Het aantal monsters dat de emissiegrenswaarde van de parameter niet-ionogene detergenten overschrijdt mag, in afwijking van voorschrift 4.1.1, per jaar niet hoger zijn dan 3 monsters. 4.2.4
De emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen voor het lozen van de in voorschrift 4.1.1 genoemde parameters worden uitgevoerd volgens onderstaande analysemethodes: monstername afvalwater: NEN 6600-1; chemisch zuurstof verbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705; N-Kjeldahl: NEN 6646; chloride: ISO 15923-1 of NEN 6604; sulfaat: ISO 15923-1 of NEN 6604; EOX: NEN 6676 of NEN 6402; minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; som zware metalen: NEN 6966 of NEN 6961; cadmium: NEN 6966 of NEN 6961; kwik: NEN-ISO 12846; niet-ionogene detergenten: LCK333; onopgeloste bestanddelen: NEN-EN-872. Analyse dient uitgevoerd te worden volgens het normblad zoals dat geldt op moment van de analyse. Een wijziging in het normblad treedt automatisch inwerking 6 weken nadat de wijzigingen in de staatcourant is gepubliceerd. 4.3 Logboek 4.3.1 De vergunninghouder houdt een logboek bij, waarin in ieder geval de volgende gegevens staan vermeld: de data en de analyseresultaten van monsters die uit een controlevoorziening zijn genomen; hoeveelheden toegevoegde hulpstoffen; afwijkingen van de normale bedrijfsvoering zoals ongewone voorvallen of storingen die invloed kunnen hebben op de kwantiteit en/of kwaliteit van het afvalwater. 4.4 Inspanningsverplichting
Het aantal monsters dat de emissiegrenswaarde van de parameter niet-ionogene detergenten overschrijdt mag, in afwijking van voorschrift 4.1.1, per jaar niet hoger zijn dan 3 monsters. 4.2.4
De emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissie-eisen voor het lozen van de in voorschrift 4.1.1 genoemde parameters worden uitgevoerd volgens onderstaande analysemethodes: monstername afvalwater: NEN 6600-1; chemisch zuurstof verbruik: NEN 6633 of NEN-ISO 15705; N-Kjeldahl: NEN 6646; chloride: ISO 15923-1 of NEN 6604; sulfaat: ISO 15923-1 of NEN 6604; EOX: NEN 6676 of NEN 6402; minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2; som zware metalen: NEN 6966 of NEN 6961; cadmium: NEN 6966 of NEN 6961; kwik: NEN-ISO 12846; niet-ionogene detergenten: LCK333; onopgeloste bestanddelen: NEN-EN-872. Analyse dient uitgevoerd te worden volgens het normblad zoals dat geldt op moment van de analyse. Een wijziging in het normblad treedt automatisch inwerking 6 weken nadat de wijzigingen in de staatcourant is gepubliceerd. 4.3 Logboek 4.3.1 De vergunninghouder houdt een logboek bij, waarin in ieder geval de volgende gegevens staan vermeld: de data en de analyseresultaten van monsters die uit een controlevoorziening zijn genomen; hoeveelheden toegevoegde hulpstoffen; afwijkingen van de normale bedrijfsvoering zoals ongewone voorvallen of storingen die invloed kunnen hebben op de kwantiteit en/of kwaliteit van het afvalwater. 4.4 Inspanningsverplichting
-Voorschrift 3.5.1. Het buiten gebruik stellen van de tank -Voorschriften 3.6.1 t/m 3.6.5. Bovengrondse tankinstallatie -Voorschriften 4.2.1 t/m 4.2.11. Registratie en documentatie -Voorschriften 4.5.1 en 4.5.2. Veiligheidsmaatregelen -Voorschriften 5.2.1 t/m 5.1.3.
Beveiliging tegen mechanische beschadiging -Voorschrift 5.4.1. Brandveiligheid -Voorschriften 5.5.1 t/m 5.5.4. 7.4 Afvalwatertanks 7.4.1 Een tank mag slechts voor 95% worden gevuld. Het vullen van een tank moet zonder lekken en morsen geschieden. 7.4.2 Een tank met de daarbij behorende leidingen en appendages voor de opslag van afvalwaters met zuren, logen, sludge, slib, e.d. moet zijn uitgevoerd, geïnstalleerd en worden gerepareerd of vervangen overeenkomstig de hierna genoemde paragrafen van de BRL-K903/08: Deel I: 1.9; 3.1 t/m 3.17; 5.1 t/m 5.7; Deel II: 1.41, 5.1 t/m 5.12; Deel III: 3.1 t/m 3.3. Vergunninghouder mag in afwijking van bovenstaande andere gelijkwaardige maatregelen treffen. Onder gelijkwaardig wordt verstaan dat de alternatieve maatregelen minstens evenveel bijdragen aan de veiligheid van de installatie. 7.4.3 Vergunninghouder mag in afwijking van voorschrift 7.4.2 waarin naar BRK-K903/08 wordt verwezen een gelijkwaardig veiligheidsniveau realiseren voor tankkeuring. Voor de keuring, onderhoud en inspectie kan hiervoor gebruik worden gemaakt van de keuringsmethodiek zoals beschreven in bijlage E van de PGS29:2016 of een andere, door het bevoegd gezag goed te keuren keuringsmethodiek. De door de vergunninghouder gehanteerde keuringsmethodiek dient te worden beoordeeld en goedgekeurd door een door het NL-CBIT gecertificeerde keuringsinstantie of een door het bevoegd geaccepteerde deskundige.
4-voorschrift 3.7.39: De genoemde afvalstoffen gaan binnen de fysisch-chemische voorbehandelingsroute over de verdamper (of actiefkool/ FFU, afhankelijk van vervuilingsgraad). Het residu vanuit deze verdamper wordt nadien verwerkt middels verbranding. Derhalve zal via de bewerkingsroute overige AWZI gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie geen sprake zijn van de diffuse verspreiding van de aanwezige verontreinigingen zoals beschreven in de overweging op pagina 94. IGA verzoekt ons het voorschrift zodanig aan te passen dat daaruit blijkt dat de afvalstoffen via de beschreven route (AWZI) kunnen worden verwerkt. Reactie op zienswijze In de aanvraag is voor waterig afval met specifieke verontreinigingen de bewerkingsroute 'overige AWZI' aangegeven gericht op de eigen afvalwaterzuiveringsinstallatie. Uit de zienswijze blijkt dat de afvalstof een voorbehandelingsroute (fysisch-chemisch) ondergaat via de verdamper of het actief kool. Uit de zienswijze blijkt dat het residu van voorbehandelingsroute is gericht op de afvoerroute verbranding, We zijn van mening dat de beschreven voorbehandelingsroute en de daarbij behorende afvoerroute van het residu ertoe bijdraagt dat er geen diffuse verspreiding van de verontreiniging plaatsvindt. Het desbetreffende voorschrift is aangepast.
5-voorschrift 7.1.3: Voorgeschreven wordt dat de opslag van verpakte gevaarlijke afvalstoffen die vallen onder de ADR categorieën 4.1, 4.2 en 4. 3 'in de speciaal bestemde ruimten plaatsvinden'. Op grond van de PGS 15 is niet op voorhand opslag in afzonderlijke ruimten aangewezen. In hoofdstuk 8 van de PGS 15 zijn voor deze ADR categorieën aanvullende voorschriften opgenomen ten aanzien van de hoofdstukken 3 en 4. In voorkomende gevallen (combinaties van stoffen en hoeveelheden) kan opslag in speciale ruimten aangewezen zijn en zal IGA dat opvolgen. IGA verzoekt ons de bepaling 'moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden' voor opslag weg te laten. Reactie op zienswijze Wij zijn het eens met het verzoek van IGA om het zinsdeel 'moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimten plaatsvinden' weg te laten. In de PGS-15 wordt gesproken over opslagvoorziening voor de opslag van de genoemde ADR-klasse. Voorschrift 7.1.3 is aangepast. 6- Titel 7.2 Opslagvoorzieningen ten behoeve van gevaarlijke afvalstoffen (ruimte A t/m J): Met ruimte A t/m J wordt de overkapte opslag ter plaatse van het depot bedoeld. Daarnaast vindt volgens onze aanvraag opslag van gevaarlijke afvalstoffen plaats op de laad- en loszones en op zones voor werkvoorraden. Deze zones zijn ook aangegeven op het plattegrond van bijlage 1. IGA verzoekt ons de titel te wijzigen in 'Opslagvoorzieningen ten behoeve van gevaarlijke afvalstoffen' en hierbij de specifieke verwijzing naar 'ruimte A t/m J' te verwijderen. Reactie op zienswijze Bij IGA zijn voor de opslag van gevaarlijke stoffen diverse opslagvoorzieningen aanwezig. Door alleen de ruimte A t/m J te benoemen, kan de indruk worden gewekt dat er geen andere opslagvoorzieningen voor gevaarlijke stoffen binnen IGA zijn, wat onterecht is. Door het zinsdeel 'ruimte A t/m J' achterwege te laten, dekt de titel 7.2 beter de lading voor de opslag van gevaarlijke stoffen. De tekst van titel 7.2 is aangepast.
7-voorschrift 7.4.3 Voor onderhoud en inspectie van afvalwatertanks wordt toegestaan om naast de BRL-K903/08 gebruik te maken van een gelijkwaardig niveau van tankkeuring. Voor wat betreft onderhoud en inspectie wordt in dit kader de richtlijn EEMUA 159 genoemd. Los hiervan wordt voorgeschreven dat de keuringsmethodiek zoals gehanteerd door gecertificeerde keuringsinstanties ter goedkeuring aan het bevoegd gezag wordt overlegd. IGA verzoekt ons om de richtlijn EEMUA 159 goed te keuren als toe te passen norm voor keuring, onderhoud en inspectie van afvalwatertanks. Voor wat betreft de door gecertificeerde keuringsinstanties gehanteerde keuringsmethodiek verzoeken wij u de verplichting om deze ook nog aan het bevoegd gezag ter goedkeuring voor te leggen achterwege te laten. Verondersteld mag worden dat de expertise van dergelijke instanties toereikend is voor een juiste situatiegerichte keuze van de methodiek. Reactie op zienswijze Voorschrift 7.4.3 geeft IGA de mogelijkheid om van voorschrift 7.4.2, waarin de BRL-903/08 is genoemd, af te wijken. De verplichting om de door de gecertificeerde keuringsinstanties gehanteerde keuringsmethodiek niet aan het bevoegd gezag ter goedkeuring voor te leggen, wordt gehonoreerd. Wij vinden de keuringsmethodieken voor keuring, onderhoud en inspectie die beoordeeld en goedgekeurd zijn door een gecertificeerde keuringsinstantie, door de nieuwe inzichten zoals verwoord in bijlage E van PGS 29, voldoende toereikend. Wij stemmen in met het verzoek van IGA de keuringsmethodieken niet aan het bevoegd gezag voor te leggen. Voorschrift 7.4.3 is aangepast.
8-voorschrift 11.3 Voorgeschreven wordt dat ongewone voorvallen die volgens de meldprocedure bij de aanvraag zijn geclassificeerd als zonder significante gevolgen voor het milieu, binnen 24 uur zijn opgenomen in het registratiesysteem. In het beslisschema van de procedure is hiervoor een termijn opgenomen van één werkdag. IGA verzoekt ons een termijn van één werkdag voor te schrijven in plaats van 24 uur. Reactie op zienswijze In voorschrift 11.3 is opgenomen dat ongewone voorvallen (zonder significante gevolgen voor het milieu) binnen 24 uur moeten zijn opgenomen in het registratiesysteem. Naar aanleiding van een telefonisch onderhoud, is door IGA aangegeven dat zij de opgenomen 24 uur niet praktisch vinden. Bij een feestdag aansluitend op een ongewone voorval zonder significante gevolgen kan IGA bijvoorbeeld niet aan dit voorschrift voldoen. Dit is de reden dat de termijn van één werkdag ook is opgenomen in hun meldingsprocedure. Gelet op deze argumentatie en rekening houdend met bedoeld ongewone voorval zonder significante gevolgen, gaan we akkoord met het verzoek van IGA om een termijn van één werkdag voor te schrijven in plaats van 24 uur. Voorschrift 11.3 is gewijzigd. 9-met betrekking tot de overwegingen hoofdstuk 5 (afvalwater) Onder titel 'G. Drainagewater', wordt gesteld dat het drainagewater wordt ingevoerd in de biologische zuivering. In de overwegingen bij de gecoördineerde ontwerp watervergunning paragraaf 4.2.2. staat voor de overeenkomstige deelstroom drainagewater beschreven dat 'de vervuilingsgraad bepaalt of dit afvalwater naar de biologische zuivering gaat of dat het (indien schoon genoeg) naar de hemelwater-schoon-vijver kan'.
10-voorschrift 2 lozingseisen ontwerp watervergunning Op pagina 4 van de ontwerpbeschikking is in tabel A 'lozingspunt WS, meetpunt 1b (Effluent AWZI)' voor stikstof totaal de volgende lozingseis opgenomen: Zoals eerder gebleken tijdens ons overleg op d.d. 24 maart 2016 is het vaststellen van een lozingseis voor stikstof-totaal gecompliceerd. Gezien de concentratie van stikstof in het influent van onze biologie sterk fluctueert met het marktaanbod (aanbod stikstofrijke/stikstofarme afvalwaters) is tevens de aanwezigheid van voldoende nitrificeerders/denitrificeerders op enig moment in de zuivering onzeker. Op basis van de nadien overlegde analyseresultaten van stikstof totaal in 2014/2015 (zie mail van d.d. 1 en 20 april 2016), is op te maken dat een concentratie van gemiddeld 88 mg/l aanwezig is in het effluent. Gezien de geschetste situatie met betrekking tot de markt afhankelijkheid is het zonder nader onderzoek naar stikstofverwijdering, zoals opgenomen onder voorschrift 5, niet realistisch nu al een lozingseis op te nemen van 75 mg/l (gemiddelde concentratie over 10 monsters). Omdat er sprake kan zijn van aanzienlijke schommelingen van de influent stikstof concentratie, wordt voorgesteld een maximale jaarvracht van 12.500 kg stikstof-totaal per jaar (100 mg/l * 125.000 m 3 ) in de vergunning op te nemen of anders een lozingseis van 100 mg/l (gemiddelde concentratie over 10 monsters). Met de voorgestelde maximale jaarvracht of aangepaste lozingseis als uitgangspunt, kan vervolgens op basis van voorschrift 5 worden nagegaan of verdere optimalisatie haalbaar is. Op deze wijze levert IGA de benodigde inspanning voor mogelijke optimalisatie van stikstofverwijdering en blijft de continuïteit gewaarborgd. Resumerend verzoeken IGA de lozingseis van 75 mg/l (gemiddelde concentratie over 10 monsters) zoals reeds opgenomen in de ontwerpbeschikking te vervangen voor een maximale jaarvracht van 12.500 kg stikstof-totaal per jaar of een lozingseis van 100 mg/l (gemiddelde concentratie over 10 monsters). Reactie op zienswijze Deze zienswijze heeft betrekking op de ontwerp-vergunning op grond van de Waterwet. De zienswijze zal in dat kader behandeld worden door het betreffende bevoegd gezag, Rijkswaterstaat. 1.7 Adviezen, aanwijzing Minister, Verklaring van geen bedenkingen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden: Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Terneuzen; Rijkswaterstaat Zee & Delta; Waterschap Scheldestromen; Inspectie SZW Directie MHC, Team west; Het bestuur van de Veiligheidsregio Zeeland, Afdeling Risicobeheersing. Inspectie L&T regio Zuid-West; Naar aanleiding hiervan hebben wij de volgende adviezen ontvangen: Gemeente Terneuzen
voorschrift 3.4.3 is aangepast;
voorschrift 3.7.39 is aangepast;
derde bullet van voorschrift 3.7.28 is aangepast;
voorschrift 7.1.3 is anders geredigeerd; kop van titel/paragraaf 7.2 is aangepast;
voorschrift 7.4.3 is aangepast;
voorschrift 11.3 is aangepast; voorschriften 7.1.1 en 7.2.1 zijn aangepast aan PGS 15:2016. Na de publicatie van de ontwerpvergunning is de PGS:15:2016 gepubliceerd. In die PGS zijn de nieuwste inzichten in BBT vastgelegd. In de voorschriften 7.1.1 en 7.2.1 hebben wij de verwijzing naar de PGS 15:2011 daarom aangepast naar de PGS 15:2016. De grondslag van de aanvraag is daarbij niet verlaten. Voor de volledigheid verwijzen wij naar de kop 'OVERWEGINGEN MILIEU', onder paragraaf 2.2, van dit besluit. Tevens is de consideranstekst waar nodig deels aangepast.