Tenminste een week voor de aanvang van de afvalwaterlozing bij periodiek onderhoud van de biologische afvalwaterzuivering, zoals opgenomen in voorschrift 4.2.2, dient dit gemeld te worden aan het bevoegd gezag.
Uiterlijk 48 uur na de beëindiging van de afvalwaterlozing bij periodiek onderhoud van de biologische afvalwaterzuivering, zoals opgenomen in voorschrift 4.2.2, dient dit gemeld te worden aan het bevoegd gezag. — 4.4 Lozingsnormen lozingspunt 1 meetinrichting 2 De in onderstaande tabel genoemde parameters/stoffen mogen ter plaatse van meetinrichting 2 niet meer bedragen dan de daarbij vermelde waarden:
De afvoerhoeveelheid per jaar van voorschrift 4.4.1b en 4.5.1b tezamen mag niet meer bedragen dan 260.000 m3._
De afvoerhoeveelheid per etmaal van voorschrift 4.4.1a en 4.5.1a tezamen mag niet meer bedragen dan 990 m3.
De vervuilingswaarde, zoals bedoeld in voorschrift 4.4.1 en 4.5.1 dient te worden bepaald op de wijze zoals is aangegeven in de bij deze vergunning behorende bijlage I. Lozingsnormen ter plaatse van controleput 'lp 2'
De afvoerhoeveelheid per jaar van voorschrift 4.4.1b en 4.5.1b tezamen mag niet meer bedragen dan 260.000 m3._
De afvoerhoeveelheid per etmaal van voorschrift 4.4.1a en 4.5.1a tezamen mag niet meer bedragen dan 990 m3.
De vervuilingswaarde, zoals bedoeld in voorschrift 4.4.1 en 4.5.1 dient te worden bepaald op de wijze zoals is aangegeven in de bij deze vergunning behorende bijlage I. Lozingsnormen ter plaatse van controleput 'lp 2'
Het in voorschrift 4.10.1 bedoelde vermijdings- en reductieprogramma dient minimaal de volgende informatie te bevatten: de mate waarin deze zeer zorgwekkende stoffen met het afvalwater geloosd worden; de reeds toegepaste technieken om de emissie van deze zeer zorgwekkende stoffen zoveel mogelijk te voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, te beperken; de resultaten van de immissietoetsen van deze zeer zorgwekkende stoffen; een vermijdings- en reductieplan, gericht op het zoveel als technisch en kostentechnisch haalbaar is verder beperken van deze emissies. Het vermijdings- en reductieplan dient te worden opgezet conform het Stappenplan vermijdings- en reductieprogramma van Kenniscentrum InfoMil. Het vermijdings- en reductieplan behoeft de goedkeuring van het bevoegd gezag. 4.11 Onderzoeksverplichting lozing antimoon, cobalt, mangaan, vanadium en tin. Uiterlijk 6 maanden na het van kracht worden van deze vergunning dient door de vergunninghouder een onderzoek te zijn uitgevoerd en daarvan aan het bevoegd gezag een rapport te zijn overgelegd naar de aanwezigheid van antimoon, cobalt, mangaan, vanadium en tin in het gezuiverde bedrijfsafvalwater dat via meetinrichting 2 geloosd wordt.
Uiterlijk 12 maanden na het van kracht worden van deze vergunning dient door de vergunninghouder een onderzoek te zijn uitgevoerd naar de best beschikbare technieken om de emissie van de in voorschrift 4.11.1 genoemde aanwezige parameters te verminderen. Het onderzoek als bedoeld in voorschriften 4.11.1 en 4.11.2 dient te worden opgezet in overleg met de afdeling VTH van waterschap Brabantse Delta en behoeft de instemming van het bevoegd gezag. 4.12 Meet- en bemonsteringsvoorzieningen.
Het via lozingspunt 1 te lozen afvalwater, zoals bedoeld in voorschrift 4.2.1, dient te allen tijde te kunnen worden onderworpen aan continue afvoerhoeveelheid met registratie en integratie en proportionele bemonstering. Daartoe dient het gezuiverde bedrijfsafvalwater via een voorziening voor continue afvoerhoeveelheidsmeting en bemonstering ('lp 1 (meetinrichting 2)1) te worden geleid, die de instemming heeft van het bevoegd gezag.
Het via lozingspunt 1 te lozen afvalwater, zoals bedoeld in voorschrift 4.2.2, dient te allen tijde te kunnen worden onderworpen aan continue afvoerhoeveelheid met registratie en integratie en proportionele bemonstering. Daartoe dient het gezuiverde bedrijfsafvalwater via een voorziening voor continue afvoerhoeveelheidsmeting en bemonstering ('lp 1 (meetinrichting 1)') te worden geleid, die de instemming heeft van het bevoegd gezag. Het via lozingspunt 2 te lozen mogelijk verontreinigd hemelwater dient te allen tijde te kunnen worden bemonsterd. Daartoe dient dit hemelwater via een controleput ('lp 2') te worden geleid, die geschikt is voor bemonsteringsdoeleinden en die de instemming heeft van het bevoegd gezag.
De controlevoorzieningen zoals bedoeld in voorschrift 4.12.1 tot en met 4.12.3 dienen zodanig te worden geplaatst, dat deze voor inspectie goed bereikbaar en toegankelijk zijn. Verder dienen de controlevoorzieningen in goede staat van onderhoud te verkeren en vakkundig te worden bediend. Aanwijzingen hieromtrent van of vanwege het bevoegd gezag moeten worden opgevolgd. 4.13 Meten, bemonsteren en analyseren. Het te lozen bedrijfsafvalwater dient door of vanwege vergunninghouder door meting, bemonstering en analyse te worden gecontroleerd. De frequentie van het afvalwateronderzoek en de parameters/stoffen dient te worden uitgevoerd zoals aangegeven in de tabel in bijlage III. De via 'lp 1' geloosde hoeveelheid afvalwater dient dagelijks te worden vastgesteld. De bemonstering, conservering en analyses van de in deze vergunning genoemde parameters moeten worden uitgevoerd conform de methoden, waarnaar verwezen wordt in bijlage IV van deze vergunning. De wijze van het te verrichten onderzoek, alsmede de wijze van rapporteren behoeven de instemming van het bevoegd gezag. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat met een lagere onderzoeksfrequentie, dan wel met een geringer aantal parameters/stoffen kan worden volstaan, kan het bevoegd gezag op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek aldus besluiten.
Indien uit onderzoeksresultaten blijkt dat met andere analysemethoden gelijkwaardige resultaten kunnen worden bereikt als die met in voorschrift 4.13.4 bedoelde methoden mogen die, na verkregen toestemming van het bevoegd gezag, worden gebruikt. 4.14 Rapportage Jaarlijks, uiterlijk op 1 april, dient opgave te zijn gedaan aan het bevoegd gezag van de volgende op het voorafgaande kalenderjaar betrekking hebbende gegevens: Het afvalwater ter plaatse van lozingspunt 1 (voor meetinrichting 1 + meetinrichting 2): de geloosde hoeveelheid afvalwater in m3/jaar. Het afvalwater ter plaatse van meetinrichting 2: de geloosde hoeveelheid afvalwater in m3/jaar; de jaargemiddelde vervuilingswaarde van het afvalwater in i.e./etmaal; de vracht aan N-totaal, arseen, kwik, lood, nikkel, EOX, PAK in het afvalwater in kg/jaar. Het afvalwater ter plaatse van meetinrichting 1: de geloosde hoeveelheid afvalwater in m3/jaar. Algemeen: de aard en hoeveelheid van de gebruikte chemicaliën in de ABI, stoomketels en de onthardingsinstallatie;
De controlevoorzieningen zoals bedoeld in voorschrift 4.12.1 tot en met 4.12.3 dienen zodanig te worden geplaatst, dat deze voor inspectie goed bereikbaar en toegankelijk zijn. Verder dienen de controlevoorzieningen in goede staat van onderhoud te verkeren en vakkundig te worden bediend. Aanwijzingen hieromtrent van of vanwege het bevoegd gezag moeten worden opgevolgd. 4.13 Meten, bemonsteren en analyseren. Het te lozen bedrijfsafvalwater dient door of vanwege vergunninghouder door meting, bemonstering en analyse te worden gecontroleerd. De frequentie van het afvalwateronderzoek en de parameters/stoffen dient te worden uitgevoerd zoals aangegeven in de tabel in bijlage III. De via 'lp 1' geloosde hoeveelheid afvalwater dient dagelijks te worden vastgesteld. De bemonstering, conservering en analyses van de in deze vergunning genoemde parameters moeten worden uitgevoerd conform de methoden, waarnaar verwezen wordt in bijlage IV van deze vergunning. De wijze van het te verrichten onderzoek, alsmede de wijze van rapporteren behoeven de instemming van het bevoegd gezag. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat met een lagere onderzoeksfrequentie, dan wel met een geringer aantal parameters/stoffen kan worden volstaan, kan het bevoegd gezag op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek aldus besluiten.
Indien uit onderzoeksresultaten blijkt dat met andere analysemethoden gelijkwaardige resultaten kunnen worden bereikt als die met in voorschrift 4.13.4 bedoelde methoden mogen die, na verkregen toestemming van het bevoegd gezag, worden gebruikt. 4.14 Rapportage Jaarlijks, uiterlijk op 1 april, dient opgave te zijn gedaan aan het bevoegd gezag van de volgende op het voorafgaande kalenderjaar betrekking hebbende gegevens: Het afvalwater ter plaatse van lozingspunt 1 (voor meetinrichting 1 + meetinrichting 2): de geloosde hoeveelheid afvalwater in m3/jaar. Het afvalwater ter plaatse van meetinrichting 2: de geloosde hoeveelheid afvalwater in m3/jaar; de jaargemiddelde vervuilingswaarde van het afvalwater in i.e./etmaal; de vracht aan N-totaal, arseen, kwik, lood, nikkel, EOX, PAK in het afvalwater in kg/jaar. Het afvalwater ter plaatse van meetinrichting 1: de geloosde hoeveelheid afvalwater in m3/jaar. Algemeen: de aard en hoeveelheid van de gebruikte chemicaliën in de ABI, stoomketels en de onthardingsinstallatie;
De controlevoorzieningen zoals bedoeld in voorschrift 4.12.1 tot en met 4.12.3 dienen zodanig te worden geplaatst, dat deze voor inspectie goed bereikbaar en toegankelijk zijn. Verder dienen de controlevoorzieningen in goede staat van onderhoud te verkeren en vakkundig te worden bediend. Aanwijzingen hieromtrent van of vanwege het bevoegd gezag moeten worden opgevolgd. 4.13 Meten, bemonsteren en analyseren. Het te lozen bedrijfsafvalwater dient door of vanwege vergunninghouder door meting, bemonstering en analyse te worden gecontroleerd. De frequentie van het afvalwateronderzoek en de parameters/stoffen dient te worden uitgevoerd zoals aangegeven in de tabel in bijlage III. De via 'lp 1' geloosde hoeveelheid afvalwater dient dagelijks te worden vastgesteld. De bemonstering, conservering en analyses van de in deze vergunning genoemde parameters moeten worden uitgevoerd conform de methoden, waarnaar verwezen wordt in bijlage IV van deze vergunning. De wijze van het te verrichten onderzoek, alsmede de wijze van rapporteren behoeven de instemming van het bevoegd gezag. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat met een lagere onderzoeksfrequentie, dan wel met een geringer aantal parameters/stoffen kan worden volstaan, kan het bevoegd gezag op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek aldus besluiten.
Indien uit onderzoeksresultaten blijkt dat met andere analysemethoden gelijkwaardige resultaten kunnen worden bereikt als die met in voorschrift 4.13.4 bedoelde methoden mogen die, na verkregen toestemming van het bevoegd gezag, worden gebruikt. 4.14 Rapportage Jaarlijks, uiterlijk op 1 april, dient opgave te zijn gedaan aan het bevoegd gezag van de volgende op het voorafgaande kalenderjaar betrekking hebbende gegevens: Het afvalwater ter plaatse van lozingspunt 1 (voor meetinrichting 1 + meetinrichting 2): de geloosde hoeveelheid afvalwater in m3/jaar. Het afvalwater ter plaatse van meetinrichting 2: de geloosde hoeveelheid afvalwater in m3/jaar; de jaargemiddelde vervuilingswaarde van het afvalwater in i.e./etmaal; de vracht aan N-totaal, arseen, kwik, lood, nikkel, EOX, PAK in het afvalwater in kg/jaar. Het afvalwater ter plaatse van meetinrichting 1: de geloosde hoeveelheid afvalwater in m3/jaar. Algemeen: de aard en hoeveelheid van de gebruikte chemicaliën in de ABI, stoomketels en de onthardingsinstallatie;
Bij de risicoanalyse, bedoeld in voorschrift 4.15.1, worden in ieder geval de volgende risicofactoren betrokken: het risico op vermeerdering van legionellabacteriën in de biologische (afval)waterzuivering door: de aard en kwaliteit van het water en entslib dat wordt gebruikt/behandeld; de temperatuur van het water in de diverse processtappen; het soort beluchting van het water; de bedrijfsvoering van de biologische (afval)waterzuivering (kan aerosolvorming/verneveling plaatsvinden); de effectiviteit van beheersmaatregelen met betrekking tot legionellabacteriën; de risico's voor de omgeving te bepalen via verspreiding naar lucht en via effluent en (ent/surplus)slib.
Bij de risicoanalyse, bedoeld in voorschrift 4.15.1, worden in ieder geval de volgende risicofactoren betrokken: het risico op vermeerdering van legionellabacteriën in de biologische (afval)waterzuivering door: de aard en kwaliteit van het water en entslib dat wordt gebruikt/behandeld; de temperatuur van het water in de diverse processtappen; het soort beluchting van het water; de bedrijfsvoering van de biologische (afval)waterzuivering (kan aerosolvorming/verneveling plaatsvinden); de effectiviteit van beheersmaatregelen met betrekking tot legionellabacteriën; de risico's voor de omgeving te bepalen via verspreiding naar lucht en via effluent en (ent/surplus)slib.
In het in voorschrift 5.1.2 genoemde plan van aanpak moet, naast een beschrijving hoe een aanvaardbaar bodemrisico wordt bereikt, ook worden beschreven op welke wijze, op een natuurlijk moment, een verwaarloosbaar bodemrisico zal worden bereikt. Monitoringsresultaten moeten na elke monitoringsronde worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag. Indien de meetresultaten daar aanleiding toe geven kan het bevoegd gezag eisen dat het monitoringssysteem of het monitoringprogramma wordt aangepast. Binnen twee maanden na een schriftelijke aanwijzing moet het monitoringssysteem zijn gewijzigd respectievelijk moet monitoring plaatsvinden overeenkomstig de aanwijzing.
In het in voorschrift 5.1.2 genoemde plan van aanpak moet, naast een beschrijving hoe een aanvaardbaar bodemrisico wordt bereikt, ook worden beschreven op welke wijze, op een natuurlijk moment, een verwaarloosbaar bodemrisico zal worden bereikt. Monitoringsresultaten moeten na elke monitoringsronde worden gerapporteerd aan het bevoegd gezag. Indien de meetresultaten daar aanleiding toe geven kan het bevoegd gezag eisen dat het monitoringssysteem of het monitoringprogramma wordt aangepast. Binnen twee maanden na een schriftelijke aanwijzing moet het monitoringssysteem zijn gewijzigd respectievelijk moet monitoring plaatsvinden overeenkomstig de aanwijzing.
De opslagvoorziening AB12 moet voldoen aan beschermingsniveau 4, zoals bedoeld in voorschrift 4.2.1 (tabel 4.1) van de PGS 15 versie 1.0 september 2016. OPSLAG VAN GASFLESSEN (ADR-KLASSE 2) De opslag van gasflessen (ADR-klasse 2) moet in de speciaal daarvoor bestemde ruimte plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de richtlijn PGS 15 versie 1.0 september 2016: 6.1.1 tot en met 6.2.19; 6.3.1 tot en met 6.3.6. 7.3 PGS 31: Opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties (locatie nummer 107, 108 en 109) De tankinstallaties met een inhoud van 0,30 m3 tot en met 150 m3, welke zijn bestemd voor de drukloze opslag van de conform ADR gedefinieerde gevaarlijke vloeibare stoffen en mengsels en voor de drukloze opslag van vloeibare stoffen en mengsels die vanuit CLP verordening als CMR zijn gekenmerkt, en waar de PGS 15, PGS 28, PGS 29 en PGS 30 niet op van toepassing zijn, moeten met inbegrip van alle direct daaraan gerelateerde activiteiten voldoen aan onderstaande voorschriften uit de PGS 31:2018 versie 1.1 oktober 2018: 2.2.1 tot en met 2.2.21; 2.2.22 en 2.2.23; 2.2.24 tot en met 2.2.29; 2.2.33; 2.3.10 tot en met 2.3.15; 3.1.1 en 3.1.2; 3.2.1 tot en met 3.2.4; 3.2.5 tot en met 3.2.9; 3.2.13 tot en met 3.2.20; 4.1.1; 4.2.1 tot en met 4.2.5; 4.3.1 tot en met 4.3.4; 4.4.1 en 4.4.2; 5.2.1 tot en met 5.2.3; 5.3.1; 5.3.6 en 5.3.7; 5.4.2 tot en met 5.4.4; 5.6.1 en 5.6.2;
Tank 108 mag in afwijking van voorschrift 6.4.3 op minder dan 5 meter afstand van het dichtstbijzijnde gebouw staan, zolang een WBDBO van ten minste 60 minuten van de constructie is gewaarborgd. 7.4 Gelijkwaardigheidsbeginsel Voor de toepassing van de PGS 9, 15, 30 en 31 geldt het gelijkwaardigheidsbeginsel. Daarbij kunnen andere maatregelen worden getroffen dan in de voorschriften zijn opgenomen. Voor het toepassen van deze maatregelen moeten die gegevens worden overgelegd waaruit blijkt dat minimaal een gelijkwaardige bescherming van het milieu, arbeidsveiligheid of brandveiligheid kan worden bereikt. Het bevoegd gezag beoordeelt of een gelijkwaardige bescherming wordt bereikt. 8 GELUID 8.1 Algemeen Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moeten plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999. | Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of plaatsvindende activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van de in onderstaande tabel 1 genoemde referentiepunten op een hoogte van 5 meter boven het plaatselijk maaiveld niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden. Tabel 1. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in dB(A) (LAr,LT)
Tank 108 mag in afwijking van voorschrift 6.4.3 op minder dan 5 meter afstand van het dichtstbijzijnde gebouw staan, zolang een WBDBO van ten minste 60 minuten van de constructie is gewaarborgd. 7.4 Gelijkwaardigheidsbeginsel Voor de toepassing van de PGS 9, 15, 30 en 31 geldt het gelijkwaardigheidsbeginsel. Daarbij kunnen andere maatregelen worden getroffen dan in de voorschriften zijn opgenomen. Voor het toepassen van deze maatregelen moeten die gegevens worden overgelegd waaruit blijkt dat minimaal een gelijkwaardige bescherming van het milieu, arbeidsveiligheid of brandveiligheid kan worden bereikt. Het bevoegd gezag beoordeelt of een gelijkwaardige bescherming wordt bereikt. 8 GELUID 8.1 Algemeen Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moeten plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999. | Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of plaatsvindende activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van de in onderstaande tabel 1 genoemde referentiepunten op een hoogte van 5 meter boven het plaatselijk maaiveld niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden. Tabel 1. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in dB(A) (LAr,LT)
Tank 108 mag in afwijking van voorschrift 6.4.3 op minder dan 5 meter afstand van het dichtstbijzijnde gebouw staan, zolang een WBDBO van ten minste 60 minuten van de constructie is gewaarborgd. 7.4 Gelijkwaardigheidsbeginsel Voor de toepassing van de PGS 9, 15, 30 en 31 geldt het gelijkwaardigheidsbeginsel. Daarbij kunnen andere maatregelen worden getroffen dan in de voorschriften zijn opgenomen. Voor het toepassen van deze maatregelen moeten die gegevens worden overgelegd waaruit blijkt dat minimaal een gelijkwaardige bescherming van het milieu, arbeidsveiligheid of brandveiligheid kan worden bereikt. Het bevoegd gezag beoordeelt of een gelijkwaardige bescherming wordt bereikt. 8 GELUID 8.1 Algemeen Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moeten plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999. | Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of plaatsvindende activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van de in onderstaande tabel 1 genoemde referentiepunten op een hoogte van 5 meter boven het plaatselijk maaiveld niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden. Tabel 1. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in dB(A) (LAr,LT)
Tank 108 mag in afwijking van voorschrift 6.4.3 op minder dan 5 meter afstand van het dichtstbijzijnde gebouw staan, zolang een WBDBO van ten minste 60 minuten van de constructie is gewaarborgd. 7.4 Gelijkwaardigheidsbeginsel Voor de toepassing van de PGS 9, 15, 30 en 31 geldt het gelijkwaardigheidsbeginsel. Daarbij kunnen andere maatregelen worden getroffen dan in de voorschriften zijn opgenomen. Voor het toepassen van deze maatregelen moeten die gegevens worden overgelegd waaruit blijkt dat minimaal een gelijkwaardige bescherming van het milieu, arbeidsveiligheid of brandveiligheid kan worden bereikt. Het bevoegd gezag beoordeelt of een gelijkwaardige bescherming wordt bereikt. 8 GELUID 8.1 Algemeen Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moeten plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999. | Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of plaatsvindende activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van de in onderstaande tabel 1 genoemde referentiepunten op een hoogte van 5 meter boven het plaatselijk maaiveld niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden. Tabel 1. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in dB(A) (LAr,LT)
Onverminderd het gestelde in voorschrift 8.1.2 mag het maximale ge luidniveau (LAmax) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en plaatsvindende activiteiten, ter plaatse van de gevel van enige niet tot de inrichting behorende woning van derden niet meer bedragen dan: 70 dB(A), tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode); 65 dB(A), tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode); 60 dB(A), tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode). 9 GEUR 9.1 Algemeen Geur reducerende voorzieningen moeten voor de goede werking, onder optimale condities in bedrijf worden gehouden en moeten zo vaak als voor een goede werking noodzakelijk is worden vervangen en gereinigd, doch ten minste eenmaal per kwartaal worden onderhouden en geïnspecteerd. | Van het onderhoud en de inspectie moet verslag worden gelegd in een logboek, dat ter plaatse altijd voor de toezichthouder ter inzage beschikbaar moet zijn. 10 LUCHT 10.1 Emissie-eisen De emissies uit de rookgasreinigingsinstallaties van de lijnen 1, 2, 3 en 4 mogen de waarden in de onderstaande tabel niet overschrijden. gasvormige en vluchtige organische componenten, als totaal organisch koolstof. Sb, As, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V. Uitgedrukt in een gewogen jaargemiddelde van alle vier de rookgasreinigingsinstallaties. *) voor stikstofoxiden geldt rechtstreekse regelgeving voor het maandgemiddelde uit tabel van het Besluit activiteiten leefomgeving. **) voor koolmonoxide geldt rechtstreekse regelgeving uit tabel 4.73 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor het tienminutengemiddelde (95% van de 10minutengemiddelden in een kalenderjaar overschrijden de emissiegrenswaarde niet).
Uiterlijk 12 maanden na vervanging van de gaswasser van de rookgasreiniging moet vergunninghouder een rapportage overleggen waaruit blijkt welke (dag)gemiddelde normen van alle in voorschrift 10.1.1 genoemde componenten behaald kunnen worden. De stofconcentratie in de gereinigde afgevoerde lucht van de silo's voor as, zand, kalk en andere hulpstoffen mag niet meer bedragen dan 5 mg/Nm3. 10.2 Diffuse emissies Alle ruimten en middelen/systemen gebruikt voor opslag en transport van sterk stuifgevoelige stoffen (stuifklasse S1 en S2) moeten zoveel mogelijk gesloten zijn uitgevoerd, zodat er geen stof buiten deze ruimten en middelen/systemen kan geraken. Indien bij opslag en transport van genoemde ruimten en middelen/systemen transportlucht naar de buitenlucht wordt afgevoerd, dan moet dit door middel van een (doek)filter gebeuren. 10.3 Bedrijven van de rookgasreinigingsinstallatie De lucht/rookgassen afkomstig van het verbrandingsproces bij iedere verbrandingslijn moeten worden behandeld in een goed werkende rookgasreinigingsinstallatie. Indien er gepland onderhoud wordt uitgevoerd aan een rookgasreinigingsinstallatie mag dit onderhoud geen effect hebben op de werking van de rookgasreinigingsinstallatie. Indien onderhoud mogelijke effecten heeft moet de verbranding worden gestopt en moeten alle
De volgende gegevens met betrekking tot de onder voorschrift 12.2.1 bedoelde stoffen moeten worden vastgelegd c.q. overgelegd voor goedkeuring: Gegevens van de stof: naam, CAS-nummer, concentratie, actueel veiligheidsinformatieblad. Motivatie waarom deze stof niet kan worden vermeden. De te verwachten hoeveelheid van deze stof in het afvalwater, lucht en afval. Een schatting van de immissieconcentratie. Een opgave van de datum van het in gebruik nemen van het product. Een omschrijving van het proces waarbij de stof vrijkomt. | Een concrete omschrijving van de maatregelen passend bij een saneringsinspanning. Planning wanneer de maatregelen worden getroffen.
De volgende gegevens met betrekking tot de onder voorschrift 12.2.1 bedoelde stoffen moeten worden vastgelegd c.q. overgelegd voor goedkeuring: Gegevens van de stof: naam, CAS-nummer, concentratie, actueel veiligheidsinformatieblad. Motivatie waarom deze stof niet kan worden vermeden. De te verwachten hoeveelheid van deze stof in het afvalwater, lucht en afval. Een schatting van de immissieconcentratie. Een opgave van de datum van het in gebruik nemen van het product. Een omschrijving van het proces waarbij de stof vrijkomt. | Een concrete omschrijving van de maatregelen passend bij een saneringsinspanning. Planning wanneer de maatregelen worden getroffen. PROCEDURELE ASPECTEN 1. PROCEDURELE ASPECTEN 1.1. Gegevens aanvrager Op 1 november 2021 is een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van: N.V. Slibverwerking Noord-Brabant (hierna SNB) aan de Middenweg 38 te Moerdijk. SNB richt zich op de verwerking van (communaal) zuiveringsslib van haar aandeelhouders (vijf waterschappen) en overige klanten. 1.2. Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: een revisievergunning ten behoeve van de gehele inrichting plus het doorvoeren van een aantal kleine aanpassingen binnen de inrichting. De veranderingen betreffen: een verzoek tot lozing vanuit de DAF/stripper, als de Sequencing Batch Reactor (SBR) buiten bedrijf is, zonder voorafgaande goedkeuring van de waterkwaliteitsbeheerder; maatwerk voor het melden van ongewone voorvallen en de mogelijkheid tot proefneming binnen de inrichting; toevoegen van 12 nieuwe parkeerplekken aan de noordzijde van de inrichting t.b.v. elektrische voertuigen. Verzoek om extra vergunningvoorschrift met een goedkeuringsregeling aan de hand waarvan in de toekomst een mogel jk nieuwe Euralcode aan de vergunning kan worden verbonden. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven activiteiten: artikel 2.1, eerste lid, onder e (het veranderen en in werking hebben van een inrichting) van de Wabo juncto artikel 2.6, eerste lid (revisie) van de Wabo. 1.3. Omschrijving van de aanvraag De aanvraag bestaat uit de volgende delen: Aanvraagformulier met OLO nummer 5100857, 1-11-2021; Explosie Veiligheidsdocument, Royal Haskoning DHV, I&BBE7016R001D03, 26 januari 2017; Rapport grondwatermonitoring Slibverwerking Noord-Brabant te Moerdijk, Royal Haskoning BV, BC7095_T&P_RP_2011301504, 30 november 2020; Beschrijving acceptatie- en verwerkingsbeleid, AV/AO-IC, SNB, juni 2022; GAP analyse PGS richtlijnen, SNB Moerdijk, BH9013MIRP002F01, Royal HasKoning, 6 mei 2022. Bijlage 3, Inrichtingstekening, Royal Haskoning, 9P4795.A0/0619-418, 09-08-2021; Bijlage 4, kenmerken proces en installatie beschrijving, SNB, oktober 2021; Bijlage 4a, processchema, SNB, oktober 2021; Bijlage 5, milieu aspecten, SNB, december 2021; Bijlage 6, rapportage ZZS, SNB, november 2021; Bijlage 6a, Geur- en luchtkwaliteitsonderzoek NV Slibverwerking NoordBrabant, Olfasense, SNBM20A1, maart 2021; Bijlage 7, akoestisch onderzoek slibverbrandingsinstallatie Noord-Brabant, Peutz, FD 4376-2-RA-001, 16 februari 2021; Bijlage 9, Eurallijst, ECD Milieumanagement, oktober 2021; Bilage 10b, Luchtemissies irt BBT conclusies afvalverbranding, SNB, oktober 2021; Bijlage 10, BBT-toets, ECD Milieumanagement, oktober 2021; Bijlage 10C, Overzicht schoorsteenemissie, 22 juni 2022; Bijlage 11B, tekening met bodembedreigende activiteiten, Royal Haskoning, 9P4795.A0/0619-420, 09-08-2021; Bijlage 11B1, Actualisatie bodemrisico document SNB 2020, Royal Haskoning, BH9013100100T&PR001F02, 25-08-2021; Bijlage 11C, Plan van aanpak bodemrisico analyse, Royal Haskoning, 9P9405, 19 november 2004; Bijlage 12, Overzicht vigerende vergunningen, SNB, maart 2021; Bijlage 13. Niet technische samenvatting, SNB, oktober 2021; Bijlage 16, Plan van aanpak (bedrijfsenergieplan) NV slibverwerking Noord-Brabant, BMD Advies, HO/20.008/21602/KC, 11 maart 2020; Bijlage 19, inrichting gevarenzonering leidingstelsels totaal, Royal Haskoning, project nummer 9P4795.A0/0619-421, 09-08-2021; Bijlage 19a, tekening inrichting opslag gevaarlijke stoffen leidingstelsels totaal, Royal Haskoning, 9P4795.A0/0619-419, 09-08-2021; Bijlage 20. Tekening leidingstelsels totaal, SNB, 20-08-2022; Bijlage 21a, Beschrijving afvalwaterbehandeling, SNB, september 2021; Memo met nadere onderbouwing luchtemissie grenswaarden, SNB, 21 december 2022. 1.4. Huidige vergunningsituatie Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen verleend dan wel meldingen geaccepteerd: De hierboven genoemde vergunningen waar een * bij staat, zijn volgens de Invoeringswet Wabo gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd. Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Uit artikel 1.2 lid 1, 2 en 3 van de Invoeringswet Wabo volgt dat een vergunning of ontheffing, die is verleend op grond van het recht zoals dat gold voor inwerkingtreding van de Wabo, gelijkgesteld wordt met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit. Bij besluit van 19 februari 2004, kenmerk 04U872, is door waterschap Brabantse Delta aan SNB, een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren verleend voor de (indirecte) lozing van afvalwater via de gemeentelijke riolering en de verbeterd gescheiden riolering van de gemeente Moerdijk op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) Bath, in beheer bij waterschap Brabantse Delta, alsmede voor de (directe) lozing op de sloot langs de Middenweg, in beheer bij waterschap Brabantse Delta. De vergunning is gewijzigd bij de volgende besluiten: Besluit van 26 augustus 2005, kenmerk 05U6341; Besluit van 6 februari 2007, kenmerk 07U000825; Besluit van 3 augustus 2009, kenmerk 09U005843. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet vervangt onder andere de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). De provincie NoordBrabant is na het in werking treden van de Waterwet voor de indirecte lozing (via de riolering op de rwzi) het bevoegd gezag. Het waterschap Brabantse Delta is wettelijk adviseur voor deze indirecte lozing. De Wvo-vergunning en de wijzigingen daarop voor indirecte lozingen worden aangemerkt als vergunningen ingevolge de Wabo. Het waterschap Brabantse Delta is voor de directe lozing op de sloot langs de Middenweg het bevoegd gezag. Rijkswaterstaat West-Nederland Zuid is voor de directe lozing op het Hollands Diep het bevoegd gezag. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Uit artikel 4.13, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet volgt dat een omgevingsvergunning voor een activiteit waarop een verbodsbepaling als bedoeld in paragraaf 5.1.1 van de Omgevingswet van toepassing is en die onherroepelijk is, geldt als een omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet. Daarnaast is in artikel 4.13, lid 3 en 4 van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat als aan een omgevingsvergunning voorschriften verbonden zijn die gelden voor een activiteit die niet of niet geheel onder de vergunningplicht valt, deze voorschriften gelden als maatwerkvoorschriften voor zover het gaat over een onderwerp waarvoor op grond van de Omgevingswet maatwerkvoorschriften gesteld kunnen worden, 1.5. Bevoegd gezag Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag voor de inrichting. Dit volgt uit artikel 2.4 van de Wabo juncto artikel 3.3 lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De activiteiten van de inrichting zijn genoemd in Bijlage I onderdeel C categorieën 28.4 onder a sub 2 en 28.4 onder e sub 2 van het Bor en daarnaast betreft het een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. Uit artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet volgt dat het oude, vóór 1 januari 2024, geldende recht van toepassing is op de onderhavige aanvraag om omgevingsvergunning. De Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant is door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant gemandateerd voor het afhandelen van deze aanvraag om vergunning. 1.6. Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen dat deze wet aanhaakt bij de Wabo wanneer: een activiteit plaatsvindt in of om een Natura 2000-gebied en deze activiteit de kwaliteit van de habitats en de habitats van soorten verslechtert (handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden), en/of; een activiteit plaatsvindt waarbij in onvoldoende mate sprake is van het beschermen van inheemse plant- en diersoorten en het bewaken van de biodiversiteit tegen invasieve uitheemse plant- en diersoorten (handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten). Het aanhaken is niet van toepassing (een vergunning natuur is niet van toepassing) wanneer al toestemming op basis van de Wnb is verkregen (vergunning en/of ontheffing op basis van de Wnb is verleend) voor het tijdstip waarop de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend. Verder is een vergunning Wnb niet van toepassing wanneer voor het voorgenomen project geen vergunning en ontheffing op grond van de Wnb nodig is. Ten aanzien van de stikstofemissie geldt voor deze aanvraag dat op 30 maart 2022 een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is afgegeven. De aanvraag is ingediend op 4 december 2020. SNB vraagt met deze vergunning geen nieuwe activiteiten aan waardoor actualisatie van de Wnb vergunning niet aan de orde is. Gelet op het voorgaande is voor deze aangevraagde wijziging geen aanvullende toestemming benodigd in het kader van de Wet natuurbescherming c.q. haakt het onderdeel "natuur" niet aan in onderhavige Wabo-procedure. 1.7. Beoordeling van de aanvraag Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen. 1.8. Procedure Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven op de in artikel 12 van de Bekendmakingswet bepaalde wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennisgegeven van de aanvraag op de website van de provincie Noord-Brabant. Wij hebben op 1 november 2021 de aanvraag ontvangen. Wij hebben op 24 december 2021, 10 maart 2022, 22 juni 2022 en 4 augustus 2022 aanvullende gegevens ontvangen. 1.9. Advies wettelijke adviseurs In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden: Gemeente Moerdijk; Waterschap Brabantse Delta; Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant; Inspectie L&T Rijkswaterstaat. — Naar aanleiding van onze advies uitvraag hebben wij de volgende reacties ontvangen: Gemeente Moerdijk Op 16 november 2021 heeft de gemeente Moerdijk aangegeven dat er geen wettelijk advies noodzakelijk is. De reden hiervoor is dat de aanvraag qua uitbreiding alleen de aanleg van parkeerplaatsen voor elektrische voortuigen betreft. Waterschap Brabantse Delta Op 6 januari 2021 hebben wij van het Waterschap Brabantse Delta advies gekregen. Het advies is als volgt: Na ontvangst van de aanvraag, hebben wij deze getoetst op ontvankelijkheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag met aanvullende informatie voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de indirecte lozing. De aanvraag met aanvullende informatie is voor wat betreft het aspect indirecte lozing dan ook ontvankelijk en kan in behandeling worden genomen. De bestaande voorschriften voor de directe lozing op de sloot langs de Middenweg in de Wvo-beschikkingen zijn na de invoering van de Waterwet van rechtswege overgegaan naar regulering in het Activiteitenbesluit. De aangevraagde wijzigingen hebben geen invloed op deze directe lozing. Gelet hierop behoeft er geen watervergunning te worden aangevraagd bij Waterschap Brabantse Delta. Reactie op advies Door het Waterschap Brabantse Delta is een voorzet gemaakt voor de voorschriften en overwegingen met betrekking tot de lozing van afvalwater. Dit advies is in deze vergunning verwerkt. Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) Op 8 december 2021 hebben wij het advies van ILT ontvangen. Naar aanleiding van het advies hebben wij aanvullende informatie gevraagd. Op 24 december 2021 hebben wij een reactie van SNB ontvangen naar aanleiding van de opmerkingen vanuit ILT. Deze zijn beoordeeld door ILT en op 21 maart 2022 hebben wij een reactie ontvangen. Hieruit bleek dat nog niet alle vragen voldoende zijn beantwoord. Op 21 juni 2022 heeft SNB een reactie gegeven op de nog openstaande vragen van ILT. Op 20 juli 2022 hebben wij vervolgens vanuit ILT een reactie ontvangen. Naar aanleiding van de laatste aanvullingen hebben wij op de volgende punten een reactie vanuit ILT mogen ontvangen: SNB stelt dat "door toepassing van BBT in de installatie en RGR afdoende is geborgd dat (altijd) aan de daarin gestelde emissie-eisen wordt voldaan' en dat daarom ook slib geaccepteerd kan worden dat niet voldoet aan de acceptatievoorwaarden (die niet rood zijn gearceerd). Wij hebben eerder aangegeven dat de stelling dat de RGR ook bij zwaarder slib borgt dat wordt voldaan aan de gestelde emissie-eisen onderbouwd moet worden. Die onderbouwing is niet in de aanvullingen aangevuld. Indien SNB geen deugdelijke onderbouwing indient in het kader van de voorliggende procedure, adviseren wij de acceptatie van slib dat niet voldoet aan de acceptatievoorwaarden niet te vergunnen. SNB stelt dat de ZZS inventarisatie voor slib afkomstig van (industriële) afvalwaterzuiveringsinstallaties aan de orde is op het moment dat dergelijk slib geaccepteerd gaat worden. SNB stelt dat dergelijk slib momenteel niet wordt ingenomen en dient daarom hier geen ZZS inventarisatie voor in. Tegelijkertijd vraagt SNB wel de acceptatie en verwerking van dit slib aan. Hiervoor geldt een ZZS inventarisatie als indieningsvereiste. Indien SNB geen ZZS inventarisatie indient in het kader van de voorliggende procedure, adviseren wij de acceptatie en verwerking van dit slib niet te vergunnen. Uit de reactie van SNB valt af te leiden dat de monstername en analyse in bijlage 2 van het AV/AO-IC is gebaseerd op slib dat wordt ingedeeld onder euralcode 19 08 05 en 02 03 05. SNB geeft verder aan "Voor zover andere stromen in de toekomst zullen worden aangeboden, zal dan de monstername frequentie worden bepaald'. Echter, SNB vraagt in de voorliggende procedure wel de acceptatie en verwerking van 24 euralcodes aan terwijl de monstername en analyse voor maar twee euralcodes is uitgewerkt. Indien SNB geen uitwerking voor de resterende 22 euralcodes indient in het kader van de voorliggende procedure, adviseren wij de acceptatie en verwerking van deze 22 euralcodes niet te vergunnen. SNB heeft geen inhoudelijke reactie gegeven op onze specifieke vragen m.b.t. de ingediende kosteneffectiviteitsberekening in bijlage 10b van de aanvraag. Wij adviseren de aangevraagde grenswaarden voor NH3 en NOx niet te vergunnen. Reactie op advies
Wij hebben aan de beschikking een voorschrift toegevoegd waarin expliciet staat vermeld dat het verwerken van afval, dat niet aan de eigen acceptatievoorwaarden van SNB voldoet, niet is toegestaan. Mocht SNB deze afvalstroom toch willen verwerken, moeten eerst de acceptatievoorwaarden worden aangepast. Conform voorschrift 3.5.4 moeten deze dan ter goedkeuring aan ons worden voorgelegd.
In voorschrift 3.4.5 staat opgenomen welke informatie SNB moet indienen bij het accepteren van nieuwe afvalstoffen waarvan de euralcode niet is opgenomen in bijlage 9, maar waarvan de aard en samenstelling en de minimumstandaard voor verwerking overeenkomt met één van de genoemde afvalstoffen. Voor deze stoffen geldt een verplichting om voor feitelijke acceptatie goedkeuring van het bevoegd gezag te krijgen om deze te mogen verwerken binnen de inrichting. In het verzoek moeten een aantal gegevens worden overlegd, waaronder nadere informatie over eventueel aanwezige ZZS stoffen. Daarnaast zijn er nog algemene voorschriften opgenomen met betrekking tot ZZS stoffen. Deze zijn terug te vinden in hoofdstuk 12 van de voorschriften. Deze gelden voor de vergunde en nog niet vergunde euralcodes. SNB vraagt meer euralcodes dan de euralcodes die op dit moment worden verwerkt. Wij kunnen instemmen met dit verzoek. Echter zijn wij ook van
mening dat voordat deze euralcodes worden geaccepteerd en verwerkt ook de monstername frequentie bekend moet zijn. Voorschrift 3.4.5 is aan de vergunning toegevoegd om dit te borgen. Voor euralcode 19 08 05 en 02 03 05 hebben wij een uitzondering gemaakt omdat hier de monstername frequentie al wel van bekend is. In plaats van een nadere onderbouwing op het gebied van kosten effectiviteit heeft SNB aangegeven voornemens te zijn om de gaswassers van de rookgasreinigingsinstallaties te vervangen. Hierdoor zal de NOx en ammoniak emissie uiteindelijk lager uitvallen. In de vergunning zijn voorschriften opgenomen m.b.t. de bestaande situatie. Voor de nieuwe situatie zal, conform de afspraken uit het Schone lucht akkoord, zo laag mogelijk worden vergund (onderkant range BBT normering). Wij achten het niet realistisch om ook voor de bestaande situatie inspanningsvereisten op te nemen om de grenswaarden nog verder te verlagen. Rijkswaterstaat Op 23 november 2021 hebben wij het volgende advies ontvangen van Rijkswaterstaat: Rijkswaterstaat voorziet geen veranderingen in het schone hemelwater wat direct wordt geloosd op het Hollands Diep. Dit is de enige lozing die direct op oppervlaktewater wordt geloosd en deze valt onder het AB. Verder geen opmerkingen. Rijkswaterstaat voorziet ook voor de koelwaterspui geen veranderingen. Het is opgevallen dat in de AWZI van het bedrijf een ZZS wordt toegepast. Reactie op advies Wij kunnen instemmen met de aannames van Rijkswaterstaat. Het klopt dat er geen wijziging wordt voorzien voor het koelwaterspui. Voor het toepassen van ZZS stoffen worden in de vergunning voorschriften opgenomen. Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant Op 13 januari 2022 hebben wij het advies van de Veiligheidsregio Midden- en Westgevraagd. Op 1 juni 2022 hebben wij het advies ontvangen n.a.v. de ingediende aanvullende gegevens. Het advies is als volgt: De aanvraag bevat voldoende gegevens om een beoordeling op het gebied van Brabant ontvangen. Naar aanleiding van het advies hebben wij aanvullende gegevens brandveiligheid uit te kunnen voeren. Wel hebben wij nog op- en aanmerkingen die door middel van het stellen van voorschriften ondervangen kunnen worden. Deze voorschriften en onze adviezen zijn opgenomen in bijgevoegd rapport. Naar aanleiding van het later ingediende verzoek om gelijkwaardigheid en vragen vanuit SNB op de concept versie van deze ontwerpbeschikking hebben wij op 13 juli 2022 nogmaals advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Wij hebben op 3 augustus 2022 een aanvullend advies ontvangen. Het advies is als volgt samen te vatten: -voorschriften m.b.t. bluswatervoorziening moeten in de vergunning blijven; -eerder voorgestelde voorschriften tot het hebben van een UPD mogen weg wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag vanuit de milieu wetgeving; -verzoek gelijkwaardigheid m.b.t CO2 tank is akkoord; -verzoek gelijkwaardigheid m.b.t. vuurlastberekening ABl 1 gebouw is akkoord; -in de GAP-analyse zijn een aantal vakjes rood gearceerd waar geen opvolging plaatsvindt of er is een keuze mogelijkheid. SNB dient dit nader toe te lichten. Reactie op advies Door de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant is een voorstel gedaan voor het stellen van voorschriften. Wij hebben dat voorstel overgenomen in dit besluit. Naar aanleiding van de ingediende GAP analyse hebben wij op 3 augustus 2022 om aanvullende gegevens gevraagd. Op 4 augustus 2022 zijn de aanvullingen ontvangen. Na afstemming met de Veiligheidsregio is geconcludeerd dat met deze aanvullingen voldoende is aangegeven op welke wijze volledig aan de PGS voorschriften wordt voldaan. 1.10. Wet BIBOB Conform de beleidsregels hebben wij van N.V. Slibverwerking Noord-Brabant in het kader van de revisievergunning een Bibob-vragenformulier (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur) en bijlagen ontvangen. Gezien de huidige aandeelhoudersstructuur (Waterschappen) hebben we besloten dat er geen Bibob-onderzoek zal plaatsvinden naar het bedrijf. Ook bij een eerdere ontvangst van een vragenformulier was toen dit de reden dat wij geen Bibob-onderzoek zijn gestart. Wel wijzen we erop dat het Bibob-onderzoek een momentopname is. Er kan op een later moment blijken dat er (nieuwe) handhavingsinformatie, strafrechtelijke informatie of een andere indicatie is om een nieuw Bibob-onderzoek op te starten. Uit dat onderzoek kan dan blijken dat er vanuit de Wet Bibob wel degelijk bezwaren zijn ten aanzien van de omgevingsvergunning. 1.11. Zienswijzen op de ontwerpbeschikking Van het ontwerp van de beschikking hebben wij de kennisgeving digitaal gepubliceerd op internet: www.brabant.nl op 20 juni 2023 en www.officielebekendmakingen.nl op 21 juni 2023. Tussen 22 juni 2023 en 3 augustus 2023 heeft het ontwerp ter inzage gelegen en is eenieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is gebruik gemaakt. NV Slibverwerking Noord-Brabant (SNB) Op 31 juli 2023 is door SNB een zienswijze ingediend op de ontwerpbeschikking. Samengevat gaat het om de volgende zienswijzen: Zienswijze 1 SNB verzoekt om een aantal documenten geen onderdeel uit te laten maken van de vergunning. Het betreft bijlagen die aan de aanvraag zijn toegevoegd ter informatie en als achtergronddocument. SNB verzoek daarom ook om de volgende rapportages geen onderdeel uit te laten maken van de vergunning: rapportage grondwatermonitoring van Royal Haskoning, bijlage 1, 2, 5, 6, 6a, 7, 10, 10b, 11a, 11b, 17, 18 en 21b. Reactie op zienswijze Een aantal documenten zullen onderdeel moeten uitmaken van de vergunning omdat deze de basis zijn van de vergunning. Naar aanleiding van het verzoek van SNB hebben wij nogmaals kritisch gekeken naar welke stukken we onderdeel uit hebben laten maken van de aanvraag. Bij nader inzien maken inderdaad teveel bijlagen onderdeel uit van de vergunning. Een aantal bijlage zijn alleen nodig geweest voor de beoordeling en kunnen als achtergrondinformatie worden beschouwd. We zullen de volgende bijlagen alsnog verwijderen: Rapportage grondwatermonitoring Royal aanvraag maar zullen geen onderdeel maar uitmaken van de vergunning. De Haskoning van 30-11-2020, 1, 2, 11a, 17, 18, 21b. Deze blijven wel onderdeel van de zienswijze is hiermee gedeeltelijk gegrond verklaard. Zienswijze 2 SNB verzoekt om voorschrift 5.1.3 te schrappen. In de aanvraag is ter hoogte van de slibbunkerhal ingestemd met het gegeven dat hier sprake is van een aanvaardbaar bodemrisico in plaats van een verwaarloosbaar bodemrisico. Anders dan door het bevoegd gezag gesteld, kent artikel 2.9a van het Activiteitenbesluit geen verplichting tot het uitvoeren van een onderzoek om alsnog een verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken. Reactie op zienswijze Het instemmen met het hebben van een aanvaardbaar bodemrisico in plaats van een verwaarloosbaar bodemrisico, wil niet zeggen dat er nooit gestreefd moet worden naar een verwaarloosbaar bodemrisico. Het realiseren van een aanvaardbaar bodemrisico is onder de Omgevingswet niet meer toegestaan. De Omgevingswet gaat er namelijk vanuit dat bodemverontreiniging voor alle milieubelastende activiteiten (zoveel mogelijk) wordt voorkomen door in het Bal de beste beschikbare technieken (BBT) per activiteit voor te schrijven. Het voorschrijven van deze BBT maatregelen samen met de specifieke zorgplicht komt overeen met het oude begrip verwaarloosbaar bodemrisico. Met het oog hierop willen wij er naartoe werken dat bij alle bodembedreigende activiteiten sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. Wij begrijpen ook dat het voor SNB lastig zal zijn om dit binnen een korte termijn te realiseren. Wij hebben er daarom voor gekozen om geen termijn op te nemen. In plaats daarvan bieden we SNB de mogelijkheid om in het geactualiseerde plan van aanpak zelf een termijn aan te geven. Maatregelen kunnen bijvoorbeeld worden getroffen wanneer er toch al een groot onderhoud gepland staat. Wij gaan dan ook niet mee in deze zienswijze en verklaren deze ongegrond. Zienswijze 3 In paragraaf 9.4 van de overwegingen is aangegeven dat voor de bovengrondse dieseltank ter hoogte van het waterinlaatgebouw geen standaardvoorschriften gelden. In plaats daarvan dienen maatwerkvoorschriften te worden opgelegd. Hierin wordt verwezen naar artikel 3.71d van de Activiteitenregeling. SNB verzoekt om de achtergrond hiervan nader toe te lichten. Reactie op zienswijze SNB heeft gelijk dat de maatwerkvoorschriften niet correct zijn beschreven in het ontwerpbesluit. Vanuit de Regeling is opgegeven dat via maatwerkvoorschriften de voorschriften van paragraaf 3.4.9 van de Activiteitenregeling ook van toepassing kunnen worden verklaard voor dieseltanks die op een verdiepingsvloer staan. Dan is het noodzakelijk om artikel 3.71d lid 5 niet van toepassing te verklaren. Wij hebben dit via een maatwerkvoorschrift bepaald. Zienswijze is hiermee gegrond verklaard. Zienswijze 4 In paragraaf 12.4 van de overwegingen staat beschreven dat er sprake is van CO 2 levering vanuit SNB richting Omya. Op het terrein van SNB staat onder ander een condensaatkoeler, 3 koeltoeren, koelwaterpompen e.d. Deze voorzieningen zijn eigendom van Omya en worden bedreven door Omya. SNB geeft aan dat zij geen enkele zeggenschap hebben over de bedrijfsvoering m.a.w. de exploitatie van de koeltorens. Momenteel zijn ze onderdeel van de vergunning van SNB. SNB stelt echter dat ze geen onderdeel uitmaken van de inrichting van SNB. SNB verzoekt dan ook om in de vergunning te benoemen dat eventuele aanschrijvingen op het gebied van toezicht en handhaving op deze installatie naar Omya moeten worden gestuurd en niet naar SNB. Reactie op de zienswijze Op 6 oktober 2023 heeft SNB aangegeven, na overleg met Omya, zienswijze 4 in te trekken. Het is dan ook niet meer noodzakelijk om hier nog inhoudelijk op te reageren. Zienswijze 5 SNB verzoekt om in voorschrift 1.5.1 onder f de verwijzing naar paragraaf 3.5 aan te passen naar paragraaf 3.6. Reactie op de zienswijze In de ontwerpbeschikking is inderdaad naar de verkeerde paragraaf verwezen. Zienswijze is gegrond en voorschrift is conform voorstel van SNB aangepast. Zienswijze 6 SNB verzoekt om voorschrift 3.6.5 zodanig aan te passen dat alleen voor alle bulkgoederen de hoeveelheden moeten worden bepaald via een weegvoorziening. SNB geeft aan dat het voor bijvoorbeeld de afvoer van poetsdoeken en kantoorafval niet gebruikelijk en mogelijk is om deze te wegen vanwege de te geringe gewichten. SNB stelt voor om op te nemen dat voor alle niet bulkgoederen kan worden volstaan met een telling en/of financiële afhandeling van de afnemer. Reactie op zienswijze Wij kunnen ons vinden in de onderbouwing van SNB waarom het niet mogelijk is om voor alle afvalstoffen de gewichten te registreren via een weegbrug. Wij stemmen dan ook in met het voorstel om het voorschrift alleen van toepassing te verklaren op bulkgoederen. Stoffen die in standaardverpakkingen worden aangeleverd dan wel afgevoerd mogen ook op een andere wijze worden geregistreerd. Zienswijze is hiermee gegrond verklaard. Zienswijze 7 SNB verzoekt om voorschrift 3.6.7 te schrappen. Dit is, volgens SNB, namelijk een overbodig voorschrift omdat zij al een rapportage verplichting hebben via de e-PTRT wetgeving. Reactie zienswijze SNB stelt terecht dat zij een rapportageverplichting heeft via het e-PRTR. Wij kunnen niet instemmen met de stelling dat alle verplichtingen uit voorschrift 3.6.7 geborgd zijn via de e-PRT rapportage. Zo geldt er via e-PRTR geen verplichting tot het hebben van een sluitende afval administratie en hoeft er ook geen toelichting gegeven te worden op eventuele afwijkingen. Wij zien dit voorschrift als een nadere verdieping van de landelijke rapportage verplichtingen. Mochten er wijzigingen optreden in de ePRTR rapportageplicht, blijft er rapportageplicht als gevolg van voorschrift 3.6.7 in stand. Wij gaan dan ook niet mee in de zienswijze. Zienswijze is hiermee ongegrond verklaard. Zienswijze 8 In voorschriften 4.2.1 en 4.2.2 is in de tabel de opmerking "te weten gestript' toegevoegd in vergelijking met de huidige vergunning. Enkel de stromen 2 droogdampcondensaat van de drogers en 3 condensaat van de indampingsinstallatie worden gestript (conform blokschema in bijlage 5 van de aanvraag). SNB verzoekt om dit aan te passen. Reactie op zienswijze Per abuis is in voorschriften 4.2.1 en 4.2.2 opgenomen dat alle afvalwaterstromen worden gestript. Dit is echter niet correct. Alleen het droogdampcondensaat van de drogers en het condensaat van de indampinstallatie worden gestript. Wij hebben beide voorschriften aangepast conform verzoek. Zienswijze is gegrond. Zienswijze 9
In de beschikking wordt in 5.5 van de inhoudelijke overwegingen gesteld dat het bedrijfsafvalwater voldoet aan de BBT-34 geassocieerde emissie grenswaarden voor het afvalwater van de rookgasreiniging. Hieruit vloeit ook het voorschrift 4.4.3. voort waarin de lozingsnormen voor het bedrijfsafvalwater zijn vastgesteld. Dit bedrijfsafvalwater bevat echter ook andere stromen dan alleen het afvalwater van de rookgasreiniging. Hierdoor is er sprake van verdunning. De toets en de normstelling zouden daarom geen betrekking moeten hebben op het bedrijfsafvalwater maar slechts op het afvalwater van de rookgasreiniging. In de beschikking wordt in 5.4 van de inhoudelijke overwegingen gesteld dat de afvalwaterzuivering voldoet aan BBT. Echter de aanwezige zuiveringstechnieken (Dissolved Air Flotation, Stripping, Sequence Batch Reactor) lijken op basis van BBT-34 niet perse geschikt voor de verwijdering van dioxinen, kwik en opgeloste metalen die ook in het afvalwater van SNB voorkomen. Reactie op zienswijze 19a: Het bedrijfsafvalwater bestaat uit 20.000 m3/jaar afvalwater van de rookgasreiniging (condensaat indampinstallatie). Het overige bedrijfsafvalwater bestaat uit 240.000 m3/jaar. De afzonderlijke afvalwaterstromen zijn in voorschrift 4.2.1 verder uitgewerkt. Dit betekent een verdunning met een factor 12 voor het afvalwater van de rookgasreiniging. Indien de vergunde concentraties uit voorschrift 4.4.3 worden doorberekend naar een gehalte in het afvalwater van de rookgasreiniging en er vanuit wordt gegaan dat er geen verontreinigingen in het overige afvalwater aanwezig zijn, worden de BBT-34 geassocieerde emissie grenswaarden overschreden. Edoch is bij de vergunningverlening onderstaande beredenering gevolgd.
In voorschrift 4.10 is voorgeschreven dat SNB iedere vijf jaar een vermijdingsen reductieprogramma voor de lozingen van kwik, lood, nikkel, EOX, PAK en microfeed Opure No Nikkel moet indienen. ILT vindt de termijn van 5 jaar na verlening van de vergunning te lang. Tevens is ILT van mening dat in het ontwerpbesluit niet is beoordeeld of extra inspanningen tot het reduceren van ZZS nodig zijn. Arseen en dioxine zijn ten onrechte niet mee genomen in het voorgeschreven vermijdings- en reductieplan. Reactie op zienswijze: Zienswijze 20a Deze zienswijze is reeds onder 19b toegelicht. Zienswijze 20b Indien overduidelijk is dat een immissietoets slaagt (ofwel de restlozing toelaatbaar is), waarbij de verdunning op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) wordt meegenomen in de beoordeling, wordt een dergelijke toets niet uitgevoerd of verzocht op te nemen in de aanvraag. De verdunning via de betreffende rwzi Bath betreft een factor 142. Bij de uitvoering van het vermijdings- en reductieplan (V&R) zullen de immissietoetsen voor de duidelijkheid en volledigheid uitgevoerd dienen te worden. Zienswijze 20c Na heroverweging is de termijn voor het uitvoeren van het V&R (5 jaar na inwerkingtreding van deze vergunning) te ruim gesteld. Wij zullen voorschriften 4.10.1 en 4.10.2 dan ook aanpassen naar een termijn van 1 jaar en vervolgens een actualisatieplicht na iedere 5 jaar. Daarnaast zal de verplichting tot het uitvoeren van immissietoetsen worden toegevoegd.
In voorschrift 4.10 is voorgeschreven dat SNB iedere vijf jaar een vermijdingsen reductieprogramma voor de lozingen van kwik, lood, nikkel, EOX, PAK en microfeed Opure No Nikkel moet indienen. ILT vindt de termijn van 5 jaar na verlening van de vergunning te lang. Tevens is ILT van mening dat in het ontwerpbesluit niet is beoordeeld of extra inspanningen tot het reduceren van ZZS nodig zijn. Arseen en dioxine zijn ten onrechte niet mee genomen in het voorgeschreven vermijdings- en reductieplan. Reactie op zienswijze: Zienswijze 20a Deze zienswijze is reeds onder 19b toegelicht. Zienswijze 20b Indien overduidelijk is dat een immissietoets slaagt (ofwel de restlozing toelaatbaar is), waarbij de verdunning op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) wordt meegenomen in de beoordeling, wordt een dergelijke toets niet uitgevoerd of verzocht op te nemen in de aanvraag. De verdunning via de betreffende rwzi Bath betreft een factor 142. Bij de uitvoering van het vermijdings- en reductieplan (V&R) zullen de immissietoetsen voor de duidelijkheid en volledigheid uitgevoerd dienen te worden. Zienswijze 20c Na heroverweging is de termijn voor het uitvoeren van het V&R (5 jaar na inwerkingtreding van deze vergunning) te ruim gesteld. Wij zullen voorschriften 4.10.1 en 4.10.2 dan ook aanpassen naar een termijn van 1 jaar en vervolgens een actualisatieplicht na iedere 5 jaar. Daarnaast zal de verplichting tot het uitvoeren van immissietoetsen worden toegevoegd.
In voorschrift 4.10 is voorgeschreven dat SNB iedere vijf jaar een vermijdingsen reductieprogramma voor de lozingen van kwik, lood, nikkel, EOX, PAK en microfeed Opure No Nikkel moet indienen. ILT vindt de termijn van 5 jaar na verlening van de vergunning te lang. Tevens is ILT van mening dat in het ontwerpbesluit niet is beoordeeld of extra inspanningen tot het reduceren van ZZS nodig zijn. Arseen en dioxine zijn ten onrechte niet mee genomen in het voorgeschreven vermijdings- en reductieplan. Reactie op zienswijze: Zienswijze 20a Deze zienswijze is reeds onder 19b toegelicht. Zienswijze 20b Indien overduidelijk is dat een immissietoets slaagt (ofwel de restlozing toelaatbaar is), waarbij de verdunning op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) wordt meegenomen in de beoordeling, wordt een dergelijke toets niet uitgevoerd of verzocht op te nemen in de aanvraag. De verdunning via de betreffende rwzi Bath betreft een factor 142. Bij de uitvoering van het vermijdings- en reductieplan (V&R) zullen de immissietoetsen voor de duidelijkheid en volledigheid uitgevoerd dienen te worden. Zienswijze 20c Na heroverweging is de termijn voor het uitvoeren van het V&R (5 jaar na inwerkingtreding van deze vergunning) te ruim gesteld. Wij zullen voorschriften 4.10.1 en 4.10.2 dan ook aanpassen naar een termijn van 1 jaar en vervolgens een actualisatieplicht na iedere 5 jaar. Daarnaast zal de verplichting tot het uitvoeren van immissietoetsen worden toegevoegd.
In voorschrift 4.10 is voorgeschreven dat SNB iedere vijf jaar een vermijdingsen reductieprogramma voor de lozingen van kwik, lood, nikkel, EOX, PAK en microfeed Opure No Nikkel moet indienen. ILT vindt de termijn van 5 jaar na verlening van de vergunning te lang. Tevens is ILT van mening dat in het ontwerpbesluit niet is beoordeeld of extra inspanningen tot het reduceren van ZZS nodig zijn. Arseen en dioxine zijn ten onrechte niet mee genomen in het voorgeschreven vermijdings- en reductieplan. Reactie op zienswijze: Zienswijze 20a Deze zienswijze is reeds onder 19b toegelicht. Zienswijze 20b Indien overduidelijk is dat een immissietoets slaagt (ofwel de restlozing toelaatbaar is), waarbij de verdunning op de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) wordt meegenomen in de beoordeling, wordt een dergelijke toets niet uitgevoerd of verzocht op te nemen in de aanvraag. De verdunning via de betreffende rwzi Bath betreft een factor 142. Bij de uitvoering van het vermijdings- en reductieplan (V&R) zullen de immissietoetsen voor de duidelijkheid en volledigheid uitgevoerd dienen te worden. Zienswijze 20c Na heroverweging is de termijn voor het uitvoeren van het V&R (5 jaar na inwerkingtreding van deze vergunning) te ruim gesteld. Wij zullen voorschriften 4.10.1 en 4.10.2 dan ook aanpassen naar een termijn van 1 jaar en vervolgens een actualisatieplicht na iedere 5 jaar. Daarnaast zal de verplichting tot het uitvoeren van immissietoetsen worden toegevoegd.
Voorschrift 1.5.1
Voorschrift 3.4.5 (nieuw toegevoegd)
Voorschrift 3.6.5 Voorschriften 4.2.1 en 4.2.2
Voorschrift 4.4.1
Voorschrift 4.10.1 en 4.10.2 Paragraaf 4.15 is verwijderd Voorschriften 4.17.1, 4.17.2, 4.18.1 en 4.18.2 zijn nieuw toegevoegd
Voorschrift 5.1.2
Voorschrift 7.3.2 is nieuw toegevoegd
Voorschrift 10.1.2
Voorschrift 10.4.13 Voorschriften 12.2.1 en 12.2.2. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er enkele teksten met betrekking tot het overgangsrecht Wabo aan de definitieve beschikking toegevoegd. Daarnaast zijn de bedrijfsactiviteiten met verwijzing naar de paragrafen uit het Activiteitenbesluit omgeschreven naar de correcte van toepassing zijnde paragrafen uit het Bal en het omgevingsplan van de gemeente Moerdijk.
Voorschrift 1.5.1
Voorschrift 3.4.5 (nieuw toegevoegd)
Voorschrift 3.6.5 Voorschriften 4.2.1 en 4.2.2
Voorschrift 4.4.1
Voorschrift 4.10.1 en 4.10.2 Paragraaf 4.15 is verwijderd Voorschriften 4.17.1, 4.17.2, 4.18.1 en 4.18.2 zijn nieuw toegevoegd
Voorschrift 5.1.2
Voorschrift 7.3.2 is nieuw toegevoegd
Voorschrift 10.1.2
Voorschrift 10.4.13 Voorschriften 12.2.1 en 12.2.2. Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn er enkele teksten met betrekking tot het overgangsrecht Wabo aan de definitieve beschikking toegevoegd. Daarnaast zijn de bedrijfsactiviteiten met verwijzing naar de paragrafen uit het Activiteitenbesluit omgeschreven naar de correcte van toepassing zijnde paragrafen uit het Bal en het omgevingsplan van de gemeente Moerdijk.