021, 10 maart 2022, 22 juni 2022 en 4 augustus 2022 aanvullende gegevens ontvangen.
In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden:
Naar aanleiding van onze advies uitvraag hebben wij de volgende reacties ontvangen:
Op 16 november 2021 heeft de gemeente Moerdijk aangegeven dat er geen wettelijk advies noodzakelijk is. De reden hiervoor is dat de aanvraag qua uitbreiding alleen de aanleg van parkeerplaatsen voor elektrische voortuigen betreft.
Op 6 januari 2021 hebben wij van het Waterschap Brabantse Delta advies gekregen. Het advies is als volgt:
Na ontvangst van de aanvraag, hebben wij deze getoetst op ontvankelijkheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met aanvullende informatie voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de indirecte lozing. De aanvraag met aanvullende informatie is voor wat betreft het aspect indirecte lozing dan ook ontvankelijk en kan in behandeling worden genomen. De bestaande voorschriften voor de directe lozing op de sloot langs de Middenweg in de Wvo-beschikkingen zijn na de invoering van de Waterwet van rechtswege overgegaan naar regulering in het Activiteitenbesluit. De aangevraagde wijzigingen hebben geen invloed op deze directe lozing. Gelet hierop behoeft er geen watervergunning te worden aangevraagd bij Waterschap Brabantse Delta. Reactie op advies Door het Waterschap Brabantse Delta is een voorzet gemaakt voor de voorschriften en overwegingen met betrekking tot de lozing van afvalwater. Dit advies is in deze vergunning verwerkt. Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) Op 8 december 2021 hebben wij het advies van ILT ontvangen. Naar aanleiding van het advies hebben wij aanvullende informatie gevraagd. Op 24 december 2021 hebben wij een reactie van SNB ontvangen naar aanleiding van de opmerkingen vanuit ILT. Deze zijn beoordeeld door ILT en op 21 maart 2022 hebben wij een reactie ontvangen. Hieruit bleek dat nog niet alle vragen voldoende zijn beantwoord. Op 21 juni 2022 heeft SNB een reactie gegeven op de nog openstaande vragen van ILT. Op 20 juli 2022 hebben wij vervolgens vanuit ILT een reactie ontvangen.
Naar aanleiding van de laatste aanvullingen hebben wij op de volgende punten een reactie vanuit ILT mogen ontvangen:
Op 23 november 2021 hebben wij het volgende advies ontvangen van Rijkswaterstaat:
Reactie op advies Wij kunnen instemmen met de aannames van Rijkswaterstaat. Het klopt dat er geen wijziging wordt voorzien voor het koelwaterspui. Voor het toepassen van ZZS stoffen worden in de vergunning voorschriften opgenomen. Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant Op 13 januari 2022 hebben wij het advies van de Veiligheidsregio Midden- en Westgevraagd. Op 1 juni 2022 hebben wij het advies ontvangen n.a.v. de ingediende aanvullende gegevens. Het advies is als volgt: De aanvraag bevat voldoende gegevens om een beoordeling op het gebied van
Brabant ontvangen. Naar aanleiding van het advies hebben wij aanvullende gegevens brandveiligheid uit te kunnen voeren. Wel hebben wij nog op- en aanmerkingen die door middel van het stellen van voorschriften ondervangen kunnen worden. Deze voorschriften en onze adviezen zijn opgenomen in bijgevoegd rapport.
Naar aanleiding van het later ingediende verzoek om gelijkwaardigheid en vragen vanuit SNB op de concept versie van deze ontwerpbeschikking hebben wij op 13 juli 2022 nogmaals advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Wij hebben op 3 augustus 2022 een aanvullend advies ontvangen. Het advies is als volgt samen te vatten:
Door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een voorstel gedaan voor het stellen van voorschriften. Wij hebben dat voorstel overgenomen in dit besluit. Naar aanleiding van de ingediende GAP analyse hebben wij op 3 augustus 2022 om aanvullende gegevens gevraagd. Op 4 augustus 2022 zijn de aanvullingen ontvangen. Na afstemming met de Veiligheidsregio is geconcludeerd dat met deze aanvullingen voldoende is aangegeven op welke wijze volledig aan de PGS voorschriften wordt voldaan.
Conform de beleidsregels hebben wij van N.V. Slibverwerking Noord-Brabant in het kader van de revisievergunning een Bibob-vragenformulier (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) en bijlagen ontvangen. Gezien de huidige aandeelhoudersstructuur (Waterschappen) hebben we besloten dat er geen Bibob-onderzoek zal plaatsvinden naar het bedrijf. Ook bij een eerdere ontvangst van een vragenformulier was toen dit de reden dat wij geen Bibob-onderzoek zijn gestart.
Wel wijzen we erop dat het Bibob-onderzoek een momentopname is. Er kan op een later moment blijken dat er (nieuwe) handhavingsinformatie, strafrechtelijke informatie of een andere indicatie is om een nieuw Bibob-onderzoek op te starten. Uit dat onderzoek kan dan blijken dat er vanuit de Wet Bibob wel degelijk bezwaren zijn ten aanzien van de omgevingsvergunning.
Van het ontwerp van de beschikking hebben wij de kennisgeving digitaal gepubliceerd op internet: www.brabant.nl op 20 juni 2023 en www.officielebekendmakingen.nl op 21 juni 2023.
Tussen 22 juni 2023 en 3 augustus 2023 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt.
Op 31 juli 2023 is door SNB een zienswijze ingediend op de ontwerpbeschikking. Samengevat gaat het om de volgende zienswijzen:
SNB verzoekt om een aantal documenten geen onderdeel uit te laten maken van de vergunning. Het betreft bijlagen die aan de aanvraag zijn toegevoegd ter informatie en als achtergronddocument. SNB verzoek daarom ook om de volgende rapportages geen onderdeel uit te laten maken van de vergunning: rapportage grondwatermonitoring van Royal Haskoning, bijlage 1, 2, 5, 6, 6a, 7, 10, 10b, 11a, 11b, 17, 18 en 21b.
Een aantal documenten zullen onderdeel moeten uitmaken van de vergunning omdat deze de basis zijn van de vergunning. Naar aanleiding van het verzoek van SNB hebben wij nogmaals kritisch gekeken naar welke stukken we onderdeel uit hebben laten maken van de aanvraag. Bij nader inzien maken inderdaad teveel bijlagen onderdeel uit van de vergunning. Een aantal bijlage zijn alleen nodig geweest voor de beoordeling en kunnen als achtergrondinformatie worden beschouwd. We zullen de volgende bijlagen alsnog verwijderen: Rapportage grondwatermonitoring Royal aanvraag maar zullen geen onderdeel maar uitmaken van de vergunning. De Haskoning van 30-11-2020, 1, 2, 11a, 17, 18, 21b. Deze blijven wel onderdeel van de zienswijze is hiermee gedeeltelijk gegrond verklaard. Zienswijze 2 SNB verzoekt om voorschrift 5.1.3 te schrappen. In de aanvraag is ter hoogte van de slibbunkerhal ingestemd met het gegeven dat hier sprake is van een aanvaardbaar bodemrisico in plaats van een verwaarloosbaar bodemrisico. Anders dan door het bevoegd gezag gesteld, kent artikel 2.9a van het Activiteitenbesluit geen verplichting tot het uitvoeren van een onderzoek om alsnog een verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken. Reactie op zienswijze Het instemmen met het hebben van een aanvaardbaar bodemrisico in plaats van een verwaarloosbaar bodemrisico, wil niet zeggen dat er nooit gestreefd moet worden naar een verwaarloosbaar bodemrisico. Het realiseren van een aanvaardbaar bodemrisico is onder de Omgevingswet niet meer toegestaan. De Omgevingswet gaat er namelijk vanuit dat bodemverontreiniging voor alle milieubelastende activiteiten (zoveel mogelijk) wordt voorkomen door in het Bal de beste beschikbare technieken (BBT) per activiteit voor te schrijven. Het voorschrijven van deze BBT maatregelen samen met de specifieke zorgplicht komt overeen met het oude begrip verwaarloosbaar bodemrisico. Met het oog hierop willen wij er naartoe werken dat bij alle bodembedreigende activiteiten sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. Wij begrijpen ook dat het voor SNB lastig zal zijn om dit binnen een korte termijn te realiseren. Wij hebben er daarom voor gekozen om geen termijn op te nemen. In plaats daarvan bieden we SNB de mogelijkheid om in het geactualiseerde plan van aanpak zelf een termijn aan te geven. Maatregelen kunnen bijvoorbeeld worden getroffen wanneer er toch al een groot onderhoud gepland staat. Wij gaan dan ook niet mee in deze zienswijze en verklaren deze ongegrond. Zienswijze 3 In paragraaf 9.4 van de overwegingen is aangegeven dat voor de bovengrondse dieseltank ter hoogte van het waterinlaatgebouw geen standaardvoorschriften gelden. In plaats daarvan dienen maatwerkvoorschriften te worden opgelegd. Hierin wordt verwezen naar artikel 3.71d van de Activiteitenregeling. SNB verzoekt om de achtergrond hiervan nader toe te lichten. Reactie op zienswijze SNB heeft gelijk dat de maatwerkvoorschriften niet correct zijn beschreven in het ontwerpbesluit. Vanuit de Regeling is opgegeven dat via maatwerkvoorschriften de voorschriften van paragraaf 3.4.9 van de Activiteitenregeling ook van toepassing kunnen worden verklaard voor dieseltanks die op een verdiepingsvloer staan. Dan is het noodzakelijk om artikel 3.71d lid 5 niet van toepassing te verklaren. Wij hebben dit via een maatwerkvoorschrift bepaald. Zienswijze is hiermee gegrond verklaard. Zienswijze 4 In paragraaf 12.4 van de overwegingen staat beschreven dat er sprake is van CO 2
levering vanuit SNB richting Omya. Op het terrein van SNB staat onder ander een condensaatkoeler, 3 koeltoeren, koelwaterpompen e.d. Deze voorzieningen zijn eigendom van Omya en worden bedreven door Omya. SNB geeft aan dat zij geen enkele zeggenschap hebben over de bedrijfsvoering m.a.w. de exploitatie van de koeltorens. Momenteel zijn ze onderdeel van de vergunning van SNB. SNB stelt echter dat ze geen onderdeel uitmaken van de inrichting van SNB. SNB verzoekt dan ook om in de vergunning te benoemen dat eventuele aanschrijvingen op het gebied van toezicht en handhaving op deze installatie naar Omya moeten worden gestuurd en niet naar SNB. Reactie op de zienswijze Op 6 oktober 2023 heeft SNB aangegeven, na overleg met Omya, zienswijze 4 in te trekken. Het is dan ook niet meer noodzakelijk om hier nog inhoudelijk op te reageren. Zienswijze 5 SNB verzoekt om in voorschrift 1.5.1 onder f de verwijzing naar paragraaf 3.5 aan te passen naar paragraaf 3.6. Reactie op de zienswijze In de ontwerpbeschikking is inderdaad naar de verkeerde paragraaf verwezen. Zienswijze is gegrond en voorschrift is conform voorstel van SNB aangepast. Zienswijze 6 SNB verzoekt om voorschrift 3.6.5 zodanig aan te passen dat alleen voor alle bulkgoederen de hoeveelheden moeten worden bepaald via een weegvoorziening. SNB geeft aan dat het voor bijvoorbeeld de afvoer van poetsdoeken en kantoorafval niet gebruikelijk en mogelijk is om deze te wegen vanwege de te geringe gewichten. SNB stelt voor om op te nemen dat voor alle niet bulkgoederen kan worden volstaan met een telling en/of financiële afhandeling van de afnemer. Reactie op zienswijze Wij kunnen ons vinden in de onderbouwing van SNB waarom het niet mogelijk is om voor alle afvalstoffen de gewichten te registreren via een weegbrug. Wij stemmen dan ook in met het voorstel om het voorschrift alleen van toepassing te verklaren op bulkgoederen. Stoffen die in standaardverpakkingen worden aangeleverd dan wel afgevoerd mogen ook op een andere wijze worden geregistreerd. Zienswijze is hiermee gegrond verklaard. Zienswijze 7 SNB verzoekt om voorschrift 3.6.7 te schrappen. Dit is, volgens SNB, namelijk een overbodig voorschrift omdat zij al een rapportage verplichting hebben via de e-PTRT wetgeving. Reactie zienswijze SNB stelt terecht dat zij een rapportageverplichting heeft via het e-PRTR. Wij kunnen niet instemmen met de stelling dat alle verplichtingen uit voorschrift 3.6.7 geborgd zijn via de e-PRT rapportage. Zo geldt er via e-PRTR geen verplichting tot het hebben van een sluitende afval administratie en hoeft er ook geen toelichting gegeven te worden op eventuele afwijkingen. Wij zien dit voorschrift als een nadere verdieping van de landelijke rapportage verplichtingen. Mochten er wijzigingen optreden in de ePRTR rapportageplicht, blijft er rapportageplicht als gevolg van voorschrift 3.6.7 in stand. Wij gaan dan ook niet mee in de zienswijze. Zienswijze is hiermee ongegrond verklaard. Zienswijze 8 In voorschriften 4.2.1 en 4.2.2 is in de tabel de opmerking "te weten gestript' toegevoegd in vergelijking met de huidige vergunning. Enkel de stromen 2 droogdampcondensaat van de drogers en 3 condensaat van de indampingsinstallatie worden gestript (conform blokschema in bijlage 5 van de aanvraag). SNB verzoekt om dit aan te passen. Reactie op zienswijze Per abuis is in voorschriften 4.2.1 en 4.2.2 opgenomen dat alle afvalwaterstromen worden gestript. Dit is echter niet correct. Alleen het droogdampcondensaat van de drogers en het condensaat van de indampinstallatie worden gestript. Wij hebben beide voorschriften aangepast conform verzoek. Zienswijze is gegrond. Zienswijze 9
In de vigerende vergunning is voor lozingspunt 1 meetinrichting 2 voor N-totaal een vracht van 50.000 kg/jaar opgenomen. Als lozingsnorm voor lozingspunt 1 meetinrichting 2 is in de ontwerpbeschikking voor N-totaal een vracht van 35.000 kg/jaar opgenomen. Op basis van de gegevens in de aanvraag tot en met 2020 is deze eis realistisch. De actuele situatie wijkt echter af door een toegenomen aanbod van Ntotaal in het te verwerken slib, door de toegenomen vergisting van het slib. De verwachting is dat in 2023 circa 47.000 kg/jaar N-totaal geloosd zal gaan worden. Momenteel onderzoekt SNB of de stikstofcapaciteit van de biologische zuivering kan worden vergroot door het huidige SBR-systeem om te bouwen tot een MBR-systeem. Gelet hierop verzoekt SNB om in voorschrift 4.4.1 in combinatie met het handhaven van de vergunde N-totaal vracht een onderzoeksverplichting op te nemen voor de
verlaging van de totale stikstofvracht.
Gelet op de huidige afwijkende situatie ten aanzien van de N-totaal vracht in het aangevoerde slib ten opzichte van de gegevens in de vergunningsaanvraag tot en met 2020, is het logisch om hiermee rekening te houden. Wij gaan mee in het voorstel om hiermee in te stemmen in combinatie met een onderzoeksverplichting voor verlaging van de totale stikstofvracht. Voorschrift 4.4.1.e wordt conform voorstel van SNB aangepast. Daarnaast worden voorschriften 4.17.1 en 4.17.2 toegevoegd. Zienswijze is hiermee gegrond verklaard.
Zienswijze 10 SNB vraagt n.a.v. van voorschriften 4.12.3 en 4.12.4 bevestiging dat de huidige voorzieningen zijn/worden goedgekeurd. Reactie op zienswijze De meetinrichtingen 1 en 2 en de controleput lp2 zijn onderdeel van de bestaande
situatie en hebben momenteel de goedkeuring van het bevoegd gezag. Om dit voor de toekomst ook te borgen zijn de betreffende voorschriften opgenomen. Daarnaast is het de borging van een goede staat van onderhoud en de vakkundige bediening. De zienswijze is hiermee ongegrond verklaard. Zienswijze 11 SNB verzoekt om de voorschriften uit paragraaf 4.15 te laten vervallen. SNB geeft aan dat bij een verplichte lozingstop als gevolg van een ongewoon voorval buiten SNB om, zij vreest dat er zodanige biologische stikstof afbraakcapaciteit verloren gaat, dat zij niet meer aan de voorwaarden van voorschrift 4.15.3 kan voldoen. Mochten wij toch van mening zijn dat de voorschriften gehandhaafd moeten blijven, dan verzoekt SNB om voorschrift 4.15.3 zodanig aan te passen dat SNB, na goedkeuring van het bevoegd gezag, tijdelijk afvalwater mag lozen met een andere kwaliteit totdat het biologisch proces weer op orde is. Reactie op zienswijze Uit nadere verdieping blijkt dat artikel 5.20 Wabo voldoende handelingsperspectief geeft voor maatregelen voor een indirecte lozing bij een bedrijf bij een onvoorzien voorval buiten de inrichting. Dit is tevens verankerd in de samenwerkings overeenkomst tussen de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en Waterschap Brabantse Delta. Hierdoor kan voldoende snel en adequaat worden gehandeld bij een voorkomend ongewoon voorval buiten de inrichting, ter bescherming van de werking van de zuiveringstechnische werken van het waterschap. Daarnaast wordt een negatieve invloed op het oppervlaktewater waarop de rioolwaterzuivering loost, voorkomen of geminimaliseerd. Wij zullen dan ook paragraaf 4.15 laten vervallen. Zienswijze is hiermee gegrond verklaard. De nummering in de beschikking is hierdoor veranderd. De huidige paragraaf 4.15 betreft legionella en was oorspronkelijk paragraaf 4.16. Zienswijze 12 Blijkens bijlage 22 van de aanvraag is voor de opslag van CO2 en HCL sprake van een gelijkwaardige voorziening. Voor de CO2 tank is met het verzoek tot gelijkwaardigheid ingestemd. Er is nog niet ingestemd voor de HCl tank. SNB verzoekt om dit alsnog te doen. Reactie zienswijze In paragraaf 9.4 van de overwegingen hebben we reeds aangegeven in te kunnen stemmen met beide verzoeken tot gelijkwaardigheid. Als extra aanvulling is voorschrift 7.3.2 aan de vergunning toegevoegd zodat het verzoek ook is geborgd via een voorschrift. De zienswijze van SNB is hiermee gedeeltelijk gegrond verklaard. Zienswijze 13 In voorschrift 8.1.2 is de geluidsbelasting vastgelegd op 4 vergunningspunten in de directe omgeving. Hoewel beschikt is conform aanvraag, kan worden geconcludeerd dat de thans vergunde waarden feitelijk geen milieudoel hebben. De bijdrage van SNB op de zonebewakingsposities is immers 35-40 dB(A) onder de cumulatieve waarde. Teneinde in de toekomst eventuele aanpassingen in installaties en bedrijfsvoering milieuneutraal te kunnen laten plaatsvinden, verzoek SNB een verhoging van 3-5 dB(A). Ook na verhoging van deze norm is de bijdrage van SNB op de zone, maar ook ter plaatse van woningen in de zone volstrekt irrelevant.
Zoals in de overwegingen van de ontwerpbeschikking al was aangegeven, is de inrichting gelegen op het ingevolge de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein 'Moerdijk'. De geluidbelasting - in casu het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau - van de inrichting dient derhalve getoetst te worden aan grenswaarden, die aan de vastgestelde zone zijn verbonden. De totale geluidbelasting van alle bedrijven op het industrieterrein samen, mag niet meer bedragen dan 50 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de zonegrens en niet meer dan de vastgestelde maximaal toelaatbare geluidbelasting (MTG) bij woningen van derden, die binnen de zone gelegen zijn. Het is dus van belang dat de aan een inrichting toe te kennen geluidruimte op maat gemaakt wordt, zodat eventuele uitbreidingen en nieuwvestigingen van bedrijven niet onmogelijk gemaakt worden. Door het gegeven dat de cumulatieve geluidbelasting van alle aanwezige bedrijven op het gezoneerd industrieterrein op de zone niet boven de 50 dB(A) mag komen, zijn de bedrijven afhankelijk van elkaar. De geluidruimte die door één bedrijf is benut, kan immers niet meer door een ander bedrijf worden gebruikt. Dat maakt het van belang om de geluidruimte binnen de geluidzone goed te beheren. Dit wordt bewerkstelligd door enkel die geluidruimte te vergunnen die het bedrijf aanvraagt en daadwerkelijk nodig heeft. De geluidsruimte op de zone wordt op dit moment (bijna) volledig benut. Zodat nauwelijks nog geluidruimte beschikbaar is. Een overschrijding van de zone, hoe klein ook, heeft tot gevolg dat het bedrijventerrein op slot gaat en dat vergunningverlening moet worden uitgesteld. De geluidbijdrage van SNB op de zone is beperkt maar dat neemt niet weg dat zomaar meer vergund kan worden. Dit is tegen de systematiek van het zonebeheer. Daarnaast zijn veranderingen waarbij de geluidimmissie toeneemt geen milieuneutrale veranderingen. Derhalve kan niet worden meegegaan om meer te vergunnen dan wordt aangevraagd. De zienswijze wordt hiermee ongegrond verklaard.
Voorschrift 10.1.1 kent strengere (dag) gemiddelde emissiegrenswaarden (EGW) in vergelijking met afdeling 5.1.2 Activiteitenbesluit (zijn conform toekomstige Omgevingswet), maar ook emissie-eisen voor het jaargemiddelde. SNB wil hierbij nog wel de kanttekening plaatsen ten aanzien van de vergunde EGW voor NOx en NH3 in relatie tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024. Deze vergunde EGW's dienen aangemerkt te worden als maatwerkvoorschriften zodat deze ook gelden vanaf 1 januari 2024. SNB kan niet instemmen met hetgeen in paragraaf 12.6.1 is gesteld van de ontwerpbeschikking. SNB geeft aan geen maatwerkvoorschriften conform het Bal te vragen maar conform BBT. Daar met het opnemen van jaarvrachten zowel invulling wordt gegeven aan het uitgangspunt, dat niet meer wordt vergund dan nodig en aan de vertaling van het SLA in milieuvergunningen verzoekt SNB ons te overwegen om met uitzondering van de parameters NOx en NH3 de kolom met de "(dag)gemiddelde" te laten vervallen. Hierdoor worden eventuele onduidelijkheden over te hanteren middelingstijden vermeden en zullen eventuele toekomstige wijzigingen in de wetgeving op dit vlak direct van kracht zijn.
In het kader van zo streng mogelijk vergunnen, is bij vaststellen van de normering zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de normen zoals opgenomen in de BBT conclusies afvalverbranding. Voor een aantal componenten is deze norm strenger dan opgenomen in § 5.1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Aangezien de ontwerpbeschikking nog voor 1 januari 2024 ter inzage heeft gelegen, geldt volgens het overgangsrecht dat we beschikken conform "oude" wetgeving (Wabo). Als gevolg van het overgangsrecht zullen normen uit de vergunning prevaleren boven de algemene voorschriften uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Wij hebben zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de normering uit het Bal. Echter zijn een aantal componenten ruimer vergund en een aantal strenger. Zo geldt bijvoorbeeld het vergunningvoorschrift 10.1.1 voor de daggemiddelde emissiegrenswaarde NOx (110 mg/Nm3). Daarnaast geldt de maandgemiddelde emissiegrenswaarde NOx uit het Bal (70 mg/Nm3). Bij de vergelijking van de normeringen uit voorschrift 10.1.1 en de normering uit het BAL blijkt er alleen een verschil te zijn in normering voor de componenten stikstofoxiden (daggemiddelde), ammoniak en koolmonoxide. Voor de componenten stikstofoxiden en ammoniak is de norm hoger dan de norm uit het Bal. Voor de component koolmonoxide is de norm lager dan de norm uit het Bal. Voor de overzichtelijkheid achten wij het dan ook zinvol om de normering te handhaven en
gaan niet mee met de zienswijze van SNB. De zienswijze wordt ongegrond verklaard.
SNB geeft aan dat de gestelde termijn in voorschrift 10.1.2 niet naleefbaar is. De reden hiervan is dat als gevolg van seizoensinvloeden de samenstelling van het slib varieert. Het is derhalve pas na 1 jaar mogelijk om de prestatie van de nieuwe rookgaswasser op daggemiddelde te kunnen bepalen. Voor het bepalen van het jaargemiddelde is sowieso een jaar nodig. SNB verzoekt om deze termijn aan te passen.
SNB geeft correct aan dat de jaargemiddelde waarden pas bepaald kunnen worden nadat de gaswassers minimaal 1 jaar in gebruik zijn. In voorschrift 10.1.1 zijn momenteel voor de componenten ammoniak en NOx ruime normen opgenomen en wordt hiermee niet voldaan aan de doelstellingen uit het SLA. Het is echter wel de bedoeling dat SNB uiteindelijk zowel de ammoniak als NOx emissie reduceert. Om dit inzichtelijk te krijgen hebben wij een onderzoeksverplichting via voorschrift 10.1.2 opgenomen. Wij kunnen wel instemmen met het verzoek van SNB om de termijn in voorschrift 10.1.2 te verlengen tot 12 maanden na ingebruikname. Dit rapport moet aan het bevoegd gezag worden overgelegd en op basis van deze resultaten kunnen we beoordelen of SNB een reductie heeft bereikt en in hoeverre we voorschrift 10.1.1 verder kunnen aanscherpen. Zienswijze is hiermee gegrond verklaard.
In paragraaf 10.4 van de voorschriften wordt aangegeven dat een groot deel van de componenten continu gemeten moet worden conform Europese meetnormen. De continue meetapparatuur moet voldoen aan de NEN-EN14181 die verwijst naar de NEN-EN 15267-3. Conform beide normen dient de meetapparatuur bij toepassing in een afvalverbrandingsinstallatie een gecertifieerd meetbereik te hebben van niet groter dan 1,5*dagelijkse EGW. Bij het hanteren van de voorgeschreven emissiegrenswaarden is het voor stof, CxHy, HCl, HF, SO2 en CO niet mogelijk om met bestaande/beschikbare meetapparatuur te voldoen aan de NEN-EN 14181 en NEN-EN 15267-3. SNB verzoekt om de verplichting om te voldoen aan beide NEN normen te laten vervallen en in plaats daarvan een eis op te nemen dat de best beschikbare meetapparatuur wordt geïnstalleerd wanneer de huidige geïnstalleerde meetapparatuur na technische/economische afschrijving moeten worden vervangen. Tevens geeft SNB een aantal voorstellen als aanvullende voorschriften ter compensatie voor de grotere onnauwkeurigheid.
Inmiddels is zienswijze 16 ook in een landelijke werkgroep besproken. Tijdens dit overleg is erkend dat de eis van 1,5*EGW kan vervallen als je de meetonzekerheidseis als absolute waarde gebruikt zoals het geval is in Nederland. Dit zal leiden tot het aanpassen van de norm. De aanpassing van de norm heeft nog niet plaatsgevonden, maar de verwachting is wel dat dit binnenkort gaat gebeuren. Op het moment dat de meetnormen NEN-EN 14181 en NEN-EN 15267-3 zijn aangepast zal dit knelpunt zijn opgeheven. Zolang deze norm nog niet is gewijzigd hoeft in afwijking van de op dit moment geldende Europese meetnormen voor stof, CxHy, HCl, HF, SO2 en CO de meetapparatuur niet een gecertifieerd meetbereik te hebben van niet groter dan 1,5*dagelijkse EGW.
Hulpstoffen zijn veelal niet integraal als ZZS aangemerkt, maar kunnen verbindingen bevatten die als ZZS worden gekwalificeerd. In het licht van de titel van 12.2 verzoekt SNB de volgende wijziging aan te brengen van voorschrift 12.2.1: "Het in gebruik nemen van nieuwe (hulp)stoffen voor zover deze nieuwe en niet-vergunde ZZS bevatten, is zonder (...)". Tevens merkt SNB op dat de verwijzing in de toelichting van dit voorschrift alleen van toepassing is op zuiveringsslib met een (vooraf bekende) afwijkende samenstelling i.c. parameters die normaliter niet in het ontvangen zuiveringsslib aanwezig zijn en waarvan de ontdoener expliciet heeft benoemd dat deze wel (in relevante concentraties) in slib zijn te verwachten. Acceptatie en verwerking van zuiveringsslib met niet-genormeerde verbindingen of stoffen die op enig moment onder de aandacht
komen, hoeven volgens SNB niet expliciet via voorschrift 3.4.4 te worden afgehandeld.
Wij kunnen instemmen met het verzoek tot aanpassing van het voorschrift. Daarnaast is de toelichting inderdaad niet helemaal duidelijk onder welke omstandigheden het voorschrift geldt. Wij hebben daarom besloten om de toelichting te verwijderen. Beide voorschriften gelden los van elkaar en aan beide voorschriften zal moeten worden voldaan. Het heeft dan ook geen toegevoegde waarde om een toelichting toe te voegen die op meerdere manieren te interpreteren is. De zienswijze is hiermee gegrond verklaard.
SNB verzoekt om in voorschrift 12.2.2 de laatste zin uit het voorschrift te verwijderen. In deze zin staat aangegeven dat maatregelen passende bij de saneringsinspanning moeten worden genomen voordat de nieuwe ZZS stof in gebruik wordt genomen. SNB geeft aan dat het niet altijd mogelijk is om deze maatregelen van te voren te treffen. In voorkomende gevallen kan een maatregel pas na enige/geruime tijd worden getroffen.
Het zoveel mogelijk voorkomen van het vrijkomen van ZZS stoffen is prioriteit. Bij voorkeur moeten maatregelen van te voren genomen. Wij kunnen voorstellen dat er omstandigheden zijn dat dit niet mogelijk is. Wij gaan dan ook akkoord met het verwijderen van deze zin. Als vervanging voegen we aan het voorschrift wel een voorwaarde toe dat een planning moet worden overgelegd waarin staat wanneer de maatregelen worden getroffen.
Op 2 augustus 2023 is door ILT een zienswijze ingediend op de ontwerpbeschikking. Samengevat gaat het om de volgende zienswijzen:
Het ontwerpbesluit houdt onvoldoende rekening met BBT-34 uit de BREF Afvalverbranding (2019). Het gaat om de volgende zaken:
Reactie op zienswijze 19a:
Het bedrijfsafvalwater bestaat uit 20.000 m3/jaar afvalwater van de rookgasreiniging (condensaat indampinstallatie). Het overige bedrijfsafvalwater bestaat uit 240.000 m3/jaar. De afzonderlijke afvalwaterstromen zijn in voorschrift 4.2.1 verder uitgewerkt. Dit betekent een verdunning met een factor 12 voor het afvalwater van de rookgasreiniging. Indien de vergunde concentraties uit voorschrift 4.4.3 worden doorberekend naar een gehalte in het afvalwater van de rookgasreiniging en er vanuit wordt gegaan dat er geen verontreinigingen in het overige afvalwater aanwezig zijn, worden de BBT-34 geassocieerde emissie grenswaarden overschreden. Edoch is bij de vergunningverlening onderstaande beredenering gevolgd.
De afvalwaterzuivering bij SNB is dusdanig uitgelegd dat het afvalwater van de rookgasreiniging wordt behandeld in de indampinstallatie, waarna het effluent hiervan (20.000 m3/jaar) gezamenlijk met het droogdampconcentraat (195.000 m3/jaar) verder wordt gezuiverd met een DAF, neutralisatie en strippers. Het effluent hiervan wordt gezamenlijk met de overige afvalwaterstromen gezuiverd in de biologische afvalwaterzuivering, alvorens het geloosd wordt op de vuilwaterriolering. Gelet op deze situatie is note 2 van tabel 10 met de BBT-GEN's voor indirecte emissie naar een ontvangend waterlichaam van toepassing: De BBT-GEN's zijn mogelijk niet van toepassing indien de stroomafwaartse afvalwaterzuiveringsinstallatie passend is opgezet en uitgerust om de desbetreffende verontreinigende stoffen te reduceren, op voorwaarde dat dit niet tot een hoger niveau van verontreiniging van het milieu leidt.
De vergunde lozingsnormen voor lozingspunt 1 van het gezuiverde bedrijfsafvalwater voldoen ruimschoots aan de BBT-GEN's voor de indirecte emissie naar een ontvangend waterlichaam.
Bijkomend voordeel van deze benadering is dat er geen overbodige meetpunten, metingen en administratie plaats hoeft te vinden.
Voor een nadere uitwerking en beoordeling van het afvalwater van de rookgasreiniging wordt in de vergunning een onderzoeksverplichting opgenomen naar de verontreiniging van dit afvalwater. Met deze gegevens zal worden nagegaan of het afvalwater van de rookgasreiniging direct voldoet aan de emissiegrenswaarden uit de BBT-conclusie Afvalverbranding of toch uitgegaan wordt van bovenstaande redenering.
19b: Op basis van de analyseresultaten wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan BBT ten aanzien van de zuiveringstechnieken. Dioxinen worden niet teruggevonden in het gezuiverde bedrijfsafvalwater. Kwik en opgeloste metalen zijn in het gezuiverde bedrijfsafvalwater aanwezig in concentraties die ruimschoots voldoen aan de BBTGEN's voor de indirecte emissie naar een ontvangend waterlichaam.
Mogelijk dat er verwarring is over het voldoen aan BBT-GEN's versus het voldoen aan de minimalisatieverplichting voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Het voldoen aan de BBT-GEN's betekent dat voldoende maatregelen zijn getroffen op basis van de stand der techniek om een haalbaar laag emissieniveau te behalen. De minimalisatieverplichting voor ZZS is verdergaand met het streven naar een nulemissie, waarbij periodiek nagegaan dient te worden of verdere sanering mogelijk is.
Zienswijze 19 wordt deel gegrond verklaard. Voorschriften 4.18.1 en 4.18.2 worden toegevoegd aan deze vergunning.
Het ontwerpbesluit geeft onvoldoende invulling aan de ZZS-minimalisatieplicht die geldt voor lozingen.
Reactie op zienswijze: Zienswijze 20a Deze zienswijze is reeds onder 19b toegelicht. Zienswijze 20b Indien overduidelijk is dat een immissietoets slaagt (ofwel de restlozing toelaatbaar is), waarbij de verdunning op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) wordt meegenomen in de beoordeling, wordt een dergelijke toets niet uitgevoerd of verzocht op te nemen in de aanvraag. De verdunning via de betreffende rwzi Bath betreft een factor 142. Bij de uitvoering van het vermijdings- en reductieplan (V&R) zullen de immissietoetsen voor de duidelijkheid en volledigheid uitgevoerd dienen te worden. Zienswijze 20c Na heroverweging is de termijn voor het uitvoeren van het V&R (5 jaar na inwerkingtreding van deze vergunning) te ruim gesteld. Wij zullen voorschriften 4.10.1 en 4.10.2 dan ook aanpassen naar een termijn van 1 jaar en vervolgens een actualisatieplicht na iedere 5 jaar. Daarnaast zal de verplichting tot het uitvoeren van immissietoetsen worden toegevoegd.
Zienswijze 20d ILT geeft terecht aan dat arseen ten onrechte niet is opgenomen. Dit is aangepast in het definitieve besluit. Voor dioxine is op basis van de representatieve meetgegevens een lozingseis opgenomen zijnde niet aantoonbaar. Uitwerking van verdere sanering voor dioxine is derhalve niet van toepassing. Samengevat worden zienswijzen 20a en 20b ongegrond verklaard. Zienswijze 20c
wordt gegrond verklaard en zienswijze 20d wordt deels gegrond verklaard. Zienswijzen 20c en 20d leiden tot het aanpassen van de betreffende voorschriften.
ILT geeft aan dat de grenswaarden voor de emissies naar lucht niet in lijn zijn met de afspraken die zijn gemaakt in het Schone Lucht Akkoord (SLA).
Samengevat stelt ILT dat onvoldoende borging is dat aan BBT wordt voldaan en dat de afspraken, gemaakt in het kader van het SLA, niet worden nageleefd.
21a: het is correct dat de provincie Noord-Brabant deelneemt aan het SLA en zich ook heeft gecommitteerd aan zo laag mogelijk vergunnen. Echter dienen wij ook rekening te houden met de mogelijkheden tot zo laag mogelijk vergunnen. Het zonder meer opleggen van de normen die gelden voor 30% van de schoonste installaties van Europa, zal in het geval van SNB leiden tot normen waar SNB niet aan kan voldoen. Uit jurisprudentie is al gebleken dat wij geen voorschriften mogen opleggen die vergunde activiteiten onmogelijk maken en dus een feitelijke en verkapte weigering zijn. Daarom hebben we voor bepaalde stoffen daggemiddelde emissie-eisen opgenomen die aan de bovengrens van de BBT-range liggen, maar dus nog steeds zijn aan te merken als BBT. Wel hebben we om de totale emissieruimte te beperken, aanvullend op de (dag) gemiddelde normen voor een aantal componenten ook nog jaargemiddelde normen opgenomen. Deze zijn voor alle desbetreffende componenten (met uitzondering van ammoniak) behoorlijk strenger dan de (dag) gemiddelde normen en zijn in het kader van de afspraken uit het SLA opgelegd. 21b: Conform het BBT document afvalverbranding (12 november 2019) is de lage range van de BBT-GEN voor NH3 enkel mogelijk met een SCR. SNB past een SNCR (BAT 29,c) toe waardoor er afgeleid kan worden dat enkel de hoge range voor NH3 haalbaar is. In bijlage 10b van de vergunningaanvraag is aangegeven dat met nieuwe, verbeterde rookgaswassers naar waarschijnlijkheid een hoger verwijderingsrendement voor ammoniak kan worden behaald maar dat de investeringen dermate hoog zijn dat de kosten hiervoor als niet effectief worden beschouwd. Ondanks dat de kosten niet effectief zijn heeft SNB besloten vier nieuwe, verbeterde rookgaswassers te plaatsen. Het hogere verwijderingsrendement moet worden behaald door de eerste/zure wasser die op het ogenblik bestaat uit sproeiers te vervangen door een gepakte kolom waarbij meer waswater per volume rookgas wordt gecirculeerd. Hiermee wordt een beter contact tussen de rookgassen en het waswater gerealiseerd hetgeen moet leiden tot het hogere verwijderingsrendement. Hoewel dus een verbetering van de emissies wordt verwacht (door de leverancier en SNB) is het volgens het BAT document niet mogelijk om de lagere range van de BTT range voor NH3 te realiseren. Het BTT document vormt de basis voor de vergunning en daarom is het dan ook voorbarig om strengere eisen op te leggen voordat er ervaring is opgedaan met de nieuwe wasser. Wij hebben ervoor gekozen om voor dit moment nog dezelfde emissiegrenswaarden (bovenrange van BTT) op te nemen voor NH3 als die voor de huidige installatie gelden. Tevens wordt er een onderzoeksverplichting opgenomen waaruit moet blijven welke reductie SNB kan bereiken met de nieuwe gaswassers. Op basis van dit onderzoek kunnen wij beoordelen in hoeverre de normering naar beneden kan worden bijgesteld. Wij willen ervoor waken om nu op voorhand een norm op te leggen waarvan later blijkt dat deze te ruim is dan wel nooit door SNB aan kan worden voldaan. Wij passen voorschrift 10.1.2 aan zodat deze intentie ook duidelijker is omschreven dan nu het geval is. 21c: Met betrekking tot een mogelijk onjuiste dimensionering wordt door SNB in bijlage 10b bij de aanvraag aangegeven dat de stikstofbelasting in de laatste jaren sterk is toegenomen door wijzigingen van de kwaliteit van het zuiveringsslib. De stikstofluchtemissies zijn daarentegen in de loop van de jaren niet gestegen waaruit wij concluderen dat de luchtzuiveringstechnieken nog steeds juist zijn gedimensioneerd ondanks de hogere stikstofbelasting die de installatie te verwerken krijgt. Zienswijze 21 wordt hiermee gedeeltelijk gegrond verklaard.
Het ontwerpbesluit houdt geen rekening met de mogelijke aanwezigheid van Lindaan in het slib dat SNB verwerkt. De algemene inventarisatie die SGS Intron in opdracht van Rijkswaterstaat in 2019 heeft verricht naar ZZS in afvalstoffen maakt notie van de mogelijke aanwezigheid van lindaan (y-HCH) in waterzuiveringsslib. Daarom zou ofwel in het AV en AO/IC van SNB of in het ontwerpbesluit onderbouwd moeten zijn dat de aanwezigheid van lindaan uitgesloten kan worden dan wel een acceptatiecriterium (in combinatie met een bemonsterings- en analysemethode) opgenomen moeten zijn voor deze component. Echter zowel het AV en AO/IC als het ontwerpbesluit gaat niet in op lindaan. ILT verzoekt om een voorschrift op te nemen waarin de inname van zuiveringsslib met een y-HCH gehalte dat hoger is dan 50 mg/kg wordt verboden en regels te stellen voor de bemonstering en analyse van zuiveringsslib op y-HCH.
Reactie op zienswijze: Lindaan is een stof die vooral wordt gebruikt als insecticide. Lindaan is zeer toxisch voor waterorganismen, wordt langzaam afgebroken en accumuleert in de voedselketen. In Nederland was lindaan terug te vinden in geneesmiddelen tegen huidparasieten, zoals hoofdluis en schurft. In Nederland geldt vanaf 1991 een verbod op het gebruik van lindaan. Uiteindelijk is sinds 2009 via het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigde stoffen een totaal verbod ingevoerd op het gebruik hiervan. In 2019 is er door, bij SNB aandeelhoudende, waterschappen onderzoek gedaan waarbij ook gekeken is naar lindaan in het zuiveringsslib van 8 verschillende RWZI's. De resultaten van deze analyses tonen alle concentraties aan die lager zijn dan de detectiegrens, variërend van 1 tot 10 ug/kg. Het geanalyseerde zuiveringsslib bevatte dus minder dan 0,002-0,02% van het door ILT voorgestelde acceptatiecriterium voor lindaan. Hiermee is voldoende aangetoond dat de aanwezigheid van lindaan in zuiveringsslib kan worden uitgesloten. SNB heeft vergunning aangevraagd om naast slib van communale rwzi's ook slib van dergelijke (industriële) awzi's te mogen verwerken. Mogelijk zou daarin lindaan aanwezig kunnen zijn. Wij leggen dan ook een verbod op voor de verwerking van nieuwe afvalstromen met te hoge lindaanconcentraties. De kans dat deze stof nog teruggevonden kan worden, in de reguliere afvalstroom achten wij gering gezien het feit dat particulier gebruik van deze stof al geruime tijd verboden is. De zienswijze wordt hiermee gedeeltelijke gegrond verklaard. Zienswijze 23 Het ontwerpbesluit houdt onvoldoende rekening met BBT-1 uit de BREF Afvalverbranding (2019). BBT-1 stelt eisen aan het milieubeheerssysteem maar het ontwerpbesluit heeft deze eisen niet overgenomen in voorschriften. Er zijn überhaupt geen voorschriften gesteld m.b.t. het milieubeheerssysteem. Aangezien de BBT-toets (bijlage 10 van de aanvraag) wel aan de vergunning is verbonden, is SNB gehouden aan de in die toets opgegeven invulling van BBT-1. Die invulling betreft slechts een verwijzing naar de certificering tegen ISO 14001. Zoals in eerdere adviezen ook al is opgemerkt, betekent een ISO 14001 certificaat niet automatisch dat wordt voldaan aan de eisen die zijn gesteld in BBT-1. Dat is immers geen beleidsuitgangspunt noch zijn hier op rijksniveau afspraken over gemaakt. Een ISO 14001 certificaat is onvoldoende om naleving van BBT-1 te borgen. Reactie op Zienswijze In de BBT-1 conclusie staat aangegeven aan welke eisen een milieubeheerssysteem moet voldoen. ILT stelt dat dit voorschrift verder gaat dan zaken die normaal gesproken opgenomen zijn in een ISO 14001 milieuzorgsysteem. Het ISO 14001 systeem is een internationaal geaccepteerde standaard met eisen voor een milieumanagementsysteem. Het doel van deze norm is om de milieurisico's van de bedrijfsvoering te beheersen en indien mogelijk te verminderen. De eisen bij ISO 14001 zijn gerubriceerd in vijf onderdelen: · Milieubeleid. · Planning (inclusief milieu risicoanalyse en milieuplan).
Controle of wordt voldaan aan de ISO 14001 vindt plaats via een externe onafhankelijke partij.
Het grootste deel van de BBT-1 onderdelen is geborgd via het ISO 14001 systeem. Wij vinden het niet noodzakelijk om deze onderdelen nogmaals via deze vergunning te borgen. Daarnaast zijn nog aanvullend voorschriften in deze vergunning opgenomen zoals de verplichting tot het hebben van een registratiesysteem voor bijvoorbeeld onderhoud en aan- en afvoer van afvalstoffen, rapportage verplichting voor de lozing van afvalwater, het uitvoeren van periodieke luchtmetingen en voorschriften m.b.t. het hebben van een OTNOC managementplan. Momenteel is er discussie omtrent het wel/niet opnemen van aanvullende voorschriften m.b.t. de BBT-1 conclusie. De op dit moment beschikbare jurisprudentie geeft aan dat het hebben van een ISO 14001 systeem voldoende is. Echter is dit onderwerp nog volop in ontwikkeling. Wij hebben er daarom voor gekozen om op dit moment nog geen aanvullende voorschriften op te nemen. Mocht uit toekomstige jurisprudentie / afspraken met ILT blijken dat we aanvullende voorschriften hadden moeten opnemen, zullen wij deze op een later moment alsnog ambtshalve opleggen. Hiermee is de zienswijze van ILT ongegrond verklaard.
Ten opzichte van de ontwerpvergunning zijn de volgende wijzigingen aangebracht: De volgende voorschriften zijn gewijzigd:
Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er enkele teksten met betrekking tot het overgangsrecht Wabo aan de definitieve beschikking toegevoegd. Daarnaast zijn de bedrijfsactiviteiten met verwijzing naar de paragrafen uit het Activiteitenbesluit omgeschreven naar de correcte van toepassing zijnde paragrafen uit het Bal en het omgevingsplan van de gemeente Moerdijk.
De aanvraag heeft betrekking op het veranderen (revisie) van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid aanhef en onder e van de Wabo.
Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij conform artikel 2.14, eerste lid onder a, b en c van de Wabo:
In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.
In het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) waren voor een groot aantal activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen. Met het in werking treden van de Omgevingswet is ook het Activiteitenbesluit komen te vervallen. Per 1 januari 2024 kunnen van rechtswege algemene regels op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving en het omgevingsplan van toepassing zijn.
Binnen de inrichting vinden in ieder geval de volgende activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het Besluit activiteiten leefomgeving en het omgevingsplan van de gemeente Moerdijk:
Van belang voor deze vergunning is of de inrichting, ook voor de activiteiten die onder het Besluit activiteiten leefomgeving en/of het omgevingsplan vallen, voldoet aan de best beschikbare technieken. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
De aanvraag is ten aanzien van de activiteiten die ten tijde van de aanvraag onder het Activiteitenbesluit vielen aangemerkt als een melding.
In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast.
Bij het opstellen van de omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met de BBT-conclusies. De Europese Commissie stelt de BBT-conclusies op en maakt deze bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13 lid 5 en 7 van de Richtlijn industriële emissies (Rie).
Het verschil tussen artikel 13 lid 5 en lid 7 van de Rie is:
Binnen de inrichting worden één of meer van de activiteiten uit bijlage I van de Rie uitgevoerd en wel IPPC categorie 5.2, namelijk:
De verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:
Uit jurisprudentie met betrekking tot het bepalen van BBT bij het toetsen aan BBTconclusies bij vergunningverlening is gebleken dat het bevoegd gezag bij het toetsen aan BBT-conclusies de actualiteit hiervan moet nagaan ten aanzien van de ontwikkelingen van BBT die sinds het vaststellen van de BBT-conclusies hebben plaatsgevonden. Bronnen voor ontwikkelingen ten aanzien van BBT zijn onder andere de concepten van herziene BREF's.
Er moet worden voldaan aan de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit en aan andere relevante BBT-conclusies.
Op grond van artikel 9.2 van de Mor moet voor het bepalen van BBT binnen de inrichting aanvullend een toetsing plaatsvinden aan relevante aangewezen informatiedocumenten over BBT.
Bij het bepalen van de BBT hebben we rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde BBT-conclusies en BREF's:
Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, zoals aangewezen in de bijlage van de Mor:
De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.
Bij de aanvraag is een BBT toets gevoegd. Wij zijn van oordeel dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. Het toetsdocument waarin staat hoe invulling is gegeven aan de BBT laten wij daarom onderdeel uit maken van deze omgevingsvergunning.
Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. De uitwerking van preventie-activiteiten vindt voornamelijk plaats via het programma Van Afval Naar Grondstof (VANG) en is inmiddels voortgezet in de vorm van het Rijks brede programma Circulaire Economie.
Op grond van artikel 5.4 (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 5.7 van het Bor kan het bevoegd gezag voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.
In alle bedrijfsprocessen kunnen mogelijkheden bestaan om het ontstaan van afvalstoffen en het - directe of indirecte - gebruik van grondstoffen terug te dringen of de bestaande grondstoffen te vervangen door duurzame alternatieven. Zowel het beperken van de hoeveelheid afvalstoffen als het terugdringen van de hoeveelheid grondstoffen levert direct een financiële besparing op.
Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval moet worden voorkomen of beperkt.
Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalstoffen:
SNB verbrandt slib waarbij vliegas en bedzand vrijkomen. Deze afvalstromen zijn onvermijdbaar bij een verbrandingsproces. Alle overige afvalstoffen komen maar in beperkte hoeveelheid voor. Hierdoor vinden wij dat preventie niet relevant is. Wij hebben daarom in deze vergunning verder geen aandacht besteed aan de preventie van afvalstoffen.
In de Kamerbrief "Stand van zaken uitwerking CMP1" van 24 juni 2022 is aangekondigd dat de opvolger van het LAP, het Circulair Materialenplan (CMP1), meer informatie zal bevatten over grondstofgebruik en het voorkomen dat een materiaal of product te snel afval wordt en dat het CMP1 meer handvatten zal bieden voor vergunningverleners om die kaders daadwerkelijk toe te passen bij vergunningverlening.
Op grond van artikel 8.10 Bkl (vaststelling van de beste beschikbare technieken) en artikel 8.29 Bkl kan het bevoegd gezag, in het kader van actualisering, voorschriften in omgevingsvergunningen opnemen om invulling te geven aan dit aspect.
In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B.3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Voor bedrijfsafval is het niet goed mogelijk een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen. Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd.
Voor een aantal afvalstoffen die diffuus of in kleine hoeveelheden ontstaan is in het LAP (paragraaf B.3.5.2) een tabel opgenomen waarin een indicatie wordt gegeven wanneer het redelijk is afvalscheiding te vergen.
Daarnaast zijn in bijlage 11 van de Activiteitenregeling verschillende categorieën van gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden.
In bijlage II van het Bal zijn de verschillende categorieën van gevaarlijke en niet gevaarlijke afvalstoffen vastgelegd welke niet met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet afvalstoffen mogen worden gemengd. Deze categorieën moeten dus gescheiden gehouden worden. Als deze afvalstoffen wel worden gemengd voorafgaand aan de inzameling of afgifte, is daarvoor een omgevingsvergunning op grond van art. 3.40 van het Bal vereist. Ook het mengen binnen een afvalcategorie is in een groot aantal gevallen vergunningplichtig.
Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017 2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen:
De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke verwerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. In een aantal sectorplannen is vermeld dat het opnemen van sturingsvoorschriften dan noodzakelijk is.
Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals opgenomen in artikel 8.29 lid 1 onder b Bkl. In dat kader houden wij rekening met het geldende afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2017 2029, hierna aangeduid als het LAP) waaronder begrepen de sectorplannen, deel A.4 (Algemene uitgangspunten en algemeen beleid), deel B (het beleid voor afvalbeheer en overbrenging, waaronder het moratorium op storten en het ZZS-beleid) en deel D2 (minimumstandaard).
Voor de onderhavige aanvraag is sectorplan 16 waterzuiveringsslib uit deel E van het LAP van toepassing.
In de aanvraag is voor de verwerking van waterzuiveringsslib de volgende verwerkingsmethode beschreven: het verbranden en zoveel mogelijk nuttig toepassen van de vrijgekomen reststoffen.
Het beleid voor waterzuiveringsslib is neergelegd in sectorplan 16 en is gericht op het thermisch verwerken. In het sectorplan 16 is daartoe een minimumstandaard opgenomen. Voor waterzuiveringsslib is deze minimumstandaard het thermisch verwerken, al dan niet voordrogen, leidend tot oxidatie van het organisch materiaal.
De in de aanvraag voor verwerking van waterzuiveringsslib beschreven verwerkingsmethode voldoet aan de minimumstandaard.
Het acceptatie- en verwerkingsbeleid (A&V-beleid) en de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) spelen een rol bij het veilig stellen van een effectief en efficiënt beheer van afvalstoffen, respectievelijk het mogelijk maken van effectief toezicht op het afvalbeheer.
Om de risico's van het verwerkingsproces te beheersen, moet een bedrijf dat zich met afvalbeheer bezighoudt beschrijven welke afvalstoffen worden geaccepteerd en waar nodig, welke afvalstoffen juist niet worden geaccepteerd (acceptatiebeleid) en welke afvalstoffen op welke manier binnen het bedrijf worden verwerkt (verwerkingsbeleid). Daarnaast moeten door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een bedrijf beheerst worden. Op deze wijze worden de milieuhygiënische en informatietechnische risico's binnen de bedrijfsvoering geminimaliseerd. De omvang en de inhoud van de AO/IC is afhankelijk van de aard van de risico's van het betreffende bedrijfsproces. De onderdelen die minimaal in het A&V-beleid en AO/IC moeten zijn beschreven, zijn vastgelegd in het LAP.
De minimale elementen voor het A&V-beleid en AO/IC vormen een kader en bevatten criteria op hoofdlijnen, waaraan de aanvraag inhoudelijk wordt getoetst. Bij de aanvraag is het AV/AO-IC document toegevoegd. Deze is getoetst en akkoord bevonden.
Bedrijven moeten in het A&V-beleid ook uitwerken of en zo ja, welke afvalstoffen geaccepteerd worden die zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) kunnen bevatten. In het A&V-beleid moet worden uitgewerkt op welke wijze wordt beoordeeld of ZZS kunnen voorkomen in de afvalstoffen die geaccepteerd worden. Indien ZZS kunnen voorkomen, moet beschreven worden hoe de betreffende afvalstoffen worden verwerkt en hoe gewaarborgd is dat onaanvaardbare risico's voor blootstelling van mens en milieu veroorzaakt door ZZS, worden voorkomen.
SNB heeft bij deze aanvraag de meest recente versie van het AV-beleid en AO/IC ingediend. Deze is als onderdeel aan deze aanvraag gekoppeld. Wij hebben de rapportage beoordeeld en wij gaan akkoord met de inhoud ervan.
Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.
Het is aan het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning om in geval van voorgenomen wijzigingen het een en ander af te stemmen: indien meldingen etc. worden ingediend, moet voordat instemming wordt gegeven, afstemming plaatsvinden tussen de bevoegde gezagen voor de milieubelastende activiteit en de lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam op grond van artikel 5.7, vierde lid, van de Ow. Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.
Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.
De aangevraagde activiteiten hebben tevens betrekking op een indirecte lozing van afvalwater maar zijn niet Waterwet vergunningplichtig. Dit houdt in dat in de Wabobeschikking naast voorschriften ter bescherming van de doelmatige werking van het gemeentelijk riool en het verwijderen van slib uit dit riool, tevens voorschriften ter bescherming van de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie Bath van waterschap Brabantse Delta en de kwaliteit van het oppervlaktewater waarop deze loost, opgenomen dienen te worden.
Gelet op de activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd valt het bedrijf onder de type C bedrijven van het Activiteitenbesluit milieubeheer (verder Activiteitenbesluit). Het betreft een inrichting die onder de Europese Richtlijn Industriële Emissies 2010/75/EU, alsmede onder de E-PRTR verordening valt.
Het op het schoonwaterdeel van de gemeentelijke verbeterd gescheiden riolering te lozen afvalwater bestaat uit mogelijk verontreinigd hemelwater afkomstig van wegen en de parkeerplaats.
Het op de gemeentelijke vuilwaterriolering te lozen afvalwater bestaat uit:
Voor een schematische weergave van de lozingssituatie wordt verwezen naar bijlage 5 (par. 5.7) en bijlage 21a (figuur 1) van de aanvraag.
Voor het aspect afvalwater waren algemene regels opgenomen in het Activiteitenbesluit.
Zoals eerder overwogen is het Activiteitenbesluit met het in werking treden van de Omgevingswet komen te vervallen. Het Activiteitenbesluit regelde niet voor alle activiteiten binnen de inrichting het aspect afvalwater. Voor een deel van de afvalwaterstromen zou dit aspect in deze vergunning geregeld worden.
Nu zijn algemene regels opgenomen in het Bal en in het omgevingsplan van de gemeente Moerdijk. Deze algemene regels zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Hierna wordt beoordeeld of alle afvalwaterstromen binnen de inrichting worden geregeld door de algemene regels en of er, in het kader van de voorkeursvolgorde voor afvalwater (artikel 10.29a van de Wm) en/of de verplichting dat de BBT aanwezig moeten zijn, aanleiding is om aanvullende voorwaarden te stellen. Indien aanvullende voorwaarden noodzakelijk zijn zullen wij op grond van artikel 2.22 van de Wabo voorschriften opnemen in deze vergunning.
Daarnaast wijzen wij erop dat sommige bepalingen uit het Activiteitenbesluit alleen van toepassing waren onder bepaalde voorwaarden of niet golden in bepaalde uitzonderingssituaties. Indien die bepalingen zonder de uitzonderingen of voorwaarden terugkomen in het Bal, dan hoeft degene die de activiteit verricht tot 1 januari 2026 (2 jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet) niet aan de nieuwe bepaling te voldoen (artikel 8.1.6 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet). Die tijd kan gebruikt worden om alsnog te voldoen dan wel een maatwerkvoorschrift aan te vragen.
De lozing van het mogelijk verontreinigd hemelwater afkomstig van wegen en de parkeerplaats op het schoonwaterdeel van de gemeentelijke verbeterd gescheiden riolering valt niet onder het Besluit activiteiten leefomgeving. Gelet hierop worden hieraan eisen gesteld in de vergunning.
De lozingen van het huishoudelijk afvalwater, condensaat van de indampinstallatie afkomstig van de rookgasreiniging, ketelspuiwater en het hemelwater van de biodieseltankinstallatie vallen onder het Besluit activiteiten leefomgeving. Aangezien dit afvalwater gecombineerd gezuiverd en geloosd wordt met het overige bedrijfsafvalwater wordt deze samengestelde lozing opgenomen in de vergunning.
Het bedrijfsafvalwater bestaat hoofdzakelijk uit droogdampcondensaat afkomstig van het drogen van het te verbranden slib. Daarnaast maakt het condensaat van de indampinstallatie en kleinere deelstromen, zoals genoemd in paragraaf 5.2.2 onder a, onderdeel uit van het bedrijfsafvalwater. Dit afvalwater wordt fysisch/chemisch voorbehandeld in een Dissolved Air Flotation unit (DAF) voor de verwijdering van olieen vetachtige organische verbindingen. Daarna wordt het afvalwater gestript om de bulk aan ammonium te verwijderen. Een deel van de afgescheiden ammoniak houdende oplossing wordt in de verbrandingsovens gebruikt. Het gestripte afvalwater wordt vervolgens na pH-correctie en buffering behandeld in de biologische afvalwaterzuivering, bestaande uit twee SBR reactoren (Sequencing Batch reactor). Hier wordt het resterende ammonium grotendeels omgezet tot stikstofgas, waarbij CZV wordt verbruikt en omgezet in CO2 en water. Door adsorbtie aan het slib vindt er verwijdering plaats van milieubezwaarlijke stoffen, waaronder EOX, PAK en zware metalen. Het gezuiverde afvalwater wordt via een eflluentbuffer en meetinrichting via de vuilwaterriolering en de afvalwaterpersleiding (awp) geloosd op de rwzi Bath. De afvalwaterzuivering wordt gezien als afdoende invulling van best beschikbare techniek (BBT).
Het bedrijf heeft installaties voor industriële activiteiten die vallen onder categorie 5.2 uit bijlage I van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE). Dit houdt voor de omgevingsvergunning in dat specifieke emissiegrenswaarden dienen te worden opgenomen. De emissiegrenswaarden dienen gebaseerd te zijn op de beste beschikbare technieken (aangeduid als BAT of BBT in de RIE).
Ter harmonisering en structurering van BAT's die in de EU zullen worden gebruikt bij de vergunningverlening, is op Europees niveau besloten zogenaamde BBT conclusies en BBT-referentiedocumenten (BREF's) te maken voor de bedrijven die vallen onder de RIE.
Overeenkomstig artikel 9.2 van de 'Regeling Omgevingsrecht' dienen wij bij de bepaling van BAT rekening te houden met de relevante BBT-conclusies / BREF's en de Nederlandse informatiedocumenten over beste beschikbare technieken uit de bijlage.
Gelet op de regeling zijn, voor bedrijven welke vallen onder categorie 5.2 in bijlage I van de RIE, de BBT-conclusies Afvalverbranding het belangrijkst. Relevant zijn ook de BREF Koelsystemen, de BREF Op- en overslag en de BREF Energie-efficiëntie.
Van de Nederlandse informatiedocumenten over BAT zijn de volgende documenten bij de vergunningverlening betrokken:
Het bedrijf heeft zijn activiteiten ten aanzien van het afvalwater getoetst aan de BBTconclusies Afvalverbranding 2019. Er wordt aan de relevante BBT's voldaan of gemotiveerd afgeweken.
Van BAT 6 van de BBT-conclusies Afvalverbranding wordt gemotiveerd afgeweken. In plaats van de opgenomen monitoring van het afvalwater van de rookgasreiniging wordt het gezuiverde bedrijfsafvalwater, waar het afvalwater van de rookgasreiniging (het condensaat van de indampinstallatie) onderdeel van uitmaakt, gemonitord.
In BAT 34 van de BBT-conclusie Afvalverbranding zijn BAT geassocieerde emissie grenswaarden opgenomen voor het afvalwater van de rookgasreiniging. De emissie grenswaarden voor de emissies van stoffen gelden normaliter op het punt waar de emissies de installatie verlaten. Aangezien dit afvalwater onderdeel uitmaakt van het bedrijfsafvalwater, dat gezamenlijk gezuiverd wordt, is het bedrijfsafvalwater getoetst aan de emissiegrenswaarden. Hieraan wordt voldaan.
Het influent van de indampinstallatie bestaat uit spui van de gaswassers van de rookgasreiniging. Voor het effluent van de indampinstallatie, het condensaat, zijn in artikel 4.68 van het Bal eisen opgenomen. Uit artikel 8.26, lid 4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) blijkt dat, wanneer het bij de reiniging van afgassen ontstane afvalwater buiten de verbrandingsinstallatie wordt gezuiverd in een zuiveringsinstallatie, bij het bepalen van de emissiegrenswaarden rekening mag worden gehouden met het effect van die zuiveringsinstallatie, als daarvan geen nadeligere gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Op basis hiervan is het bedrijfsafvalwater, waarvan het condensaat onderdeel uitmaakt, getoetst aan de eisen uit artikel 4.86 van het Bal. Hieraan wordt voldaan, met uitzondering van antimoon, cobalt, mangaan, vanadium en tin door gebrek aan emissiegegevens van deze parameters. Gelet hierop wordt een onderzoeksverplichting opgenomen in deze vergunning naar de aanwezigheid en mate van deze parameters.
In de vigerende Wabo vergunning is een onderzoeksverplichting opgenomen voor het in kaart brengen van de werkelijke emissie(-reductie) van de verontreinigingen in het afvalwater met de in paragraaf 5.4 beschreven afvalwaterzuivering, die aan BBT voldoet. Voorwaarde hierbij is een stabiel werkende zuiveringsinstallatie. De periode van 2018 - 2021 is hiervoor representatief. De periode 2016 - 2021 is specifiek representatief voor de emissies van zware metalen. Gelet hierop zijn de meetgegevens van het afvalwater in deze periodes de basis voor de aangevraagde lozingseisen.
Het bedrijf gaat bij de aangevraagde lozingseisen uit van het gemiddelde + 4 maal de standaardafwijking van de representatieve meetreeks. Dit is in tegenspraak met het CIW rapport lozingseisen Wvo-vergunningen uit 2005, waarbij uitgegaan wordt van het gemiddelde + 3 maal de standaardafwijking voor meetreeksen met een beperkte meetfrequentie, waarvoor een overschrijdingskans van 1 op 100 van toepassing is. Gelet hierop worden de aangevraagde lozingseisen voor EOX, PAK, arseen, chroom, koper, lood, nikkel en zilver niet toegestaan, maar wordt het gemiddelde + 3 maal de standaardafwijking opgenomen in de vergunning.
Uit de analysegegevens in de periode 2016 - 2021 blijkt dat cadmium en thallium consequent niet gemeten wordt boven de aantoonbaarheidsgrens. Gelet hierop wordt voor beide parameters een lozingseis opgenomen van 'niet aantoonbaar boven de aantoonbaarheidsgrens'.
Uit de analysegegevens in de periode 2018 - 2021 blijkt dat VOX consequent niet gemeten wordt boven de aantoonbaarheidsgrens, behoudens 1 meetwaarde, welke als niet representatief wordt gezien. Gelet hierop wordt voor VOX een lozingseis opgenomen van 'niet aantoonbaar boven de aantoonbaarheidsgrens'.
Voor bedrijfsmatige activiteiten die onder de vergunningsplicht vallen en waarvan de milieurelevantie beperkt is, worden conform de "Nota WVO Vergunningenbeleid' van het waterschap bij de emissieaanpak zogenaamde drempelwaarden als toetsingskader gehanteerd.
Het beleid is er op gericht om de lozing boven de drempelwaarden zoveel mogelijk te beperken en verdergaand terug te dringen. De reducties aan de in de nota opgenomen ABM Z (ZZS stoffen) en A stoffen (voorheen zwarte lijststoffen) moeten gehaald worden met toepassing van de best bestaande technieken (BBT), de overige stoffen via toepassing van de best uitvoerbare technieken (but).
De jaarvrachten van de in de nota opgenomen ABM Z en A stoffen en jaarvrachten op of boven deze drempelwaarden worden in vergunningen expliciet vastgelegd.
De aangevraagde parameters die invloed kunnen hebben op de zuiveringstechnische voorzieningen van waterschap Brabantse Delta zijn getoetst aan het 'Beleid doelmatige werking zuiveringstechnische werken Aa en maas, Brabantse Delta en De Dommel' van 2 september 2013, met lozingsgevens van het bedrijf en gegevens van waterschap Brabantse Delta. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de toetsingswaarden. Gelet op de relevantie worden voor de 'doelmatigheids-parameters' CZV, N-Kj, nitraat, nitriet, afvoerhoeveelheid, vervuilingswaarde, chloride, sulfaat, calcium, magnesium en de zuurgraad lozingseisen opgenomen, alsmede eisen voor de monitoring.
Voor een goede uitvoering van het waterkwaliteitsbeleid is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mate waarin de te lozen grond-, hulpstoffen, tussen- en eindproducten een potentieel gevaar vormen voor het aquatisch milieu. Hiervoor is de Algemene Beoordelingsmethodiek (ABM 2016) vastgesteld en in de Regeling omgevingsrecht aangewezen als BBT-informatiedocument waarmee het bevoegd gezag rekening dient te houden bij het verlenen van vergunningen.
De ABM kent voor alle bedrijfstakken op een transparante en eenduidige wijze aan de in het afvalwater te brengen stoffen en mengsels een bepaalde waterbezwaarlijkheidscategorie toe. Daarbij geeft de methodiek aan welke saneringsinspanning (emissiebeperkende maatregel) bij een bepaalde waterbezwaarlijkheid (Z, A, B of C) hoort.
De ABM is een hulpmiddel bij het vaststellen van de vereiste saneringsinspanning en gaat niet in op het beoordelen van de restlozing.
Stoffen en mengsels die vallen onder waterbezwaarlijkheid Z of A welke niet zijn aangevraagd of niet zijn opgenomen in de vergunning en aldus niet zijn ingedeeld met de ABM en op basis daarvan niet bekend is of aan de vereiste saneringsinspanning wordt voldaan, mogen niet worden geloosd.
Voor de lozing van zeer zorgwekkende stoffen (Z-stoffen): arseen, kwik, lood, nikkel, EOX, PAK en Microfeed Opure No Nikkel moet worden gestreefd naar een nullozing. Voor de lozing van niet snel afbreekbare stoffen (A-stoffen), geldt dat de lozing moet worden beëindigd dan wel, indien dat niet mogelijk is, geprobeerd moet worden om zo dicht mogelijk bij een nullozing te komen. Voor de lozing van afbreekbare stoffen (Bstoffen) en stoffen die van nature in het oppervlaktewater voorkomen (C-stoffen), moet de lozing zoveel mogelijk worden voorkomen.
In de aanvraag zijn de resultaten van de ABM-toets beschreven. Hieruit blijkt dat de maatregelen ter beperking van de lozing van de aangevraagde stoffen en/of mengsels voldoen aan de gewenste saneringsinspanning. Het gebruik van de bovengenoemde stoffen en/of mengsels in de aangegeven hoeveelheden wordt daarom vergund.
Uit de aanvraag blijkt dat er stoffen met waterbezwaarlijkheid Z in het afvalwater kunnen geraken, te weten arseen, kwik, lood, nikkel, EOX, PAK en Microfeed Opure No Nikkel. Voor deze stoffen is het streven om ze te weren uit de leefomgeving of ten minste beneden een verwaarloosbaar risiconiveau te brengen. Hiervoor geldt naast de bronaanpak en minimalisatie, conform de best beschikbare technieken, een extra inspanning om continu te verbeteren. Gelet hierop wordt in de vergunning voorgeschreven dat de vergunninghouder een programma voor continue verbetering opzet en implementeert voor de verdergaande reductie van de emissie van de betreffende stoffen. Hieraan gekoppeld is een rapportageverplichting op basis van een vijfjaarlijkse cyclus.
In de praktijk kan het voorkomen dat de vergunninghouder bijzondere voorzienbare activiteiten, in afwijking van de reguliere bedrijfsvoering, gaat uitvoeren die gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het te lozen afvalwater. Hieronder worden verstaan onderhouds- en reparatiewerkzaamheden, storingen (niet zijnde een ongewoon voorval), korte stilleggingen en het opstarten of het (definitief) buiten bedrijf stellen van een proces- of afvalwaterzuiveringsinstallatie of onderdelen hiervan. Voor een dergelijke situatie moet het bedrijf voorzorgsmaatregelen nemen om de nadelige gevolgen voor de doelmatige werking van de betrokken zuiveringstechnisch werken te voorkomen dan wel zo veel mogelijk te beperken.
Het bedrijf vraagt een afwijkende bedrijfsafvalwaterlozing aan tijdens periodiek onderhoud. Dit periodiek onderhoud vindt plaats met een frequentie van 4 en 10 jaar, afhankelijk van het te verrichten onderhoud en duurt 19 of 29 dagen. Tijdens het onderhoud wordt al het bedrijfsafvalwater volledig gestript en een deel daarvan biologisch gezuiverd, met 1 van de 2 SBR's. Het gestripte afvalwater wordt geloosd via meetinrichting 1, het gestripte + biologische gezuiverde afvalwater wordt geloosd via meetinrichting 2. De hoeveelheid te lozen bedrijfsafvalwater via meetinrichting 1, tijdens dit onderhoud, bedraagt 0 of maximaal 12.600 m3 of maximaal 19.140 m3 per jaar, op basis van respectievelijk geen onderhoud, 19 en 29 dagen onderhoud. Voor de lozing van het bedrijfsafvalwater tijdens periodiek onderhoud en de te treffen maatregelen wordt een meldingsplicht opgenomen.
Door het niet biologisch zuiveren van het bedrijfsafvalwater tijdens periodiek onderhoud, dat via meetinrichting 1 wordt geloosd, is de emissie van de waterbezwaarlijke stoffen afwijkend ten opzichte van de reguliere lozingssituatie. Gelet hierop worden voor deze situatie separate lozingseisen opgenomen.
Het bedrijf gaat bij de aangevraagde lozingseisen uit van het gemiddelde + 4 maal de standaardafwijking van de representatieve meetreeks. Dit is in tegenspraak met het CIW rapport lozingseisen Wvo-vergunningen uit 2005, waarbij uitgegaan wordt van het gemiddelde + 3 maal de standaardafwijking voor meetreeksen met een beperkte meetfreqentie, waarvoor een overschrijdingskans van 1 op 100 van toepassing is. Gelet hierop worden de aangevraagde lozingseisen voor EOX, chroom, nikkel, zink, chloride en N-totaal niet toegestaan, maar wordt het gemiddelde + 3 maal de standaardafwijking opgenomen in de vergunning.
Met de opgenomen voorschriften op basis van bovengenoemde overwegingen wordt invulling gegeven aan het gestelde in artikel 5.7 van het Besluit omgevingsrecht, waarin wordt gesteld dat er expliciet in de vergunning aandacht moet worden geschonken aan het voorkomen en beperken van nadelige gevolgen voor het milieu die kunnen worden veroorzaakt door voorzienbare bijzondere bedrijfsomstandigheden.
Gelet op de hydraulische capaciteit van de afvalwaterbehandeling van 262.800 m3 per jaar wordt voor de bedrijfsafvalwaterlozingen, regulier en tijdens periodiek onderhoud, zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2, een gezamenlijke maximale lozingshoeveelheid van 260.000 m3 per jaar opgenomen.
Gelet op de hydraulische afvoercapaciteit wordt voor de bedrijfsafvalwaterlozingen, regulier en tijdens periodiek onderhoud, zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 een gezamenlijke maximale lozingshoeveelheid van 990 m3 per etmaal opgenomen.
De RIE schrijft voor dat de vergunning passende eisen bevat voor de controle op de lozingen zowel wat betreft de toepassing van de beste beschikbare technieken als wat betreft de lozingseisen. Daarbij wordt gekeken voor welke parameters/stoffen in de BBT-conclusie afvalverbranding grenswaarden zijn opgenomen of welke parameters/stoffen worden aangemerkt als indicatief voor de beste beschikbare technieken. Voor deze parameters/stoffen wordt in principe uitgegaan van een frequentie van tenminste 1 keer per maand.
In de BBT-conclusie afvalverbranding zijn monitoringsfrequenties opgenomen voor het afvalwater van de rookgasreiniging. Aangezien het condensaat van de indampinstallatie het voorgezuiverde afvalwater van de rookgasreiniging betreft en deze afvalwaterstroom onderdeel uitmaakt van het bedrijfsafvalwater zijn monitoringsfrequenties opgenomen die hieraan minimaal voldaan.
Gelet op de beperkte periode van de lozing tijdens periodiek onderhoud worden monitoringseisen opgenomen die gerelateerd zijn aan deze periode.
De geloosde jaarvracht aan cadmium en thallium bedraagt de laatste 3 jaren 0 kg. Daarom zijn voor deze parameters geen meet- en rapportage verplichtingen meer opgenomen. Echter zodra uit metingen blijkt dat afwijkingen naar boven optreden zullen aan het bedrijf nadere voorschriften worden gesteld.
Met het in de vergunning opnemen van voorschriften wordt gewaarborgd, dat de doelmatige werking van de zuiveringstechnische werken niet wordt belemmerd, of de krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden voor de kwaliteit van het oppervlaktewater niet worden overschreden. Gezien het vorenstaande bestaan er geen bezwaren tegen het verlenen van de gevraagde vergunning met betrekking tot de indirecte lozingen mits bij de lozing de hierna gestelde voorschriften in acht worden genomen. De aanvraag, alsmede de latere aanvullingen daarop, maken deel uit van de vergunning.
Voor het aspect bodem waren algemene regels opgenomen in het Activiteitenbesluit. Op grond van het Activiteitenbesluit moesten alle bedrijfsactiviteiten worden verricht met voorzieningen en maatregelen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico, zoals gedefinieerd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming van maart 2012 (NRB). Dat betekende dat in het kader van deze vergunning geen nadere beoordeling plaats zou vinden voor het onderdeel bodem. Zoals eerder overwogen is het Activiteitenbesluit met het in werking treden van de Omgevingswet komen te vervallen.
Nu zijn de algemene regels opgenomen in het Bal. Deze zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Hierna wordt beoordeeld of alle activiteiten binnen de inrichting worden geregeld door de algemene regels en of er, in het kader van de verplichting dat de BBT aanwezig moeten zijn, aanleiding is om aanvullende voorwaarden te stellen. Indien aanvullende voorwaarden noodzakelijk zijn zullen wij op grond van artikel 2.22 van de Wabo voorschriften opnemen in deze vergunning.
Daarnaast wijzen wij erop dat sommige bepalingen uit het Activiteitenbesluit alleen van toepassing waren onder bepaalde voorwaarden of niet golden in bepaalde uitzonderingssituaties. Indien die bepalingen zonder de uitzonderingen of voorwaarden terugkomen in het Bal, dan hoeft degene die de activiteit verricht tot 1 januari 2026 (2 jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet) niet aan de nieuwe bepaling te voldoen (artikel 8.1.6 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet). Die tijd kan gebruikt worden om alsnog te voldoen dan wel een maatwerkvoorschrift aan te vragen.
Voor SNB geldt dat niet volledig aan een verwaarloosbaar bodemrisico wordt voldaan volgens de NRB. In het kader van deze vergunning heeft daarom een nadere beoordeling plaatsgevonden.
Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Het uitgangspunt van de NRB is dat door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm) een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Alleen in bepaalde bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.
Op basis van de NRB worden de (voorgenomen) activiteiten beoordeeld en wordt bepaald welke combinatie van voorzieningen en maatregelen noodzakelijk is om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen. Daarbij richt de NRB zich op de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in het kader van de NRB niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang die onlosmakelijk deel uitmaakt van de installatie, bijvoorbeeld in de vorm van een tank of opvangbassin, is wel een activiteit waar de NRB in voorziet. Tankputten en calamiteiten vijvers voor de opslag van verontreinigd bluswater worden in de NRB niet behandeld.
Binnen de inrichting vinden de volgende bodembedreigende activiteiten plaats:
Wij hebben het bij de aanvraag gevoegde bodemrisicodocument beoordeeld en stemmen in met de opzet, de uitgangspunten en de resultaten. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende activiteiten het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.
Om het verwaarloosbaar bodemrisico te borgen zijn in de vergunning voorschriften opgenomen die voorzien in de inspectie en het onderhoud van de bodembeschermende voorzieningen. Voor de bodembeschermende maatregelen zijn voorschriften opgenomen die voorzien in een adequate instructie en training van het personeel.
Voor de slibbunkers is het niet mogelijk om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren. De bunkers zijn continu gevuld met slib waardoor visuele inspectie door een deskundig inspecteur conform AS SIKB 6700 niet mogelijk is. Artikel 2.9a van het Activiteitenbesluit geeft aan dat wanneer aanvullende maatregelen en voorzieningen niet redelijk zijn, een aanvaardbaar bodemrisico gerealiseerd kan worden door een doelmatig bodem monitoringssysteem toe te passen. Er wordt voldaan aan de voorwaarde dat de bodembedreigende activiteit voor 1 januari 2008 werd uitgevoerd (artikel 29a, lid 1a Activiteitenbesluit). Voor de slibbunkers kan daarom met een aanvaardbaar (A*) bodemrisico worden ingestemd onder voorwaarde van de in het plan van aanpak voorgestelde grondwatermonitoring en bodemincidentenbeheer. Hiervoor is het document "Plan van aanpak bodemrisicoanalyse SNB Moerdijk, 19 november 2004; Royal Haskoning rapport 9P9405' aan de aanvraag toegevoegd.
In het Plan van Aanpak Bodemherstel is de mogelijkheid tot herstel van de nulsituatie bodemkwaliteit uitgewerkt. Bij het stellen van de voorschriften hebben wij hiermee rekening gehouden.
Aanvullend op het toestaan van een aanvaardbaar bodemrisico via het stellen van maatwerkvoorschriften, hebben we een voorschrift opgenomen voor het actualiseren van het plan van aanpak. Het huidige plan van aanpak is reeds 22 jaar oud en voldoet hiermee niet meer aan de geldende wetgeving. Daarnaast moet aandacht worden geschonken aan de wijze waarop uiteindelijk, op een natuurlijk moment, alsnog een verwaarloosbaar bodemrisico zal worden bereikt voor de slibbunkers.
Het preventieve bodembeschermingsbeleid gaat ervan uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.
Nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindonderzoek te worden uitgevoerd.
Het nulsituatieonderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:
De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is.
Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.
Voor de inrichting zijn zoals in de aanvraag staat vermeld bodemonderzoeken uitgevoerd:
De voor dit onderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit zijn uitgevoerd door erkende instanties als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Hiermee is de kwaliteit van het bodemonderzoek geborgd en zijn de resultaten betrouwbaar.
Bovengenoemde rapporten geven de nulsituatie van de bodem ter plaatse van de inrichting weer.
Het risico dat door de aangevraagde activiteiten in combinatie met de getroffen en te treffen voorzieningen een bodemverontreiniging ontstaat is (in combinatie met de gestelde voorschriften) aanvaardbaar conform het gestelde in het Activiteitenbesluit. Het is dan ook niet noodzakelijk dat de bodemkwaliteit tussentijds wordt gecontroleerd.
Na beëindiging van de activiteiten of een deel daarvan moet een eindsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden verricht. Indien blijkt dat sprake is van een bodembelasting als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden. Hiertoe zijn bepalingen in paragraaf 5.2.1 van het Bal opgenomen.
In aansluiting op de criteria voor inrichtingen die onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer vallen, worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten en/of een jaarlijks verbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit als energierelevant bestempeld.
Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting (volgens de aanvraag 600.000 m3 aardgasequivalenten/jaar en 410.000.000 kWh/jaar elektriciteit).
Hiermee is SNB een zeer groot verbruiker van energie (> 10 miljoen kWh/jaar of > 170.000 m3 aardgasequivalenten/jaar).
Vanaf 1 juli 2023 vallen vergunningplichtige bedrijven type C voor het onderwerp energiebesparing onder afdeling 2.6 van het Activiteitenbesluit. Deze bedrijven moeten dan voldoen aan een (geactualiseerde) energiebesparings- en informatieplicht.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit geregeld in paragraaf 5.4.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (gebruiksfuncties gebouwen). Paragraaf 5.4.1 van het Bal is aangewezen voor alle complexe bedrijven en andere vergunningplichtige activiteiten op grond van het Bal.
Tevens is vanaf 1 juli 2023 een onderzoeksplicht ingevoerd voor bedrijven met een jaarlijks verbruik hoger dan 10 miljoen kWh of 170.000 m3 aardgasequivalenten. De onderzoeksrapportage heeft betrekking op energiebesparende maatregelen in het bedrijfsproces en moet voor 1 december 2023 en daarna elke vier jaar bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) worden ingediend. Tevens moet voor 1 december 2023 en daarna elke 4 jaar voldaan zijn aan de informatieplicht energiebesparing voor energiebesparende gebouwmaatregelen. Hierbij moeten bedrijven alle maatregelen met een terugverdientijd van minder dan vijf jaar uitvoeren.
Het toepassen van hernieuwbare energie, zoals zonne- of windenergie geldt niet als energiebesparende maatregel. Bij energiebesparing gaat het om het voorkomen of verminderen van energieverbruik. Bijvoorbeeld om het toepassen van energiebesparende technieken, zoals isoleren van een gebouw of het toepassen van ledverlichting. Het gaat om maatregelen die het verbruik van kWh elektriciteit verminderen.
SNB is een energie relevante onderneming:
In de vergunning zijn daarom geen aanvullende voorschriften ter bevordering van het zuinig gebruik van energie opgenomen.
Binnen SNB zijn gevaarlijke stoffen aanwezig, maar deze overschrijden niet de drempelwaarden uit het BRZO 2015. Binnen de inrichting zijn er niet zodanig veel gevaarlijke of brandbare stoffen aanwezig waardoor er een hoge vuurbelasting kan ontstaan en/of toxische verbrandingsproducten vrijkomen. Het aspect externe veiligheid is voor deze inrichting niet relevant en daarom zijn in deze vergunning geen specifieke voorschriften opgenomen.
Afdeling 6.2, paragraaf 6.5.1 en de specifieke zorgplicht van het Besluit bouwwerken leefomgeving bevatten de regels waaraan voldaan moet worden voor het brandveilig gebruik van bouwwerken. Deze regels gelden rechtstreeks.
Bij de inrichting is apparatuur in gebruik met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Voor deze installatie gelden de eisen zoals die verwoord zijn in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Dit besluit is van toepassing op het ontwerp, de fabricage, de overeenstemmingsbeoordeling, de ingebruikneming en periodieke keuring van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen waarvan de maximaal toelaatbare druk (PS) meer dan 0,5 bar bedraagt. Het besluit is rechtstreeks werkend, zodat in deze vergunning geen nadere eisen gesteld (mogen) worden. De Inspectie SZW is toezichthouder voor het in werking hebben van deze drukapparatuur.
Een gasexplosie kan ontstaan wanneer een ontstekingsbron een explosief mengsel van een brandbaar gas (verdampte vluchtige vloeistof) én zuurstof (lucht) tot ontsteking brengt. Bij de inrichting bestaat in de afvulhal en bij de opslag in bovengrondse tanks of in de nabijheid daarvan door de aanwezigheid van vrijgekomen brandbaar gas de kans dat dit gas tot ontbranding of ontsteking wordt gebracht.
De verplichtingen voor bedrijven ten aanzien van gasexplosiegevaar zijn verankerd in de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Concreet gaat het voor inrichtingen (bedrijven) dan met name om het explosieveiligheidsdocument, de RI&E voor de onderdelen gasexplosie, en de gevarenzone-indeling. De Inspectie SZW is de toezichthoudende instantie. Om deze reden worden ten aanzien van gasexplosiegevaar geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.
Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze PGS richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag van de inrichting zijn de volgende PGS richtlijnen relevant:
Bij de noordzijde van de ovenhal staat een cryogene opslagtank met vloeibare stikstof opgesteld. Deze tank heeft een inhoud van 5.000 kg (6,7) m3. Deze opslag moet voldoen aan de voorschriften van de PGS 9, dit is als zodanig met voorschriften geborgd. Bij de aanvraag is een GAP analyse van de PGS 9 toegevoegd. Hieruit blijkt dat alle opslaglocaties aan de relevante voorschriften van de PGS kunnen voldoen.
Uit de vuurlastberekening is gebleken dat bij een compartimentsbrand in de ovenhal de stralingsintensiteit op de CO2 tank te hoog is. Dit wordt echter gecompenseerd door objectbeveiliging en een sprinklerinstallatie. SNB stelt voor om de veiligheidsafstanden te beoordelen op basis van een brand in de ventilatorruimte. Wij hebben dit verzoek ter advisering aan de Veiligheidsregio voorgelegd en op 3 augustus 2022 hebben zij aangegeven met deze conclusies in te stemmen. Wij volgen dit advies en stemmen in met het verzoek om gelijkwaardigheid.
Binnen SNB zijn er acht locaties voor de opslag van gevaarlijke stoffen. Alleen voor de locatie AB12 is hoofdstuk 4 van PGS 15 van toepassing (opslagen van meer dan 10 ton gevaarlijke stoffen). Daarnaast zijn er vier opslaglocaties voor de opslag van gasflessen. Voor deze locatie zijn de voorschriften van hoofdstuk 6 van de PGS 15 van toepassing. Voor de overige opslagen zijn de voorschriften van hoofdstuk 3 van de PGS 15 van toepassing. Bij de aanvraag is een GAP analyse van de PGS 15 toegevoegd. Hieruit blijkt dat alle opslaglocaties aan de relevante voorschriften van de PGS kunnen voldoen. Er wordt geen verzoek voor gelijkwaardigheid ingediend.
Binnen SNB is de PGS 30 van toepassing voor de dieseltank en de biodieseltank. Voor de dieseltank ter hoogte van het waterinlaatgebouw is er sprake van een tank die hangend is gemonteerd aan de wand. Conform artikel 3.71d lid 5 van de Activiteitenregeling milieubeheer valt dit type tank buiten de standaard voorschriften van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Op basis van artikel 3.71d lid 12 is er een mogelijkheid om lid 5 van hetzelfde artikel uit te sluiten. Wij hebben besloten om van deze mogelijkheid gebruik te maken en daarom is voor deze tank een maatwerkvoorschrift opgelegd. Hierdoor zal deze ook moeten voldoen aan de voorschriften uit de PGS 30. Via de GAP analyse is reeds aangegeven dat hieraan wordt voldaan.
Voor de opslag van biodiesel in een bovengrondse tank zijn de bepalingen van paragraaf 3.4.9 van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit geregeld in § 3.2.8 en § 4.94 van het Bal.
Bij SNB zijn voor de opslagtank voor natronloog, zoutzuur en ammoniakwater de voorschriften van de PGS 31 van toepassing. Bij de aanvraag is een GAP analyse van de PGS 31 toegevoegd. Hieruit blijkt dat alle opslaglocaties aan de relevante voorschriften van de PGS kunnen voldoen. Er wordt één verzoek voor gelijkwaardigheid ingediend.
Voor de opslagtank zoutzuur (locatie 108) is een verzoek voor gelijkwaardigheid ingediend op basis van voorschrift 6.4.3 van de PGS 31. De reden hiervoor is dat de zoutzuurtank op korte afstand van het afvalwaterbehandelingsgebouw (ABl 1) staat. Bij de GAP analyse is een gelijkwaardigheidsonderzoek toegevoegd (bijlage 19 van de GAP analyse). In dit onderzoek is aangetoond dat het verantwoord is om van de gestelde veiligheidsafstanden uit de PGS 31 af te wijken en er geen aanvullende voorzieningen nodig zijn. Op basis van de rekenresultaten en de gebouw- en gebruikskenmerken zal een brand in het ABl 1 zich naar verwachting niet ontwikkelen tot een compartimentsbrand. De bestaande situatie voldoet aan het vereiste beschermingsniveau uit de PGS 31 richtlijn. Wij hebben dit verzoek ter advisering aan de Veiligheidsregio voorgelegd en op 3 augustus 2022 hebben zij aangegeven met deze conclusies in te stemmen. Wij volgen dit advies en stemmen in met het verzoek tot gelijkwaardigheid.
Voor de toepassing van PGS 9, 15, 30 en 31 geldt het gelijkwaardigheidsbeginsel. Dit houdt in dat andere maatregelen kunnen worden getroffen dan in de eisen van de betreffende PGS richtlijnen zijn opgenomen. Dit voorschrift geeft de mogelijkheid om in een later stadium nogmaals een verzoek tot gelijkwaardigheid in te dienen.
De bedrijfsactiviteiten van SNB hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. De door deze inrichting veroorzaakte geluidbelasting in de omgeving is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van Peutz met rapportnummer FD 4376-2-RA-001 d.d. 16 februari 2021.
Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidsniveaus als gevolg van het in werking zijn van de inrichting.
De inrichting is gelegen op het ingevolge de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein 'Moerdijk'. De geluidbelasting - in casu het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau - van de inrichting dient derhalve getoetst te worden aan grenswaarden, die aan de vastgestelde zone zijn verbonden. De totale geluidbelasting van alle bedrijven op het industrieterrein samen, mag niet meer bedragen dan 50 dB(A) etmaalwaarde ter plaatse van de zonegrens en niet meer dan de vastgestelde maximaal toelaatbare geluidbelasting (MTG) bij woningen van derden, die binnen de zone gelegen zijn. Het is dus van belang dat de aan een inrichting toe te kennen geluidruimte op maat gemaakt wordt, zodat eventuele uitbreidingen en nieuwvestigingen van bedrijven niet onmogelijk gemaakt worden.
Het maximale geluidniveau dient conform de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening te worden getoetst ter plaatse van woningen. Als hoogst toelaatbare maximale geluidniveaus, gemeten in de meterstand 'fast' ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige bestemmingen geldt in beginsel respectievelijk voor de dag-, avond- en nachtperiode een waarde van 70, 65 en 60 dB(A).
In het akoestisch rapport van Peutz zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vanwege de gehele inrichting, ter plaatse van de zonebewakingspunten (berekeningspunten op de zone, vastgestelde hogere waarden dan wel de in het kader van de sanering vastgestelde MTG-waarde) alsmede ter plaatse van de voormalige vergunningspunten gepresenteerd.
Uit de rekenresultaten, die in de rapportage van het akoestisch onderzoek gepresenteerd zijn, blijkt, dat in de representatieve bedrijfssituatie het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT ter plaatse van de zonebewakingspunten ten hoogste 26 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. Als regel wordt gehanteerd dat bijdragen - die 20 dB(A) of méér onder de zonegrenswaarde liggen - als niet-relevant kunnen worden beschouwd. De berekende geluidbelastingen zijn dermate dat geen sprake is van een relevante bijdrage.
Binnen de zone liggen een aantal woningen waarvan de grenswaarde 50 en 55 dB(A) etmaalwaarde is. Ter plaatse van deze woningen van derden bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT vanwege de inrichting ten hoogste 30 dB(A) etmaalwaarde. De berekende geluidbelastingen zijn dermate dat geen sprake is van een relevante bijdrage.
Met het aangeleverd rekenmodel - waaraan de rekenexercities uit het rapport ten grondslag hebben gelegen - is een zonetoets uitgevoerd ter bepaling van de geluidimmissie van de inrichting op de zonebewakings- en MTG-punten. Geconcludeerd is dat de aangevraagde geluidimmissie past binnen de beschikbare geluidruimte van het industrieterrein (zie bijlage V).
Wij zijn van oordeel dat het niet wenselijk is om de geluidbelasting op de zogenoemde zonebewakingspunten vast te leggen. Op deze wijze worden bij elke wijziging buiten het terrein van de inrichting op het gezoneerde terrein de niveaus op de betreffende zonebewakingspunten beïnvloed. Daarom wordt die geluidruimte vergund die de inrichting feitelijk nodig heeft op de eerder vermelde, concreet, dicht bij de inrichting gelegen, voormalige vergunningspunten.
De optredende maximale geluidniveaus ten gevolge van de inrichting ter plaatse van nabijgelegen woningen kan ten hoogste 43 dB(A) bedragen in zowel de dag-, avond en nachtperiode. Hiermee wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden uit de 'Handreiking industrielawaai en vergunningverlening' van 70 dB(A) in de dag-, 65 dB(A) in de avond- en 60 dB(A) in de nachtperiode. De optredende geluidniveaus zijn hiermee toelaatbaar.
De geluidimmissies ten gevolge van het wegverkeer van en naar de inrichting op de openbare weg dienen normaliter beoordeeld te worden conform de circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer (1996). De inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein. Indirecte hinder veroorzaakt door geluid vanuit een inrichting op een gezoneerd industrieterrein wordt, volgens vaste jurisprudentie, niet beoordeeld.
Om een hoog niveau van bescherming van het milieu mogelijk te maken, dient de inrichting de meest doeltreffende technieken toe te passen om de emissie van geluid en andere nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken. Indien door verlening van de vergunning niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, moeten wij de vergunning weigeren.
Uit de rapportage van het akoestisch onderzoek blijkt dat bijdrage van de maatgevende bronnen op de zonebewakingspunten beperkt is. Verdergaande maatregelen in het kader van best beschikbare technieken achten wij niet noodzakelijk. Aan te schaffen materieel dient te allen tijde te voldoen aan de (akoestische) stand der techniek.
Het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport hebben wij beoordeeld. Met de uitgangspunten en de berekeningsresultaten kunnen wij instemmen. Ten aanzien van de geluidbelasting voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidniveaus is de aangevraagde situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar. Ten behoeve van de handhaafbaarheid zijn in de voorschriften grenswaarden gesteld voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de vigerende vergunningspunten en maximale geluidniveau ter plaatse van woningen van derden.
Het voorkomen of beperken van geurhinder is onderdeel van de belangen die de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) behartigt. Voor het aspect geur waren bepalingen opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Zoals reeds eerder overwogen is het Activiteitenbesluit met het in werking treden van de Omgevingswet komen te vervallen. Thans zijn eisen opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarnaast gelden de regels uit het omgevingsplan. Daarin zijn op grond van de zogenaamde bruidsschat geurregels opgenomen (paragraaf 22.3.6 van het omgevingsplan, zie ook https://iplo.nl/thema/geur/geur-omgevingsplan/). Voor zover van toepassing zijn deze eisen rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen.
Opgemerkt wordt dat in het Bal en het omgevingsplan, in tegenstelling tot de Wabo, niet uitgegaan wordt van het inrichtingenbegrip maar van het begrip milieubelastende activiteiten (MBA). Wij hebben zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de systematiek van het Bal en het omgevingsplan en hebben dus per (relevante) MBA het aspect geur beoordeeld.
Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegenomen zijn eveneens vermeld in de toelichting op artikel 22.44 Specifieke zorgplicht in het omgevingsplan (bruidsschat). Die toelichting wordt hierna, voor zover relevant, ter informatie aangehaald.
De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn. Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Artikel 22.44 van het omgevingsplan geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in artikel 22.44, vierde lid van het omgevingsplan. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal. De specifieke zorgplichten blijven gelden naast de algemene regels van het omgevingsplan en het Bal, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen.
De specifieke zorgplicht vervangt onder meer artikel 2.7a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer dat ging over geurhinder. Dit houdt in dat als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij de geurhinder bij het geurgevoelige gebouw tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Wat aanvaardbaar is, hangt af van de situatie. Hierbij kan rekening gehouden worden met onder meer de volgende aspecten:
De provincie Noord-Brabant heeft beleid inzake industriële geur vastgesteld. Het betreft Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant, vastgesteld op 5 december 2023.
Bij de beoordeling van de geursituatie van dit bedrijf, dat onder bevoegd gezag van de provincie valt, wordt gebruikgemaakt van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant.
In de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant wordt voor de geuremissie van het bedrijf de hedonische weging toegepast: de onaangenaamheid van de geur speelt een rol bij de beoordeling van de geurbelasting, evenals de aard van het object waar de geur wordt waargenomen. In de beleidsregels worden drie omgevingstypen onderscheiden.
SNB vraagt geen nieuwe activiteiten aan. In artikel 1.1.9 van het provinciaal geurbeleid staat voor bestaande situaties het volgende beschreven: Indien de besluitvorming uitsluitend betrekking heeft op bestaande activiteiten, stellen Gedeputeerde Staten de hedonisch gewogen aanvaardbare geurbelasting vast op ten hoogste de bestaande geurbelasting.
Het bevoegd gezag heeft de afgelopen jaren (mei 2018 tot en met mei 2024) geen geurklachten over dit bedrijf ontvangen.
SNB richt zich op de verwerking van (communaal) zuiveringsslib van haar aandeelhouders (vijf waterschappen) en overige klanten. Op 3 februari 2004 is aan SNB een revisievergunning Wet milieubeheer verleend voor een verbrandingsinstallatie voor communaal afvalwaterzuivering slib en daarmee kwalitatief gelijkwaardig zuiveringsslib. In de revisievergunning is het volgende doelvoorschrift opgenomen: "De geurimmissie vanwege de inrichting mag de contouren zoals aangegeven in de bijlage "Geurimmissiecontouren" niet overschrijden'.
SNB vraag nu een revisie omgevingsvergunning milieu aan, waarbij geen veranderingen van de bedrijfsvoering worden beoogd. Dat blijkt mede uit onderstaande tabellen uit het bijgevoegd geuronderzoek:
| Bron | Geuremissie | Emissieduur | Jaaremissie | Bijdrage |
|---|---|---|---|---|
| Biofilter(s) normaal bedrijf (11 mnd) | 21,0 | 7.862 | 165,1 | 11% |
| Biofilter(s): 1 mnd | 33,8 | 730 | 24,6 | 2% |
| Biofilter(s): shut-down 1 wk | 33,8 | 168 | 5,7 | 0% |
| Bunker dakventilatie 1 mnd | 299,9 | 730 | 218,9 | 15% |
| Bunker dakventilatie shut-down 1 wk | 810,3 | 168 | 136,1 | 9% |
| Schoorstenen lijn 1-4 | 38,9 | 8.760 | 340,9 | 23% |
| Schoorsteen lijn 5 | 9,7 | 8.760 | 85,2 | 6% |
| Dakventilatie ovenhal | 55,4 | 8.760 | 485,1 | 33% |
| Ventilatie waterbehandelingsgebouw | 0,4 | 8.760 | 3,2 | 0% |
| AWZI | 0,2 | 8.760 | 1,8 | 0% |
| TOTAAL | 1.467 | 100% |
| Bron | Geuremissie [106 oue/h] | Emissieduur [h/jr] | Jaaremissie [109 oue/jr] | Bijdrage [%] |
|---|---|---|---|---|
| Biofilter(s) normaal bedrijf (11 mnd) | 21,0 | 7.862 | 165,1 | 13% |
| Biofilter(s): 1 mnd | 33,8 | 730 | 24,6 | 2% |
| Biofilter(s): shut-down 1 wk | 33,8 | 168 | 5,7 | 0% |
| Bunker dakventilatie 1 mnd | 299,9 | 730 | 218,9 | 17% |
| Bunker dakventilatie shut-down 1 wk | 810,3 | 168 | 136,1 | 10% |
| Schoorstenen lijn 1-4 | 38,9 | 8.760 | 340,9 | 26% |
| Dakventilatie ovenhal | 44,3 | 8.760 | 388,1 | 30% |
| Ventilatie waterbehandelingsgebouw | 0,4 | 8.760 | 3,2 | 0% |
| AWZI | 0,2 | 8.760 | 1,8 | 0% |
| Afvalwaterput | 1,0 | 8.760 | 8,5 | 1% |
| Wachtende vrachtwagens | 1,3 | 8.760 | 11,0 | 1% |
| TOTAAL | 1.304 | 100% |
Als gevolg van de niet gerealiseerde lijn 5 (deze is in de revisievergunning van 2004 aangevraagd maar nooit gerealiseerd) is de geuremissie op jaarbasis in de aangevraagde situatie iets lager dan in de vergunde situatie.
Ten opzichte van de voorgaande berekening is er wel afwijkend omgegaan met warmte-inhoud. Alleen voor de schoorstenen van de verbrandingslijnen geldt dat warmte-inhoud relevant is. Door de warmte-inhoud in afgassen is er sprake van een extra stijging van de pluim nadat deze het emissiepunt heeft verlaten; de effectieve emissiehoogte neemt daardoor toe.
In de eerdere berekeningen werd ook voor de ventilatie van de gebouwen uitgegaan van warmte inhoud, de temperatuur is echter te gering om warmte-inhoud te verdisconteren. Hoewel het verspreidingsmodel ook bij lagere temperaturen (< 40 °C) een warmte-inhoud berekent - die zeker in geval van grote volumes aanzienlijk kan zijn - is de afspraak bij geurberekeningen die bij lage temperaturen niet mee te nemen en op 0 MW te stellen.
Binnen de inrichting vinden de volgende geurrelevante processen plaats:
De volgende geurbronnen zijn binnen de inrichting aanwezig:
De volgende geur reducerende maatregelen worden door de inrichting toegepast:
11.5.2. Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving De inrichting is gelegen op het industrieterrein Moerdijk. De volgende geurgevoelige bestemmingen bevinden zich in de omgeving:
11.5.3. Beoordeling geuremissie in relatie tot het aanvaardbaar hinderniveau Bij de aanvraag zit het rapport 'Geur- en luchtkwaliteitonderzoek NV Slibverwerking Noord-Brabant ten behoeve van de revisievergunning.', kenmerk NBM20A1, van maart 2021, opgesteld door Olfasense. Dat rapport is opgesteld ten behoeve van aanvraag voor een revisievergunning voor de gehele inrichting.
In het rapport is verslag gelegd van het uitgevoerde geuronderzoek. Met behulp van een verspreidingsmodel Nieuw Nationaal Model(NNM) zijn de hedonisch gewogen geurconcentraties in de omgeving op leefniveau berekend. Dat is gedaan voor de bedrijfssituatie die met de aanvraag wordt aangevraagd. De weergave van de berekende geurimmissieconcentraties staat in de figuren b tot en met e van het geurrapport. Er zijn contouren ingetekend voor de reeds vergunde situatie en de aangevraagd situatie.
Uit de verspreidingsberekeningen blijkt dat:
Geconcludeerd kan worden dat de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige bestemmingen als gevolg van SNB beperkt is en blijft en daarmee de kans op geurhinder verwaarloosbaar is.
In de beleidsregel, artikel 1.1.8, is bepaald: Indien de besluitvorming uitsluitend betrekking heeft op bestaande activiteiten (activiteit waarvoor reeds een vergunning is verleend), stellen Gedeputeerde Staten de hedonisch gewogen aanvaardbare geurbelasting bij toetsing vast op ten hoogste de bestaande geurbelasting. Daar wordt hier aan voldaan.
De geur reducerende maatregelen die binnen de inrichting zijn/worden getroffen, worden beschouwd als de beste beschikbare technieken.
Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat de geurbelasting ten gevolge van de aangevraagde activiteiten voldoet aan het aanvaardbaar geurhinderniveau. De activiteiten voldoen aan het van toepassing zijnde toetsingskader en de beste beschikbare technieken worden toegepast.
Luchtemissies moeten zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt door het treffen van maatregelen met als doel: beschermen en verbeteren van de luchtkwaliteit. Het algemeen luchtbeleid is gericht op het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van emissies naar de lucht door het toepassen van de beste beschikbare technieken (BBT) en het voldoen aan de luchtkwaliteitseisen van bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Voor het aspect lucht waren bepalingen opgenomen in het Activiteitenbesluit. Zoals reeds eerder overwogen is het Activiteitenbesluit met het in werking treden van de Omgevingswet komen te vervallen. Thans zijn eisen opgenomen in het Bal. Deze eisen zijn rechtstreeks geldend en daarom niet in deze vergunning opgenomen. Hierna wordt beoordeeld of alle activiteiten binnen de inrichting worden gedekt door de algemene regels en of er in het kader van de verplichting dat de BBT aanwezig moeten zijn aanleiding is om aanvullende voorwaarden te stellen.
Opgemerkt wordt dat in het Bal, in tegenstelling tot de Wabo, niet uitgegaan wordt van het inrichtingenbegrip maar van het begrip milieubelastende activiteiten (MBA). Wij hebben zoveel als mogelijk aansluiting gezocht bij de systematiek van het Bal en hebben dus per (relevante) MBA het aspect lucht beoordeeld.
Daarnaast wijzen wij erop dat sommige bepalingen uit het Activiteitenbesluit alleen van toepassing waren onder bepaalde voorwaarden of niet golden in bepaalde uitzonderingssituaties. Indien die bepalingen zonder de uitzonderingen of voorwaarden terugkomen in het Bal, dan hoeft degene die de activiteit verricht tot 1 januari 2026 (2 jaar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet) niet aan de nieuwe bepaling te voldoen (artikel 8.1.6 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet). Hij kan die tijd gebruiken om alsnog te gaan voldoen dan wel een maatwerkvoorschrift aan te vragen. Specifiek voor lucht gaat het dan bijvoorbeeld om de verplichting om stuifgevoelige goederen in een gesloten ruimte op- en over te slaan en het vervallen van de grensmassastroom.
De volgende onderdelen van het Bal zijn relevant voor het aspect lucht:
Naast de algemene doelstelling (emissies voorkomen, beperken en BBT toepassen) verplicht dit degene die de MBA verricht om voorzieningen te realiseren om gekanaliseerde luchtemissies doelmatig te kunnen bemonsteren en te registreren.
De volgende bijlagen van het Bal zijn relevant voor het aspect lucht: Bijlage I Begrippen; Bijlage III Stoffen en stofklassen; Bijlage IV Stuifklassen; Bijlage V Stoffen aanvullende rapportageplicht PRTR; Bijlage VI Groepen verontreinigende stoffen PRTR, Bijlage VIa Immissiegrenswaarden zeer zorgwekkende stoffen en Bijlage VII Overgangsrecht emissiegrenswaarden en ondergrenzen ZZS.
In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
Voor wat betreft de emissies afkomstig van een afvalverbrandingsinstallatie is paragraaf 5.1.2 van afdeling 5.1 van het Activiteitenbesluit het toetsingskader. De emissie-eisen volgen uit artikel 5.19. Vanaf 1 januari is dit toetsingskader komen te vervallen en is dit geregeld in paragraaf 4.4 van het Bal.
Het bevoegd gezag houdt bij IPPC-installaties de bevoegdheid om op grond van artikel 2.22 lid 5 van de Wabo strengere eisen te stellen dan welke gelden op basis van Activiteitenbesluit indien de algemene regels niet BBT zijn om de toepassing van de beste beschikbare technieken in specifieke gevallen te waarborgen (bij beter presterende installaties) en om de naleving van milieukwaliteitseisen op grond van hoofdstuk vijf van de Wet milieubeheer te garanderen. De mogelijkheid tot maatwerkvoorschrift is vanaf 1 januari 2024 overgegaan naar artikel 4.74 van het Bal.
Het Schone Lucht Akkoord is op 13 januari 2020 gesloten tussen het Rijk, provincies en tientallen gemeenten. Het doel is om afspraken te maken over het permanent verbeteren van de luchtkwaliteit in Nederland. Deze afspraken staan in het Schone Lucht Akkoord (SLA). Het doel van het SLA is dat in 2030 sprake is van minder gezondheidsschade door luchtvervuiling door emissies in de sectoren die de meeste impact op schone lucht hebben: (weg)verkeer, landbouw, scheepvaart, industrie, huishoudens en luchtvaart. Ook de provincie Noord-Brabant heeft het Schone Lucht Akkoord ondertekend.
Voor de industrie is in het Schone Lucht Akkoord afgesproken om zoveel mogelijk de strengst mogelijke emissie-eisen te hanteren. Dit houdt in dat zo dicht mogelijk bij de ondergrens van de BBT-range uit BBT-conclusies als emissie-eis wordt opgenomen bij het verlenen van nieuwe vergunningen.
Voor SNB geldt dat de emissie concentraties gedurende het jaar erg fluctueren. Hierdoor is het niet mogelijk om voor alle componenten aan de onderkant BBT range te vergunnen. Hierdoor zijn hogere daggemiddelde normen opgenomen. Om toch zoveel mogelijk toe te komen aan de afspraken uit het Schone Lucht akkoord zijn aanvullend op de daggemiddelde normen voor een aantal componenten ook jaargemiddelde normen opgenomen. Deze normering geeft SNB iets meer emissie ruimte maar beperkt de totale emissie omdat ook voldaan moet worden aan de jaargemiddelde normering.
Na de emissie meetapparatuur en vóór de schoorsteen is een aftakking gerealiseerd, waarmee de gereinigde rookgassen van SNB via een pijpleiding naar het aan de overzijde van de Middenweg gelegen bedrijf OMYA worden geleid voor de productie van CaCO3.
De jaargemiddelde afname van OMYA varieert van 17-42%. Gedurende het jaar zijn er ook perioden dat er geen rookgas door OMYA wordt afgenomen. In dit kader is een conditionering van de rookgassen noodzakelijk, vooral gericht op het koelen van de rookgassen van 110°C naar een temperatuur van 50-55°C. De daartoe benodigde voorzieningen betreffen onder meer een condensaatkoeler, 3 koeltorens, koelwaterpompen e.d. Deze voorzieningen zijn in eigendom van OMYA en worden bedreven door OMYA maar zijn gelokaliseerd op het terrein van SNB. Omdat deze installatie op het terrein van SNB staat, maakt deze installatie onderdeel uit van deze vergunning. Voor deze activiteit zijn de direct werkende voorschriften uit het Activiteitenbesluit van toepassing (paragraaf 3.2.5 het inwerking hebben van een natte koeltoren).
SNB is een IPPC-installatie waarop de BBT-conclusies Afvalverbranding betrekking hebben. In het kader van de onderliggende vergunning is tevens gekeken naar de BBT-conclusies Afvalverbranding (12-11-2019). Tevens zijn in het kader van de toetsing aan BBT de gemeten emissies in de afgelopen jaren betrokken. Voor een aantal stoffen blijkt dat de gemeten emissies fors lager liggen dan de vergunde waarden of emissiewaarden uit het Activiteitenbesluit en zich bevinden aan de onderkant van de range uit de BBT-conclusies. Voor enkele stoffen blijkt dat SNB moeite heeft om te voldoen aan de normen zoals gesteld in de bovenkant BBT range. Deze gemeten emissies voldoen niet aan de bovenkant van de emissierange van de BBT-conclusies. Het gaat om de stoffen waterstoffluoride, kwik en zware metalen. SNB heeft echter aangegeven voornemens te zijn om voor alle vier de branders de rookgaswasser te vervangen. Hierdoor zal SNB na vervanging van alle gaswassers naar verwachting kunnen voldoen aan de onderkant range uit de BBT-conclusies. In deze vergunning is een onderzoeksverplichting op genomen om na wijziging van alle vier de installatie aan te tonen aan welke normering kan worden voldaan. Op basis van bovenstaande BBT-toetsing en rekening houdend met de afspraken uit het Schone Lucht Akkoord zijn voor de volgende stoffen gewijzigde emissie-eisen ten opzichte van artikel 5.19 van het Activiteitenbesluit opgenomen in de voorschriften:
Aanvullend hierop is een jaargemiddelde emissie-eis van 10 mg/Nm3 opgenomen.
Bovenstaande normering geldt gedurende de periode dat nog niet alle rookgaswassers zijn vervangen. Zodra deze zijn vervangen, zal de vergunning worden aangepast om strengere normering op te leggen. Er zal dan zoveel mogelijk aan de onderkant van de BBT-range worden voorgeschreven.
SNB heeft samen met deze aanvraag een verzoek conform de maatwerkvoorschriften in het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL), emissiegrenswaarden voor NOx van 150 mg/Nm3 (i.p.v. de standaard emissiegrenswaarden (EGW) van 100 mg/Nm3) en NH3 10 mg/Nm3 (i.p.v. standaard EGW van 5 mg/Nm3) te vergunnen.
SNB geeft aan dat als gevolg van de hogere stikstofconcentraties in het slib het niet mogelijk is om aan de standaardnormen uit het BAL te kunnen voldoen. In het BAL is in artikel 4.74 lid 2 en 3 de mogelijkheid geregeld om met behulp van maatwerkvoorschriften ruimer te vergunnen dan de gestelde standaardnormen.
SNB verzoekt om maatwerkvoorschriften conform het BAL. De Omgevingswet en het BAL zijn op 1 januari 2024 in werking getreden. Aangezien de ontwerpbeschikking nog voor 1 januari 2024 ter inzage heeft gelegen, geldt volgens het overgangsrecht dat we beschikken conform "oude" wetgeving (Wabo). Als gevolg van het overgangsrecht zullen normen uit de vergunning prevaleren boven de algemene voorschriften uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Wij hebben zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de normering uit het Bal.
Bij de aanvraag is een memo toegevoegd met daarin een overzicht van de daggemiddelde waarden per stof. Uit deze gegevens kunnen wij opmaken dat bij een reguliere bedrijfsvoering voldaan kan worden aan een daggemiddelde norm voor NOx (110 mg/Nm3) en ammoniak (10 mg/Nm3). Lager vergunnen is niet mogelijk gezien de fluctuaties in de emissie van beide stoffen. Deze emissiegrenswaarden hebben wij in een vergunningvoorschrift (10.1.1) vastgelegd. Daarnaast geldt voor NOx per 1 januari 2024 een maandgemiddelde emissienorm van 70 mg/Nm3 uit het Bal.
De enige momenten waarbij mogelijk niet aan de norm voor NOx kan worden voldaan, is tijdens een "OTNOC situatie" en moet ook als zodanig in het OTNOC managementplan worden meegenomen. In voorschrift 10.4.14 van deze vergunning staat onder ander een monitoringsplicht zodat ook inzicht is in de frequentie en duur van deze periode.
Monitoring van luchtemissies dient om aan te tonen dat een installatie voldoet aan de geldende emissiegrenswaarden en/of een reinigingstechniek goed werkt en/of voor procesmonitoring of -optimalisatie.
Monitoring van afvalverbrandingsinstallaties wordt in beginsel volledig bestreken door paragraaf 5.1.2 van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) omdat de betreffende emissie-eisen gesteld zijn in het Activiteitenbesluit. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de monitoring geregeld in paragraaf 4.4 van het Bal.
In het geval wij in de vergunning grenswaarden opnemen (bijv. omdat het Activiteitenbesluit geen grenswaarden geeft of in het geval wij in de vergunning afwijken van de in het Activiteitenbesluit opgenomen waarden) wordt de monitoring van die waarden geregeld in de vergunning. Tevens wordt de monitoring geregeld in de vergunning indien in de BBT-conclusies een andere monitoringsfrequentie is opgenomen dan in het Activiteitenbesluit- of Regeling. Dit hebben wij in paragraaf 4.2 van de voorschriften nader uitgewerkt.
Met betrekking tot de monitoring van de emissies zijn voor SNB de BBT-conclusies met betrekking tot de monitoring van kwik (Hg), zwaveldioxide (SO2) en zoutzuur (HCl) relevant. Voor HCl en SO2 is de BBT-conclusie dat deze stoffen continu moeten worden gemeten. Als BBT voor Hg is bepaald dat deze stof continu moet worden gemeten, tenzij het afval een bewezen laag en stabiel Hg-gehalte heeft. Op basis van artikel 2.22 lid 5 van de Wabo is in afwijking van de monitoringseisen uit artikel 5.12 van de Activiteitenregeling voor HCl, SO2 en Hg een verplichting tot het continu meten opgenomen in de voorschriften met een overgangstermijn.
Met betrekking tot de monitoring van de emissies zijn voor SNB tevens de BBTconclusies met betrekking tot de monitoring van ammoniak (NH3) en benzo(a)pyreen relevant.
Voor NH3 is de BBT-conclusie dat deze stof continu moet worden gemonitord als selectieve (niet)-katalytische reductie (S(N)CR) wordt toegepast. SNB past SNCR toe in de rookgasreiniging. Als BBT voor benzo(a)pyreen (indicator voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) is in BBT-conclusies een meting van eenmaal per jaar bepaald. In artikel 4.81a Bal is een meetverplichting van eenmaal per zes maanden geëist. De BBT-conclusies met betrekking tot de monitoring van NH3 en benzo(a)pyreen zijn als voorschriften in deze vergunning overgenomen. De meetfrequentie voor benzo(a)pyreen is aangepast conform het gestelde in artikel 4.81a Bal.
Niet reguliere emissies / storingen
Niet reguliere emissies zijn de incidentele emissies veroorzaakt door bijzondere omstandigheden, zoals:
Op basis van artikel 5.7, eerste lid, onder f, van het Bor worden voorschriften opgenomen met betrekking tot het voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu, die kunnen worden veroorzaakt door opstarten, lekken, storingen, korte stilleggingen, definitieve bedrijfsbeëindiging of andere bijzondere bedrijfsomstandigheden.
De BBT-conclusies Afvalverbranding bevat BBT-conclusies ten aanzien van niet reguliere emissies. Het gaat met name om het opstellen en implementeren van een managementplan voor OTNOC (Other than normal operation conditions) en het monitoren van emissies tijdens OTNOC (BBT 18). De BBT-conclusies zijn als voorschriften opgenomen in de vergunning.
In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grens- en richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren.
De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, te weten stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10).
De inrichting heeft voor deze stoffen een immissietoets uitgevoerd. Dit is opgenomen in de aanvraag 'Geur- en luchtkwaliteitsonderzoek N.V. Slibverwerking Noord-Brabant ten behoeve van de revisie vergunning, Olfasense, SNBM20A1, maart 2021".
Op grond van artikel 5.16 lid 1 van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria:
Het is aannemelijk dat het project verandering van de inrichting niet in betekende mate bijdraagt aan een toename van de concentratie van fijn stof en stikstofdioxide in de omgevingslucht.
Aangezien er binnen de inrichting activiteiten worden uitgevoerd als bedoeld in Bijlage I van de EG-Verordening PRTR, geldt dat conform titel 12.3 van de Wm een elektronisch PRTR-verslag moet worden ingediend.
Op grond van artikel 12.20 lid 1 Wm geldt dat de vergunninghouder de emissies (jaarvrachten) moet rapporteren.
Legionellabacteriën kunnen zich via de lucht verspreiden en een longontsteking veroorzaken. Ze worden meestal verspreid door installaties die water vernevelen, zoals bubbelbaden en 'natte' koeltorens. Sinds 2012 stijgt in Nederland het aantal legionella-infecties, maar meestal is de bron niet bekend. In 2016 en 2017 zijn er legionella-uitbraken geweest in Noord-Brabant waarbij biologische afvalwaterzuiveringsinstallaties (AWZI) zijn aangemerkt als de bron. Het RIVM heeft vervolgens de risicofactoren in beeld gebracht (bron: Briefrapport 2019-0061, 13 juni 2019). Bij installaties met deze kenmerken is het risico dat Legionella kan ontstaan, vermeerderen en vrijkomen aannemelijk. Dit geeft een risico voor de omgeving van het bedrijf.
Op basis van de beschreven legionella-uitbraken die gerelateerd zijn aan een AWZI is er een viertal risicocriteria opgesteld. Hiermee is het mogelijk een risico-inschatting te maken van de groei in en verspreiding van legionellabacteriën vanuit een AWZI. Dit zijn de volgende vier kenmerken:
Bij SNB is een biologische afvalwaterzuivering aanwezig. De biologische afvalwaterzuivering bij SNB voldoet aan bovenstaande kenmerken. Voor de biologische afvalwaterzuivering binnen het bedrijf zijn daarom voorschriften
opgenomen met betrekking tot het voorkomen van het risico van Legionella.
Indien Legionella wordt aangetroffen boven 10.000 kve/l dienen gelijk aanvullende (tijdelijke) maatregelen te worden genomen. In RIVM Briefrapport 2019-0194 is gesteld dat 10.000 kve/l de detectiegrens is voor legionella in een AWZI. Boven deze grens is Legionella dan ook aangetoond en dienen gelijk maatregelen te worden genomen.
12.7.1. ZZS, emissies vanuit de schoorstenen
Vanuit de schoorstenen worden de volgende zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) geëmitteerd naar de lucht:
De relevante ZZS zijn voor wat betreft de emissies naar lucht behandeld in de BBTconclusies Afvalverbranding. Hierin zijn voor bovengenoemde ZZS emissie-eisen en monitoringsbepalingen opgenomen.
Indien een bepaalde stof bij een bepaalde verwerkingstechniek in de BBT conclusies niet is genoemd, dan geldt voor die stof in principe de emissie-eis uit artikel 2.5 van het Activiteitenbesluit. Echter, als de betreffende stof wordt afgevangen met een rookgasreinigingstechniek die in de BBT-conclusies voor het betreffende proces is aangewezen, dan is de emissie van deze stof onlosmakelijk verbonden met de van toepassing zijnde BBT-conclusies. In dat geval is het Activiteitenbesluit toch niet van toepassing en nemen wij de middels de methodiek van het Activiteitbesluit vastgestelde emissie-eis voor de betreffende stof op in de vergunningvoorschriften. Deze situatie is van toepassing op de processen en emissies van SNB, zodat wij ook voor de stoffen die niet met naam in de BBT-conclusies genoemd worden, emissieeisen en meetverplichtingen in deze vergunning opnemen.
Als gevolg hiervan zijn de algemene voorschriften met betrekking tot ZZS niet van toepassing op SNB. Wij hebben ten behoeve van dit onderwerp dan ook aanvullende voorschriften in deze vergunning opgenomen. Ten behoeven van het voldoen aan de minimalisatieplicht hebben wij een voorschrift opgenomen waarin aansluiting is gezocht met artikel 2.4, tweede lid van het Activiteitenbesluit. Dit artikel gaat over de minimalisatieverplichting. De minimalisatieverplichting houdt in, dat de emissies van deze stoffen moeten worden voorkomen dan wel zo veel als mogelijk worden beperkt. Deze plicht geldt voor SNB voor het onderdeel lucht, afvalwater en afval.
Wij zijn van oordeel dat uit de aanvraag blijkt dat er voldoende maatregelen worden toegepast c.q. zullen worden toegepast om luchtemissies te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
In artikel 17.2, eerste lid van de Wet milieubeheer is vastgelegd dat ongewone voorvallen waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan door het bedrijf zo spoedig mogelijk aan ons moeten worden gemeld. In artikel 17.2, vierde lid is vermeld dat het bevoegd gezag in een omgevingsvergunning voor een inrichting of bij een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 8.42 voor een ongewoon voorval, waarvoor de nadelige gevolgen niet significant zijn kan bepalen dat in afwijking van artikel 17.2, eerste lid het voorval wordt geregistreerd en kan voorschrijven binnen welke termijn en op welke wijze het voorval moet worden gemeld. Deze termijn kan afwijken van de verplichting, genoemd in artikel 17.2, eerste lid, om het voorval zo spoedig mogelijk te melden.
De aanvrager heeft om toepassing verzocht van artikel 17.2, vierde lid. De inrichting is te kenmerken als een inrichting waarbij regelmatig ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu plaats kunnen vinden. De ervaring leert dat regelmatig meldingen worden ingediend, terwijl er geen sprake is van enige significante gevolgen voor het milieu. Daarmee vormt het altijd zo spoedig mogelijk moeten melden van ongewone voorvallen zonder significante gevolgen een onnodige administratieve belasting voor het bedrijf.
De inrichting heeft een meldschema ontwikkeld waarmee kan worden vastgesteld welke ongewone voorvallen kunnen worden geclassificeerd als voorval zonder significante gevolgen voor het milieu. Wij zijn van mening dat met dit meldschema voldoende onderscheid wordt gemaakt tussen ongewone voorvallen mét en zónder significante gevolgen voor het milieu.
Wij achten het echter van belang om zicht te houden op de aantallen, aard en omvang van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu. Deze kunnen een indicatie zijn of de processen (in de ruimste zin) in voldoende mate worden beheerst en de installaties deugdelijk zijn.
Daarom hebben wij, naast het toepassen van het meldschema, ook een aantal voorschriften opgenomen voor het verplicht registreren ervan en de wijze waarop wij periodiek moeten worden geïnformeerd over de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu die zich hebben voorgedaan.
Naast het inzichtelijk hebben van de ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu stellen wij echter ook eisen aan het afhandelingsproces van ongewone voorvallen binnen het bedrijf. Daarbij gaat het om zaken als signalering van de ongewone voorvallen, communicatie, onderzoek en bevoegdheden van medewerkers. De aanvrager heeft een beschrijving ingediend waarbij op hoofdlijnen inzichtelijk is gemaakt hoe het afhandelingsproces is georganiseerd. Om te borgen dat ook in de toekomst ongewone voorvallen zonder significante gevolgen voor het milieu door het bedrijf worden beschouwd hebben wij voorschriften opgenomen over het in stand houden van dat afhandelingsproces.
REACH (Registratie Evaluatie en Autorisatie van Chemische stoffen) Verordening (EC) 1907/2006 is een Europese verordening over stoffen. REACH werkt rechtstreeks. Voor een deel van de op grond van REACH geregistreerde stoffen bestaat er een autorisatieplicht. Deze stoffen mogen niet zonder meer worden gebruikt.
Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting geen stoffen worden geproduceerd, gebruikt en/of geëmitteerd waarop REACH van toepassing is.
In het kader van deze vergunning is door ons nagegaan of er sprake is van een autorisatieplicht of restricties en of aan bepaalde specifieke stoffen die de inrichting produceert, gebruikt of emitteert, op grond van REACH in de toekomst een autorisatie of restrictie verbonden kan zijn. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij rekening gehouden met REACH. De inrichting moet voldoen aan de verplichtingen uit REACH.
Voor veel inrichtingen is het zoeken naar verbetering(en) van producten en procesvoering een veelvuldig terugkerend aandachtspunt. Vaak wordt ook aan productonderzoek en/of -ontwikkeling gedaan. Dergelijke ontwikkelingen dragen veelal ook bij aan een vermindering van de belasting van het milieu.
Vanuit de geschetste achtergrond kan de behoefte bestaan en is het vaak van essentieel belang om op bepaalde momenten gedurende enige tijd proefnemingen uit te voeren. Op die manier kan informatie worden vergaard over de beoogde verbeteringen en/of aanpassingen in product of proces en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden). Doorlooptijd en/of hoeveelheid moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.
In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en moeten proefnemingen ruim voor aanvang (minimaal zes weken) bij ons voor toestemming worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieu-hygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en men wil de resultaten daarvan implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre daartoe een procedure op grond van de Omgevingswet zal moeten worden doorlopen.
Een van de kernpunten van het afvalstoffenbeleid is dat de be- en/of verwerking van afvalstoffen op een zo hoogwaardig mogelijke wijze moet plaatsvinden. Het beoordelingskader daarvoor is het LAP. Om informatie te vergaren over bijvoorbeeld de technische haalbaarheid van nieuwe hoogwaardige technieken of andere be- of verwerkingsmethoden van afvalstoffen en om inzicht te krijgen in de daaraan verbonden milieuhygiënische consequenties, kan het uitvoeren van proefnemingen van essentieel belang zijn.
Proefnemingen worden gekenmerkt door een beperkte duur (wij gaan uit van maximaal zes maanden) en een beperkte hoeveelheid afvalstoffen. Doorlooptijd en/of hoeveelheid afvalstoffen moeten echter wel voldoende zijn om de noodzakelijke informatie te kunnen vergaren.
In de aanvraag heeft aanvrager aangegeven de mogelijkheid te willen hebben om desgewenst proefnemingen uit te kunnen voeren. Wij achten dit acceptabel. Wel zijn wij van oordeel dat daaraan randvoorwaarden moeten worden gesteld en dat proefnemingen ruim voor aanvang (ten minste zes weken) bij ons voor toestemming moeten worden voorgelegd. Daartoe hebben wij voorschriften opgenomen. Tevens moet over de resultaten van de proef aan ons worden gerapporteerd.
De proefnemingen moeten plaatsvinden binnen de milieu-hygiënische randvoorwaarden van deze vergunning en mogen pas aanvangen na toestemming van ons.
Ten overvloede merken wij nog op dat indien een proef succesvol is verlopen en vergunninghouder de resultaten daarvan wil implementeren, daartoe eerst steeds zal moeten worden bezien in hoeverre een procedure op grond van de Omgevingswet zal moeten worden doorlopen.
Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de veranderingen van de activiteiten van een inrichting kan worden geconcludeerd, dat de omgevingsvergunning kan worden verleend.
In deze beschikking zijn de voor deze activiteit relevante voorschriften opgenomen.
Berekeningsmethode voor de vervuilingswaarde
De vervuilingswaarde, uitgedrukt in inwonerequivalenten (i.e.), wordt als volgt bepaald:
- N-Kj = de som van ammomiumstikstof en organisch gebonden stikstof in mg/l
Of invulling van stoffen in de Excel-tool zoals hieronder beschreven.
| Controle- voorziening | Parameters/stof | Bemonsteringswijze | Eenheid | Frequentie |
|---|---|---|---|---|
| 'Lp1 (meetinrichting 5Y 2) | CZV | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per week |
| Kjeldahl-stikstof (N-Kj) | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per week | |
| Nitraatstikstof | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per week | |
| Nitrietstikstof | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per week | |
| Chloride | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per half jaar | |
| Arseen | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per maand | |
| Kwik | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per maand | |
| Chroom | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per maand | |
| Lood | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per maand | |
| Nikkel | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per maand | |
| Koper | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per maand | |
| Zink | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per maand | |
| Zilver | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per maand | |
| EOX | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per maand | |
| PAK | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per maand | |
| Sulfaat | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per half jaar | |
| P-totaal | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per half jaar | |
| PCDD / PCDF | etmaalmonster | ng/l | 1 keer per jaar | |
| Zuurgraad | continue | pH | Continu | |
| VOX | steekmonster | Mg/l | 1 keer per kwartaal | |
| Calcium | steekmonster | mg/l | 1 keer per half jaar | |
| Magnesium | steekmonster | mg/l | 1 keer per half jaar | |
| Onopgeloste bestanddelen | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per kwartaal | |
| 'Lp1 (meetinrichting 1)' | CZV | etmaalmonster | mg/l | 4 keer per lozingsperiode* |
| Kjeldahl-stikstof (N-Kj) | etmaalmonster | mg/l | 4 keer per lozingsperiode* |
| Nitraatstikstof | etmaalmonster | mg/l | 4 keer per lozingsperiode* | |
| Nitrietstikstof | etmaalmonster | mg/l | 4 keer per lozingsperiode* | |
| Chloride | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Arseen | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Kwik | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Chroom | etmaalmonster | pg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Lood | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Nikkel | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Koper | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Zink | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Zilver | etmaalmonster | Mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| EOX | etmaalmonster | Mg/l | 2 keer per lozingsperiode* | |
| PAK | etmaalmonster | Mg/l | 2 keer per lozingsperiode* | |
| Sulfaat | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| P-totaal | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Zuurgraad | continue | pH | Continu | |
| VOX | steekmonster | Mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Calcium | steekmonster | mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Magnesium | steekmonster | mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| Onopgeloste bestanddelen | etmaalmonster | mg/l | 1 keer per lozingsperiode* | |
| 'Lp 2' | Zuurgraad | steekmonster | pH | 1 keer per jaar |
| CZV | steekmonster | mg/l | 1 keer per jaar | |
| BZV 5 | steekmonster | mg/l | 1 keer per jaar | |
| N-totaal | steekmonster | mg/l | 1 keer per jaar | |
| Som van de zware metalen chroom, koper, lood, nikkel en zink | steekmonster | Mg/l | 1 keer per jaar | |
| Minerale olie | steekmonster | mg/l | 1 keer per jaar | |
| Onopgeloste bestanddelen | steekmonster | mg/l | 1 keer per jaar |
| Bezinksel (na 60 minuten) | steekmonster | mg/l | 1 keer per jaar |
|---|---|---|---|
| Chloride | steekmonster | mg/l | 1 keer per jaar |
| PAK | steekmonster | Mg/l | 1 keer per jaarl |
| EOX | steekmonster | Mg/l | 1 keer per jaar |
* de lozingsperiode tijdens periodiek onderhoud
De in deze vergunning genoemde bemonstering, conservering en analyses dienen te worden uitgevoerd conform de onderstaande methoden:
| Parameter | Analysemethoden |
| Monstername | NEN 6600-1 (2019) |
| Conservering | NEN-EN-ISO 5667-3 (2018) |
| Bezinkbare bestanddelen | NEN 6623 (2005) |
| Biochemisch zuurstofverbruik (BZV) | NEN-EN 1899-1 (1998) |
| Chemisch zuurstofverbruik (CZV) | NEN 6633(2006) |
| Chloride | NEN-ISO 15923-1 (2013) |
| Dioxines | NEN-ISO 18073 (2004) |
| EOX | NEN 6402 (1991) |
| Fosfaat (totaal) | ontsluiting NEN-EN-ISO 6878 (2004), meting NEN-EN-ISO 15681-2 (2005) |
| Kjeldahl-stikstof (N-Kj) | Ontsluiting: NEN 6646 (2015) Meting: NEN 6646 (2006) |
| Minerale olie | NEN-EN-ISO 9377-2 (2000) |
| Nitraatstikstof | NEN-ISO 15923-1 (2013) |
| Nitrietstikstof | NEN-ISO 15923-1 (2013) |
| Onopgeloste bestanddelen | NEN-EN 872 (2005) |
| Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) | NEN-EN-ISO 17993 (2004) |
| Sulfaat | NEN-ISO 15923-1 (2013) |
| VOX | NEN 6401 (1991) |
| Zuurgraad (pH) | NEN-ISO 10523 (2008) |
| Zware metalen • antimoon,arseen, cadmium, calcium, chroom, cobalt, koper, lood, magnesium, mangaan, nikkel, thallium, tin, vanadium, zilver, zink | ontsluiting: NEN-EN-ISO 15587-1 (2002), meting: NEN-EN-ISO 17294-2 (2016) |
| Zware metalen | NEN-EN-ISO 12846 (2012) |
Een vervanging van of een wijziging in het normblad wordt automatisch van kracht, zes weken nadat de wijziging door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) op gebruikelijke wijze is gepubliceerd.
Voorzover er thans, voor in deze vergunning vermelde grootheden, geen NENvoorschriften voorhanden zijn, dient analyse plaats te vinden volgens door of namens het bevoegd gezag te geven voorschriften.
20210506 Voorlopige situatie CI
20210503 Voorlopige situatie CI
Waarde=IT / Referentie=IT
Waarde=Etmaal waarde / Referent
Rapport:
Map :
5_21\
Model Voorgrond:
Model Achtergrond
Groep:
Periode:
Toetswaarden:
Vergelijkingstabel
I:\TMO\Team
Metingen
en
Ondersoek\Zonebeheer\Moerdijk
Moerdijk\MM
IT
Moerdijk\sonebeheer
Moerdijk
2020
v
346 SB
mom
waarde
WaardesBerekende
waarden
/
ReZerentie=Berekende
waarden
| 5,00 | 46,4 | 0,0 | |||
| 5,00 | 50,4 | 50,4 | 0,0 | ||
| 02b_A | extra bewakingspunt | 5,00 | NVT | ATVT | NVT |
| NOGA | sonepunt 3 | 5,00 | 49,4 | 49,4 | 0,0 |
| 04 A | sonepunt 4 | 5,00 | 48,1 | 48,1 | 0,0 |
| 05_A | 5,00 | 46,8 | 46,0 | 0,0 | |
| O6A | 5,00 | 45,9 | 45,9 | 0,0 | |
| N07TA | 5,00 | 44,5 | 44,5 | 0,0 | |
| 5,00 | 43,7 | 43, 7 | 0,0 | ||
| 5,00 | 43,2 | 43,2 | 0,0 | ||
| N1O_A | sonepunt 10 | 5,00 | 43,4 | 43, 4 | 0,0 |
| N1I_A | sonepunt 11 | 5,00 | 44,7 | 44,7 | 0,0 |
| N12A | sonepunt 12 Moerdijk ZW | 5,00 | 47,6 | 47,6 | 0,0 |
| 1a A | sonepunt 13 Moerdijk W | 5,00 | 47,0 | 47,0 | 0,0 |
| N14 A | sonepunt 14 | 5,00 | 47,2 | 47,2 | 0,0 |
| R13_A | 5,00 | 47,5 | 0,0 | ||
| N16 A | 5,00 | 48,8 | 48,8 | 0,0 | |
| N17 A | 5,00 | 48,1 | 48,1 | 0,0 | |
| 5,00 | 48,4 | 48,4 | 0,0 | ||
| 5,00 | 48,7 | 48,7 | 0,0 | ||
| 5,00 | 48,0 | 48,0 | 0,0 | ||
| N21 A x100_A | 5,00 | 48,2 49,9 | 48,2 49,9 | ||
| 5,00 | 0,0 | ||||
| *24_A | 5,00 | 49,0 | 49,0 | 0,0 | |
| 47,1 | 0,0 | ||||
| *25 A | 5,00 | 47,1 | |||
| Schapenweg 1/2 (gw 55 dB (A) ) Koekoekendijk 14 (gw 55 dB(A) ) | 5,00 5,00 | 47,9 48,4 | 47,9 48,4 | 0,0 0,0 | |
| Blokdijk 1 (gw 55 dB(A)) | 1,50 | 44,8 | 44,9 45,8 | 0,0 | |
| Krukweg 1 (gw 55 dB(A)) | 5,00 | 45,8 45,7 | 45, 7 | 0,0 0,0 | |
| Krukweg 4 (55 dB(A)) | 5,00 | 0,0 | |||
| w32A | Dikkendijk 7 | 5,00 | 46,8 46,2 | 0,0 | |
| *31_A | Koekoekendijk 15 (gw 55 dB(A) ) | 5,00 | 49,2 | ||
| x33 A | Galgenweg 113 A (gw 55 dB (A)) Galgenweg 115 (gw 55 dB(A)) | 5,00 5,00 | 0,0 0,0 | ||
| Galgenweg 66 (gw 55 dB(A)) | 5,00 | 0,0 | |||
| *36_A | 5,00 | 48,4 | 48,4 | 0,0 | |
| 5,00 | 44,0 | 0,0 | |||
| *37_A | Krukweg 5 (gw 55 dB (A) ) ] | 44,0 | 43,2 | 0,0 | |
| x38 A | Arenbergse Singeldijk 4, 5 (50 dB (A) | 5,00 | 43,2 | ||
| Arenbergse Singeldijk 3 (gw 50 de(A}] Arenbergsesingeldijk 1 (55 dB(A)] | 5,00 5,00 | 0,0 0,0 | |||
| *41 A | 12 (gw 50 dB(A)) | 5,00 | 0,0 | ||
| *42_A | 24 (gw 5S dB(A) ) | 5,00 | 45,6 | 0,0 | |
| *43_A x44 A | 26 (gw 55 dB(A)) | 5,00 5,00 | 45,6 45,9 | 45,9 | 0,0 |
| 5,00 | 45,9 | 45,9 | 0,0 | ||
| 0,0 | |||||
| Koekoeksedijk 10 (gw 50 dB(A) ) geen HW dB(A)) | 5,00 | 0,0 | |||
| Koekoekendijk 10 (gw 55 | 5,00 | 48,8 | 48,8 | 0,0 | |
| Havendijk 3 (gw 55 dB(A)) dB(A)) | 5,00 5,00 | 47,1 | 47,1 47,0 | 0,0 | |
| Havendijk 1 (gw 55 | 5,00 | 47,0 46,6 | 46,6 | 0,0 | |
| Schansdijk 9 (gemaal) | 0,0 | ||||
| *51_A | 5,00 | ||||
| 0,0 | |||||
| *52_A *53 A | Koekoeksedijk 2 (gw 55 dB(A)) | 5,00 5,00 | 45,8 45,3 | 0,0 0,0 | |
| *54 A | Koekoeksedij k 20 (gw 50 dB(A) ) Koekoeksedijk 18 (gw 50 dB(A) ) | 5,00 5,00 | 44,6 | 0,0 0,0 | |
| *55 A | geen HW geen HW |
Bijlage I: Zonetoets
| Begrip | Definitie |
|---|---|
| Considerans | |
| Bal | Besluit activiteiten leefomgeving |
| BBT | Best Beschikbare techniek genoemd in een BBT document. |
| BREF | BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit. |
| E-PRTR | European Pollutant Release and Transfer Register. |
| Feestdagen | Feestdagen zoals gedefinieerd in de Algemene termijnenwet |
| IL&T | Inspectie Leefomgeving en Transport |
| IPPC | Integrated Pollution Prevention and Control |
| ISO 14001 | Milieumanagementsystemen - Eisen met richtlijnen voor gebruik, 2015 |
| MJV | Milieujaarverslag |
| PRTR | Zie E-PRTR. |
| REACH-verordening | REACH staat voor: Registratie, Evaluatie, Autorisatie en beperking van Chemische stoffen. REACH stelt beperkingen aan het gebruik van stoffen wanneer negatieve effecten ervan op mens en/of milieu bekend zijn, 18 december 2006. |
| RVO | Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is een uitvoerende dienst van het Nederlandse ministerie van Economische Zaken. |
| Mengen | Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling of concentraties aanwezige componenten niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Onder 'mengen' wordt in ieder geval gevat: - het samenvoegen van afvalstoffen die vallen binnen verschillende afvalcategorieë n van 'bijlage 5; L jst met gescheiden te houden afvalstoffen; |
| - het samenvoegen van afvalstoffen met niet- afvalstoffen; - verdunnen van afvalstoffen; - het samenvoegen van afvalstoffen binnen één afvalcategorie. | |
| Ontdoener | Persoon of bedrijf waar afval ontstaat en die zich van het afval wil ontdoen door het af te geven aan een inzamelaar, vervoerder handelaar, bewerker of verwerker. |
| Opbulken | Het samenvoegen van afvalstoffen die qua aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn. |
| Overslaan | Verrichten van alle handelingen op één locatie, waarbij afvalstoffen vanuit of vanaf een opbergmiddel of transportmiddel in of op een ander opbergmiddel of transportmiddel worden overgebracht. Hieronder vallen bijvoorbeeld beladen, lossen, hevelen, enz. met bijvoorbeeld kranen, transportbanden en leidingen, maar het uitvoeren van iedere verwerkingshandeling (sorteren, scheiden, spoelen, mengen, etc. etc.) valt hier niet onder. |
| Sorteren | Scheiden van een mengsel van materiaalstromen of van samengestelde materialen gescheiden in de oorspronkelijke materiaalstromen. |
| Afvalwater en waterbesparing | |
| Afvalwater | Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen. |
| Bedrijfsafvalwater | Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater. |
| Bedrijfsriolering | Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheider en controleputten voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater. |
| DAF | Dissolved Air Flotation |
| Hemelwater | Alle neerslag, zoals regen, sneeuw of hagel. |
| Huishoudelijk afvalwater | Afvalwater dat vergelijkbaar is met afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens. |
| Openbaar riool | Voorziening voor de inzameling en transport van |
| afvalwater, als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer. | |
|---|---|
| Riolering | Bedrijfsriolering of openbare riolering. |
| Bodem | |
| Bodemincident | Een incident waarvan op voorhand een redelijk vermoeden bestaat dat vrijgekomen stoffen de bodem zullen verontreinigen, dan wel een incident waarna door middel van lekdetectie of anderszins is vastgesteld dat bodemverontreiniging is opgetreden. |
| Bodemrisicodocument | Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico. |
| Verklaring vloeistofdichte voorziening | Een bewijs van inspectie waarmee aangetoond wordt dat een voorziening als vloeistofdicht wordt aangemerkt. |
| Vloeistofdichte vloer of voorziening | Vloer of voorziening direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van de vloer of voorziening kan komen. |
| Energie en vervoersmanagement | |
| Energie-audit (bij EED) | Een energieonderzoek zoals bedoeld in de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie of de AMvB/Wet die de Tijdelijke regeling opvolgt. Een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen omtrent het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten. |
| Energiekosten | Alle kosten zoals vermeld op de eindafrekening van het energiebedrijf die samenhangen met het verkrijgen van aardgas, elektriciteit, warmte (uit een distributienet) en andere brandstoffen (stookolie, gasolie, diesel) voor de |
| conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt. | |
|---|---|
| Cryogene gassen | Tot vloeistof gecondenseerde gassen met zeer lage temperaturen |
| Cryohouder | Een verplaatsbare drukhouder met warmte-isolerende bescherming voor het vervoer van sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen met een inhoud van ten hoogste 1.000 liter. |
| Drukhouder | Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryohouders en flessenbatterijen omvat. |
| Emballage | Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en Intermediate Bulk Containers (IBC's). |
| Gas | Een stof die bij 50°C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar) of bij 20°C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is. |
| Gasflessenbatterij (cilinderpakket) | Een verzameling flessen die aan elkaar zijn bevestigd en onderling door een verzamelleiding zijn verbonden en die als ondeelbare eenheid wordt vervoerd. |
| Giftige stoffen | Giftige stoffen geldt als bedoeld: voor het laden en lossen van tankwagens en ketelwagens het ADR; voor het laden en lossen alsmede de boord-boord verlading van schepen het ADN; voor opslagtanks en procesinstallaties de Wm. |
| Ongewoon voorval | Elke gebeurtenis in een inrichting, ongeacht de oorzaak van die gebeurtenis, die afwijkt van de normale bedrijfsactiviteiten - met inbegrip van storingen in het productieproces en storingen in de voorzieningen (mits daaruit nadelige gevolgen voor het milieu voortkomen) van de inrichtingen alsook ongelukken en calamiteiten - en waardoor nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of dreigen te ontstaan. |
| PGS 31 | Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, versie 1.1 oktober 2018 |
| Uitgangspuntendocument (met betrekking tot brandrisico) | Een document waarin voor een specifiek bouwwerk beschreven is welk integrale bouwkundige, installatietechnische en organisatorische maatregelen genomen worden ter afdekking van de brandrisico's. |
| UPD | Uitgangspuntendocument. Het UPD is de grondslag voor ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie van het Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussysteem (VBB-systeem) en omvat de uitgangspunten daarvoor. |
| VBS | Veiligheidsbeheerssysteem. In het VBS moet dat gedeelte van het algemene managementsysteem zijn opgenomen waartoe behoren de organisatorische structuur, de verantwoordelijkheden, de werkwijzen, de procedures, de processen en de hulpmiddelen welke het mogelijk maken het preventiebeleid voor (zware) ongevallen te bepalen en uit te voeren. |
| Geluid | |
| Geluidsgevoelige bestemmingen | Gebouwen of objecten, aangewezen in het Besluit geluidhinder krachtens de artikelen 49 en 68 van de Wet geluidhinder (Stb. 1982, 465). |
| Immissierelevante bronsterkte (LWR) | Het geluidsvermogen niveau van een rondom afstralende puntbron die op een plaats van de echte geluidsbron dan wel het broncentrum van een stelsel geluidsbron staat en op het immissiepunt hetzelfde geluidsniveau geeft als deze geluidsbron(nen). |
| Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) | Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999. |
| Maximaal geluidsniveau (LAmax) | Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms. |
| Referentieniveau | De hoogste waarde van de onder 1. en 2. genoemde niveaus, bepaald overeenkomstig het Besluit bepaling referentieniveau-periode (Stcrt. 1982, 162): het geluidsniveau, uitgedrukt in dB(A), dat gemeten over een bepaalde periode gedurende 95% van de tijd wordt overschreden, exclusief de bijdrage van de |
| inrichting zelf; het optredende equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door wegverkeerbronnen minus 10 dB(A), met dien verstande dat voor de nachtperiode van 23.00 tot 07.00uur alleen wegverkeerbronnen in rekening mogen worden gebracht met een intensiteit van meer dan 500 motorvoertuigen gedurende die periode. | |
| SBR-richtlijn B | Meet- en beoordelingsrichtlijnen, Hinder voor personen in gebouwen Deel B, Richtlijn van de Stichting Bouwresearch. Dit deel van meet- en beoordelingsrichtlijnen gaat over hinder voor personen ten gevolge van gebouwtrillingen. In dit deel van de richtlijn wordt onderscheid gemaakt ten aanzien van de functie van het gebouw, het tijdstip van de dag en het karakter van de trillingen. Tevens onderscheidt de richtlijn bestaande, gewijzigde en nieuwe situaties, augustus 2002. |
| Trilling | Mechanische beweging rond een referentiepunt dat in evenwicht is. |
| Verkeersbeweging | Het aan- of afrijden met een persoon-, bestel- of vrachtwagen. |
| Vmax | Maximale trillingssterkte. |
| Vper | Trillingssterkte over een beoordelingsperiode |
| Geur | |
| Aanvaardbaar hinderniveau | Uitkomst van het afwegingsproces van onder andere de volgende aspecten: - toetsingskader; - geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten; - aard en waardering van de geur (hedonische waarde); - klachtenpatroon; huidige en verwachte hinder; - technische en financiële consequenties van maatregelen en gevolgen daarvan voor andere emissies; - de mate waarin getroffen maatregelen ter beperking van luchtemissies overeenstemmen met BBT uit BREF's en nationale BBT- documenten; - lokale situatie (onder meer planologische ruimte, sociaal-economische aspecten en |
| andere lokale afwegingen); - historie van het bedrijf in zijn omgeving. OPMERKING Het aanvaardbaar hinderniveau voor veehouderijen verschilt met het bovenstaande en is geregeld via de Wet geurhinder en veehouderijen / het Activiteitenbesluit. | |
|---|---|
| Europese geureenheid (ouE) | Eén Europese geureenheid is de hoeveelheid geurstoffen die, bij verdamping in één kubieke meter neutraal gas onder standaard condities, een fysiologische respons oproept bij een panel (detectiegrens) gelijk aan de respons die optreedt bij verdamping van 123 ug n-butanol (CAS-Nr. 71-36-3) in één kubieke meter lucht onder standaard condities (concentratie is 0,040 umol/mol). |
| Geuremissie | Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden; De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom . |
| Geurbelasting | Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid). De geurbelasting wordt uitgedrukt in Europese geureenheden per kubieke meter lucht bij een bepaalde percentielwaarde (ouE/m3 als x-percentiel van de uurgemiddelde concentratie). De x-percentielwaarde vertegenwoordigt de tijdsfractie van een jaar waarvoor geldt dat gedurende deze tijdsfractie de geurconcentratie beneden deze aangegeven concentratie blijft of gelijk is aan deze waarde. |
| Geurconcentratie | Hoeveelheid Europese geureenheden per kubieke meter lucht (ouE/m3) onder standaardcondities. |
| Geurdrempel | Geurconcentratie van één stof of van een mix van stoffen van één Europese geureenheid per kubieke meter. |
| Geuremissie | Hoeveelheid geur die per tijdseenheid wordt geëmitteerd uitgedrukt in Europese geureenheden. De geuremissie is gelijk aan de geurconcentratie in de geëmitteerde luchtstroom vermenigvuldigd met het debiet van de luchtstroom. |
| Geurimmissie | Geurconcentratie in de omgeving (per tijdseenheid). |
| NEN-EN 13725 | Bepaling van de geurconcentratie door dynamische |
| olfactometrie. (oktober 2006). | |
|---|---|
| NEN-EN 15259 | Luchtkwaliteit - Meetmethode emissies van stationaire bronnen - Eisen voor meetvlakken en meetlocaties en voor doelstelling, meetplan en rapportage van de meting (oktober 2007). |
| Percentielwaarde | Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden. OPMERKING Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98- percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden. |
| Lucht | |
| m3 0 | Gashoeveelheid [m3] bij 273,15 K, bij 101,3 kPa, betrokken op droog gas. |
| NIBM | Niet in betekenende mate |
| NNM | Nieuw Nationaal Mode |
| NSL | Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit |
| NTA 9065 | Nederlandse Technische Afspraak 9065: Geurmeting- en berekening. Uitgegeven door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut, oktober 2012 |
| Oppervlaktebron (lucht) | Een niet gekanaliseerde bron, zonder vast emissiepunt, waaruit over een bepaald oppervlak verontreinigende stoffen in de buitenlucht worden geëmitteerd. |
| PAS | Programmatische Aanpak Stikstof |
| Percentielwaarde | Tijdfractie van het jaar dat een bepaalde geurconcentratie niet wordt overschreden. Een geurbelasting van 1 ouE/m3 als 98-percentiel van de uurgemiddelde concentratie geeft bijvoorbeeld aan dat de geurconcentratie van 1 ouE/m3 gedurende 2 % van de tijd (minder dan 176 h per jaar) wordt overschreden. |
| ppm | Concentratie-eenheid parts per million |
| Puntbron | Een gefixeerd punt van gekanaliseerde - en daarmee in principe kwantificeerbare emissies. |
| RIE | Richtlijn Industriële Emissies |
| Stortgoed | Onverpakt korrelvormig materiaal. |
| Stuifklasse | Klasse uit de stuifklasse-indeling van Bijlage 3 van het Activiteitenbesluit: S1 sterk stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S2 sterk stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S3 licht stuifgevoelig, niet bevochtigbaar, S4 licht stuifgevoelig, wel bevochtigbaar, S% nauwelijks of niet stuifgevoelig. |
| VOS | Vluchtige organische stoffen |